Een venster dat kleppert op de wind Ironische, ondraaglijk nuchtere 'Verzamelde gedichten' van Hanny Michaelis

Tussen de publikatie van haar debuut Klein voorspel (1949) en het voorlopige sluitstuk van haar oeuvre, Verzamelde gedichten, publiceerde Hanny Michaelis vijf andere bundels en een bloemlezing....

GERT JAN DE VRIES

Zes bundels in 47 jaar is niet veel, al zijn er beroemdere dichters met een kleiner oeuvre. Even opvallend als het beperkte aantal gedichten zijn de constante thematiek en toon. Maar die moest ze in de eerste bundel nog op de traditie veroveren. Toen Michaelis eind vorig jaar de Anna Bijnsprijs kreeg uitgereikt, nam ze dan ook, in een interview in de Volkskrant, afstand van haar debuut, waarin regels voorkomen als: 'Ben ik na jaren nog het kind gebleven/ dat zich, door lente's toverlicht verblind,/ liet vangen door de speelse voorjaarswind/ als hoog boven haar hoofd de wolken dreven?' Qua vorm en toon is dit sonnet (!) keurig, braaf. Het heet 'Het meisje', en wat er vooral aan opvalt is hoe trefzeker Michaelis toen al haar twijfel aan de vanzelfsprekende loop der dingen zag: 'Maar 'k heb mijn onbevangenheid verpand.' Prachtig, die eigen variant op een ontkenning van een ontkenning. En de voorzichtige twijfel uit 1949 zou reusachtige vormen aannemen bij Michaelis, al is reusachtig niet het juiste woord bij dit soms ironische, soms sarcastische, maar meestal ondraaglijk nuchtere werk.

Er zijn nogal wat gedichten uit verschillende bundels die steeds dezelfde ervaringen beschrijven, wakker worden bijvoorbeeld. Bij Michaelis is dat een existentiële belevenis: 'Wekkerkabaal/ scheurt me zonder omzien/ los uit de warme cocon/ van lakens en dekens', heet het ergens. In een titelloos vers uit Water uit de rots werd het traumatische van diezelfde alledaagse gebeurtenis ook al vastgelegd:

'Het morgenraam schuift blauw en blinkend/ rechthoekig door mijn dromen heen./ Splinters geluid doorboren mij/ en blijven steken in mijn hoofd./ De klok slaat waarschuwend alarm/ en dreigend rolt de kamer op mij aan./ Terwijl ik wankel op het slappe koord/ waarlangs de slaap geschrokken vlucht'.

Of ze de verwarring van het moment nu aangeeft met het rare letterbeeld van 'wekkerkabaal' of de vijandigheid van de dag toont in een concretisering als 'splinters', Michaelis maakt haar problematiek steeds scherp voelbaar. In een van de drie nieuw-gebundelde gedichten is het wederom de angstaanjagende dageraad, maar nu milder en een tikje spottend: 'Wie dit ziet/ heeft de nacht overleefd/ of hij wil of niet.'

Ook pleinvrees, mensenangst en andere fobieën doen zich nogal eens voor in dit weinig hoopgevende oeuvre: 'Minuten dijen uit/ tot jaren/ in de kaarsrechte/ lege straat/ waar ik schoorvoetend/ achter mezelf aan loop.// Tussen twee rijen huizen/ bekneld wacht de zon/ op haar ondergang.' Kiert daar een straaltje humor? Relativeert de dichteres haar eigen ernst in een woord als 'schoorvoetend'? Het is onvoorstelbaar, al voel je als lezer dat bij Michaelis de ernst op ieder moment in bittere spot om kan slaan.

Michaelis' werk telt vele natuur- en stadsimpressies, die meteen tot beelden van emoties worden omgevormd: 'Regen/ over de polder. Wie/ door betraande ruiten/ naar buiten kijkt/ wordt het groen/ en grijs voor ogen./ Hoop en berusting/ opgelost in een alles/ uitvagende schemering.' En veel gedichten beginnen sterk, met eerste regels als: 'Mijn hart is als een venster in de avond/ dat openstaat en kleppert op de wind', of: 'Er groeit in mij een boom van grijs verdriet' of 'Eierschalen tot de rand gevuld/ met tranen dragen wij/ behoedzaam door de tijd.'

De woorden en de toon van Michaelis' gedichten zijn na het debuut zelden meer versluierend of sierlijk geweest. De kracht van de dichteres ligt er nu juist in dat ze dreigende, beangstigende, zware momenten uit een moeizaam leven scherp en helder tot uitdrukking brengt. Zonder eufemismen legt ze de melancholie vast 'waarin het mogelijk lijkt/ vrede te sluiten met een bestaan/ dat aan volstrekte zinloosheid/ zijn zin ontleent.'

En in een tragisch gedicht met oudtestamentische zinsneden laat ze nog eens zien dat duurzame liefde onmogelijk is: 'Je geeft me water/ wanneer ik dorst heb/ en brood om mijn honger te stillen,/ maar in mijn mond/ wordt het water bitter/ en het brood knarst als zand/ tussen mijn tanden.// Ik bijt in de hand/ waarmee je me liefkoost/ en je warmte/ laat ik verloren gaan.// Toch ben je de enige/ die ik zoek. Daarom/ moet je mij doden.'

Iets milder en soms wat subtieler zijn de tien niet eerder gebundelde gedichten die Michaelis uit het Jiddisj vertaalde. Maar ze kunnen even medemenselijk grimmig zijn als haar eigen werk, getuige: 'Op een winteravond/als de vorst knettert,/ zal ik branden/ in je kleine haard./ Jij zult je tevreden nestelen/ in een diepe stoel/ en je warmen/ aan mijn vuur.'

Hanny Michaelis: Verzamelde gedichten. G.A. van Oorschot, ¿ 55,-.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden