Een veilige Haven

Vredesproces opgeblazen, luidden de woordspelige krantekoppen begin deze week. De wereld reageerde geschokt op de aanslagen in Jeruzalem en Tel Aviv....

Max van Weezel raakte na de eerste bom, die van 25 februari op bus 18, niet in paniek. 'Je wist dat Hamas wraak zou nemen na de moord op zijn meesterbommenmaker.' Na de tweede bom was de paniek er wel. Dit was geen afrekening meer, het was escalatie. En dat op dezelfde plek. 'Er kwam een doemscenario bij me boven. Hamas gaat door. Peres' politieke ondergang nadert. Het einde van Oslo. Arafat wordt onhoudbaar.'

De laatste bom, die van maandag, kwam echt dichtbij. In Tel Aviv woont een neef, die de aanslag in de drukke Dizengoffstraat zag gebeuren. 'Tel Aviv is het wereldse Israël tegenover het Israël van Jeruzalem; dat van de haviken, de orthodoxen, de kolonisten. Als je Tel Aviv opblaast, dan blaas je het vredesproces op. En dat weet Hamas ook.'

Van Weezel (1951), journalist bij Vrij Nederland, was een van de samenstellers van een bundel beschouwingen die in 1983 het licht zag onder de titel Israël: een blanco cheque? Ook toen deden de lotgevallen van Israël de emoties hoog oplaaien, zij het onder een volstrekt ander gesternte. Het Israëlische leger was Libanon binnengevallen, had Beiroet gebombardeerd en goedkeurend toegezien hoe twee Palestijnse kampen door christelijke milities werden uitgemoord.

Van Weezel: 'De boodschap van de bundel was vooral gericht aan onze linkse vrienden. Na de inval in Libanon werd Israël regelmatig gelijk gesteld met Zuid-Afrika, Hitler en dergelijke. Israël deugde niet en in het café hoorde je dan in een moeite door ''jullie joden deugen ook niet''.'

De titel Een blanco cheque? verwees uiteraard naar de moeite die het de twintig joodse auteurs kostte aan hun 'niet-joodse, linkse vrienden' duidelijk te maken dat je je verbonden kunt voelen met Israël zonder direct alles goed te keuren wat zich tussen Tel Aviv en Jeruzalem afspeelt. Tegelijk varieerde de titel op een uitspraak van Abel Herzberg, die de staat Israël vergeleek met een cheque 'die kan worden verzilverd als elders niet langer het krediet wordt verstrekt om vrij van discriminatie en vervolging te leven'. Een levensverzekering dus.

Dertien jaar later lijkt de bundel van een andere planeet te komen. De kritiek op Israël is sinds de akkoorden van Oslo verstomd. Een 'Israël-debat' of 'Palestina-debat' is in geen velden of wegen te bekennen. Maar met de drie jongste bommen wordt ook het gevoel van veiligheid dat de staat Israël bood, op de proef gesteld. Tien van de twintig auteurs van Israël: een blanco cheque? reageren op de recente aanslagen en vergelijken de stemming met die uit 1983.

Minny Mock (1945) vestigde zich kort na de publikatie in Israël. Ze is aangeslagen, maar de angst van toen dat er aan het bestaan van Israël wordt getornd, is verdwenen. 'Ik heb nu niet het gevoel dat wij joden alleen staan', zegt Mock vanuit Jeruzalem, waar ze de laatste hand legt aan haar dissertatie sociologie. 'De reacties uit het buitenland doen mij goed. Er is veel medeleven. Het zal er mee te maken dat deze vorm van terreur niet alleen Israël treft, maar ook landen als Egypte en Algerije, zelfs Frankrijk en de Verenigde Staten worden ermee geconfronteerd. Het is geen Israëlisch probleem meer. Geen probleem van ''de joden''. De discussie over het bestaansrecht van Israël wordt gelukkig niet meer opgerakeld, zoals in 1982.'

De gelijkstelling van zionisme met racisme stemde haar destijds bitter. Nu kunnen zelfs de bommen haar niet echt van haar stuk bengen. Mock is orthodox-religieus en bezocht zondag de plaats van de aanslag in Jeruzalem om er te bidden. Het viel haar op hoe rustig de mensen waren, nog maar enkele uren nadat de lichaamsdelen er in het rond vlogen.

'Natuurlijk voelt iedereen zich onveilig. Het werkt op je zenuwen. Het geweld is niet meer ver weg, aan het front. De vijand kan overal zijn, op straat, in de bus. Deze terreur kan iedereen treffen, zelfs Arabieren zoals bij de laatste aanslag het geval was. Het is verraderlijk en je kunt je er niet tegen wapenen. Wat me opvalt is het grote incasseringsvermogen van de Israëli's. Indrukwekkend. Ik hoor nauwelijks reacties van mensen die er nu uit wraak op los willen slaan.'

Voor Maarten Jan Hijmans (1944), ex-correspondent van de Volkskrant in Caïro, deed de oorlog in Libanon 'de deur dicht', zoals hij in zijn bijdrage schreef. Hij vierde de Israëlische onafhankelijkheidsdag dat jaar voor het eerst niet in joodse, maar in Palestijnse kring. Even twijfelde hij of hij zijn droefheid wel mòcht delen met Palestijnen temidden van PLO-vlaggen. 'Dan', schrijft hij. 'besluit ik me op deze bijeenkomst niet langer een vreemde eend in de bijt te voelen. Eén te zijn met de gesublimeerde woede en onbestemde melancholie lijkt me het enige antwoord.'

Terugkijkend op die periode zegt Hijmans dat hij, anders dan zijn co-auteurs, 'nooit zo'n last heeft gehad van het idee dat wij joden in de beklaagdenbank zitten'. Ook had hij al lang niet meer het gevoel dat Israël zo kwetsbaar was. Hij vond de oppositie in Israël nogal 'labbekakkig'. Hij liep zelf rond tussen de lijken in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Chatila in Libanon en had er nog jaren nachtmerries van.

'Die aanslagen in Israël zijn natuurlijk walgelijk. Maar ik zie een directe lijn naar de onvolkomenheden van het vredesakkoord van 1993. Daarin zijn zoveel dingen niet geregeld. Het biedt zo weinig garanties. Er is geen uitzicht op zelfbeschikking voor de Palestijnen, de status van Oost-Jeruzalem is niet geregeld, de miljoenen vluchtelingen blijven buiten beschouwing. Een groot deel van de Palestijnen kon zich niet in het akkoord vinden.'

Hijmans vindt dat je ondanks alles ook de motieven van de daders moet proberen te begrijpen. 'Anders roep je het beeld op van mensen die uit irrationele, duivelse beweegredenen kwaad doen om het kwaad. Dan krijgt het een bijna mythische lading. Ik las vorig jaar een portret van zo'n zelfmoordenaar. Hij was opgegroeid tijdens de intifada, had gevangen gezeten, was gemarteld en verloor familieleden onder wie een jonger broertje. Een rotleven. Als je dat soort mensen nog harder gaat vervolgen, worden ze alleen maar wanhopiger.'

Ook Ruth Rosenthal (1944) is naar Israël verhuisd, in 1985. Als 'beroepszioniste', zoals zichzelf achteraf bestempelt, lag dat voor de hand. 'Op een gegeven kon ik niet meer aan de zijlijn blijven staan. Het werd me allemaal te theoretisch in Nederland. Discussies over wie nou een jood is en wat je relatie met Israël moest zijn.' In 1983 werkte ze bij het CIDI, het Nederlandse informatiecentrum over Israël. Nu in een Israëlische pesticidenfabriek.

Rosenthal vindt het eigenlijk wel goed dat linkse joden in Nederland tijdens de periode van de inval in Libanon op zichzelf werden teruggeworpen. 'Ze hadden zo hun best gedaan anti-zionistisch te zijn en een joodse zelfhaat te cultiveren. Ze beseften niet wat er aan antisemitisme leefde. Door de felle reacties op de Libanon-veldtocht, werden ze gedwongen te voelen wat ze niet wilden voelen.'

Een van de vijf aanslagen van de afgelopen weken had in Ashkelon plaats, waar Rosenthal woont. Ook zij heeft niet meer het gevoel dat Israël in zijn bestaan bedreigd wordt. 'Maar de sfeer is heel grimmig. Dat komt vooral doordat alles in het politieke wordt getrokken. De pijn is collectief en roept een trauma op dat de bevolking eigenlijk zou moeten verenigen. Maar rechts vertaalt de aanslagen als een fiasco van de vredespolitiek van links en helaas schuift links op naar rechts.'

Eigenlijk vindt ze zelf ook dat het vredesproces nu een stapje terug moet, al weet ze dat dit de tegenstanders van vrede, zoals Hamas, in de kaart speelt. 'Maar is een grens aan wat je kunt tolereren. Ik moet nog wel de bus in durven. Het gaat niet om individuele acties, er zit een infrastructuur achter. Als de PLO Hamas niet kan aanpakken, dan moet Israël dat doen. Veiligheid is een eerste vereiste voor een samenleving.'

De journaliste Marja Vuijsje schreef in 1983 over 'De mythe van de joodse assimilatie'. Ook zij had het gevoel dat ze door anti-zionistisch links, zoals het toen heette, werd aangesproken op de daden van Israël. Terwijl ze het idee had weinig tot niets met dat land te hebben. 'Overal werd je verantwoordelijk voor gehouden. Ook voor wat rechts in Israël deed. Men hield er geen rekening mee dat Israël verschillende stromingen kende. Dat had wel een antisemitische connotatie.'

Over haar artikel van destijds: 'Ik hoef nu niet meer te bewijzen dat ik geassimileerd ben. Lang heb ik zo'n ijzerenheinig standpunt gehad: vraag mij maar alles over de Baskische kwestie, maar niets over Israël.'

Waarmee ze niet wil zeggen dat ze zich nu wèl intensief met Israël bezig houdt. Haar broer is er naartoe verhuisd. Haar keuze zou dat niet zijn. 'Misschien ga ik nog een keer, om hem te bezoeken. Maar het idee dat ik ooit nog eens Amsterdam zou moeten ontvluchten, houdt mij totaal niet bezig.'

De inval in Libanon was inderdaad afschuwelijk. 'Maar terreur tegen burgers in een drukke winkelstraat, dat is toch van een andere orde. Angstaanjagender. Een inval kan ongedaan worden gemaakt. maar mensen opblazen, terreur, dat is totaal onberekenbaar.'

Selma Leydesdorff (1949), hoogleraar vrouwenstudies aan de Universiteit van Amsterdam, meent dat het boek ertoe heeft bijgedragen dat het debat over Israël rationeler is geworden. 'Er is niet zo'n vanzelfsprekende solidariteit meer met de Palestijnen en ik hoef ook niet meer ieder gesprek met linkse mensen te beginnen met een soort anti-zionismeverklaring.'

Niet dat ze de illusie heeft dat het destijds ook door haar bespeurde antisemitisme is verdwenen. 'Europa is altijd een vruchtbare voedingsbodem geweest voor antisemitisme. Het is latent aanwezig en in periodes van spanning maken bepaalde krachten daar gebruik van. Dat was tijdens de Libanon-oorlog zo, tijdens de intifada die daarop volgde, ik ervoer het tijdens de Golfoorlog en het zou me niet verbazen dat het bovenkomt als Israël er nu hard op slaat. Dan zal ook ik daar in linkse kringen weer op aangesproken worden.'

Martin van Amerongen (1941), hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, heeft te doen met 'die arme Peres, die in de allermoeilijkste situatie zit die je je in de internationale politiek kunt voorstellen'. Hij sluit zich aan bij de schrijver Amos Oz, die begin deze week de Palestijnen in een open brief opriep nu zelf eens een vredesbeweging te beginnen. 'Ze kunnen het nu niet meer laten bij een condoleance-bezoek aan Leah Rabin, ze moeten zelf over de brug komen en de handen uit de mouwen steken.'

Toch blijft Van Amerongen geloven in 'het kleine mirakel' van het in 1993 begonnen vredesproces. 'De dingen die de afgelopen tien jaar zijn gebeurd, het einde van de apartheid, de instorting van het communisme, de val van de Muur en de vredesakkoorden tussen Israël en de PLO, dat zijn zaken die tot voor kort ondenkbaar waren. In Israël praten nu doodsvijanden met elkaar. Daar kunnen de aanslagen van Hamas niets aan veranderen.'

Van Amerongen ontwaarde in 1983 in Israël: een blanco cheque? geen golf van antisemitisme. Minzaam besluit hij zijn stuk onder de titel 'De joden moeten niet zo klagen' met de reprimande: 'Overigens zou het aangenaam zijn als die paar antisemieten die er zijn die paar joden die er nog zijn eindelijk eens met rust zouden laten.' Hij zegt nog steeds achter dat artikel staan; hetgeen bijvoorbeeld niet het geval is met zijn Wagner-biografie die hij helemaal aan het herschrijven is.

De hoofdredacteur van De Groene heeft geen last van een overdreven emotionele binding met Israël. Eind vorig jaar bezocht hij het land voor het eerst. Voordien stelde hij zich 'op het deftige standpunt dat de joden eerst moeten leren enigszins fatsoenlijk met hun Palestijnse landgenoten om te springen', schreef hij in zijn reisverslag.

Hij vond het geen leuk land en de volgende keer gaat hij liever naar de Bahama's. 'Het is een land waarin zelfs op de goudgele stranden een uitgesproken sfeer hangt, alsof zich elk ogenblik een apocalyps kan aandienen.' Maar bij alle kritiek is het de enige natie in het Midden-Oosten met een aanvaardbaar systeem. 'Wat kan Israël leren van die terroristische landen eromheen? Met de stank van de gasovens nog in de neus kun je van de Israëli's niet verwachten dat ze er dezelfde hoge morele maatstaven op na houden als wij.'

Awraham Rosenberg (1943), bibliothecaris bij Ets Haim, het Portugees Israëlietisch Seminarium, viel in de bundel uit de toon doordat hij als enige niet de vloer aanveegde met de militante Likud-regering van premier Begin, die in 1983 aan de macht was. Rosenberg vond wel dat hij zijn stem moest verheffen tegen dingen die indruisten tegen 'alles waar het jodendom door de eeuwen heen voor heeft gestaan: gerechtigheid en gelijkheid van alle mensen, jood of niet-jood.'

Hij vindt dat nog steeds en de urgentie is alleen maar toegenomen. 'Waanzin natuurlijk, die aanslagen. Maar politici en journalisten kijken er verkeerd tegenaan, bekijken wat in Israël gebeurt altijd geïsoleerd. Terwijl het extremisme in de hele wereld toeneemt.'

Het verschil tussen 1983 en de huidige dag zit volgens Rosenberg in het feit dat veel duidelijker is geworden dat etnische conflicten nauwelijks oplosbaar zijn. Niet in Israël, niet op de Balkan, niet in Afrika, Azië of waar dan ook. Hij schreef toen al dat het naïef was te veronderstellen dat de oplossing eenvoudigweg lag in erkenning van de PLO en teruggeven van gebied aan Syrië. Nu: 'Het Israëlisch-Arabische conflict wordt nooit gezien in een context van etnische tegenstellingen. Als je het wel zo bekijkt, is er misschien wel helemaal geen oplossing. Neem de Sovjet-Unie, die in zeventig jaar de etnische tegenstellingen niet heeft kunnen uitroeien. Kijk naar Joegoslavië.'

Politieke of morele vooruitgang ziet Rosenberg niet of nauwelijks. De mens is geneigd tot extremisme. Overal is extremisme, hetzij van Hamas, de Algerijnse fundamentalisten, of van de joodse moordenaar van Rabin. 'Ik heb boter op mijn hoofd. Ik vraag me af: heb ik als pastoraal werker wel voldoende aan mijn leerlingen uitgedragen dat extremisme niet de weg is? Dat moord en doodslag in strijd zijn met de joodse normen en waarden? Maar over politieke oplossingen ben ik veel voorzichtiger geworden.'

Rosenberg deelt met zijn voormalige mede-auteurs de opvatting dat we ons in het comfortabele Nederland geen mening kunnen aanmatigen over de Israëlische politiek. 'Ik zit hier. Daarmee houdt de zaak op. Ik ga geen concrete stappen voorstellen. Daar verzet ik me tegen. Wanneer het over de Noord-Ierse kwestie gaat, komt niemand met een politieke oplossing, maar bij Israël weet iedereen het als de beste.'

Max van Weezel: 'Nu is het probleem in de hoofden van linkse joden: wat ik altijd met zo veel kracht heb bepleit, dus land voor vrede, is dat wel mogelijk? Wij hebben uit ons comfortabele appartement in Amsterdam-Zuid Israël toegesproken. Wij hebben altijd gezegd: jullie zijn op de verkeerde weg. Beter je leven. Ga praten met de Palestijnen. Maar als wat nu gebeurt, leidt naar een totale oorlog, wat dan? Of tot de ondergang van Israël?

'Je schaamde je wel in de diaspora, omdat je niet op je negentiende op alijah (emigratie naar Israël) bent gegaan. Dat knagende schuldgevoel blijft altijd. Bij elke dode soldaat denk je, dat had ìk eigenlijk moeten zijn. Als ik dapperder was geweest, dan had ik daar gestaan. Dat is de reden om altijd een toontje lager te zingen tegenover Israël.'

Mogen we kritiek hebben op Israël? Dat was, zo schrijft Max van Weezel ergens in zijn bijdrage, het thema van een forum waaraan hij destijds deelnam, samen met - of tegenover - de Israëlische ambassadeur. Nu: 'Voor ons was dat vredesproces natuurlijk fantastisch. Jarenlang waren linkse joodse schrijvers verketterd door de mainstream. Wij wilden allemaal vreselijke dingen, land voor vrede. Nu is dat anders, plotseling werd wat wij wilden regeringspolitiek. Ze zeiden sorry, en we worden tegenwoordig zelfs om de haverklap uitgenodigd voor etentjes op de ambassade.'

Volgens Van Weezel houdt ook het spoorloos verdampen van het 'Israëldebat' verband met het succes van het vredesproces, meer dan met het verdwijnen van de linkse beweging. 'De vraag of Israël bestaansrecht heeft, wordt niet meer gesteld. Dat speelde nog tijdens de intifada, in 1987 of 1988. Alsof je vraagt naar het bestaansrecht van Frankrijk na de kernproeven op Mururoa. Die discussie is weg. Onze positie is dus een stuk comfortabeler geworden.'

Leonard Frank (1942) is toneelregisseur, in 1983 bij BAAL, nu bij het Theater van het Oosten. Voor hem is er in die dertien jaar niet zo veel veranderd. Destijds maakte hij zich zorgen over de houding bij sommigen die zeiden: het zal zo'n vaart niet lopen. Die zorgen heeft hij in 1996 nog steeds. 'Door de inval van Sharon in Libanon kreeg je hier in Nederland met een virulenter antisemitisme te maken. We voelden ons bedreigd en geïsoleerd. Dat was de reden van dat groepje om bij elkaar te komen, waaruit die bundel is ontstaan.'

In de Partij van de Arbeid bestond een krachtige stroming die het opnam voor de Palestijnen. Daarbij voelde hij zich bepaald niet op zijn gemak. Nu zijn er vredesverdragen gesloten met Jordanië en diezelfde Palestijnen. Maar Frank ervaart aan den lijve geen werkelijk verschil. 'Neem zo'n Van Mierlo die in Jeruzalem Orient House bezoekt. Dat was een interessante graadmeter. Ik was getroffen door de argumentatie. Dat bezoek moest doorgaan, Israël moest niet zeuren. Het was van een grote, veelzeggende arrogantie.'

Voor Frank heeft Israël nog steeds de functie van veilige haven waarheen hij kan gaan, mochten de dingen mislopen in Nederland. 'We zijn vijftien jaar verder. Het enige verschil is eigenlijk dat we vijftien jaar verder van de oorlog vandaan zijn.'

Tamarah Benima (1950), hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad, heeft haar bijdrage in Israël: een blanco cheque? nog eens herlezen en werd getroffen door de dingen die niet voorbijgingen. 'De manier waarop de Palestijnen nooit verantwoordelijkheid nemen. Toen niet en nu ook niet, met het verhaal dat er wel joden medeplichtig moeten zijn geweest aan die bomaanslagen, omdat de Westbank en Gaza immers waren afgesloten. Ik mocht Arafat toen niet, ik mag hem nu nog niet. De PLO heeft altijd geprobeerd de eigen verantwoordelijkheid af te schuiven op Israël.'

De ambivalentie is ook gebleven. Ze kon toen niet onvoorwaardelijk kiezen en kan dat nog steeds niet. Niet voor het vredesproces, voor die redelijke, humanistische, vanzelfsprekend lijkende oplossingen. Maar ook niet voor de keiharde vuist: bevecht Hamas tot het einde, zet er maar een hek tussen, hang ze allemaal op. 'Alles wat je aan ideologie en morele overtuiging in huis hebt, helpt niet: schoon doordenken is er niet bij.'

Ze schreef toen een emotioneel artikel. Noemde Arafat 'burgerlijk, een bourgeois, een engerd, een leugenaar, een hypocriet en slap'. En ze moest letterlijk overgeven toen ze hoorde van de moordpartij in Sabra en Chatila, en later elke keer als ze eraan terugdacht. 'Somber, somber, het is om naar van te worden', schreef ze toen.

In 1996: 'Ik ging naar de Palestijnse gebieden in verband met de verkiezingen. Kwam eufoor terug, er is echt iets veranderd. Nu denk ik weer: is er ooit echt iets veranderd? Maar het is een heel andere moedeloosheid dan toen. Ik heb me verzoend met het idee dat Israël een militaire macht is die af en toe hard uithaalt. Daar was ik toen niet aan toe. Ik ben van mijn illusies beroofd. De paradox is dat ik desondanks optimistischer ben dan toen.'

Ze beaamt dat het klimaat in Nederland volkomen veranderd is. Nog een keer de flaptekst van Israël: een blanco cheque? 'Israël en het zionisme zijn nu voor velen identiek met bommenwerpers boven Beiroet. Voor sommigen zelfs met kolonialisme, imperialisme en racisme.' De twintig auteurs deden een poging 'de dialoog van doven over Israël en de Palestijnen te doorbreken'. Hoe staat het vandaag met de hardhorendheid?

Benima: 'Het klimaat is totaal anders. Vooral in de pers en de politieke partijen. Het moet ook te maken hebben met de val van de Muur. De communistische machtspolitiek is weggevallen, bijvoorbeeld in de VN. En mijn generatie, de ideologische generatie, is ouder geworden. De dingen bleken veel ingewikkelder dan wij dachten. Dat is ook bij antisemitisch links hard aangekomen. En uiteraard heeft de machtswisseling in Israël belangrijk bijgedragen.

'Nu zijn we in het paradijs, vergeleken met toen. Het was echt afschuwelijk. We kregen te horen: jullie blijken ook nazi's te zijn. Dat is helemaal omgeslagen. De kranten schrijven zo positief tegenwoordig. God mag weten waar ze de rachmones, het meegevoel met ons vandaan hebben gehaald.'

Martin Sommer

Frits van Veen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden