Een uitstalkast voor vogels

Vogels in het Spaanse park Doñana zijn feest. Als de bijeneter boven de bloemen scheert, vieren alle kleuren van de regenboog hun verjaardag....

Wat een leuk klein verenbolletje. Het hipt uit het struweel omhoog en probeert na een sprongetje keihard fladderend, maar traag als een hommel de overkant van het asfalt te halen. Het is amper groter dan een winterkoninkje en heeft hoegenaamd geen kleur, het is een vogeltje van niks. De vleugeltjes zijn te klein, of het lijfje te zwaar, want hoe het ook fladdert, er komt maar geen vaart in. Het gaat alleen maar recht vooruit en naar beneden.

Hijgend begint het diertje aan het laatste stuk, de rechterweghelft, op een hoogte van al minder dan een meter.

Als daar net, omgeven door smoorverliefde vlinders, een gifgroen autootje arriveert.

Pok!

In de achteruitkijkspiegel is niets te zien. Het vogeltje is weg. Verdwenen. Maar dat het dood is, lijkt wel zeker. De 'Pok' klonk hard en zeer beslist.

Een klein drama is het. Een ramp. Een vogeltje! Na een verblijf van twee, drie dagen in gezelschap van een echte vogelkenner in het Spaans nationaal park Doñana bestaan er geen vogeltjes-van-niks meer. Want elke vogel heeft wel wat.

De grijze saaie steltlopertjes bijvoorbeeld, die langs de oceaan lopen te pikken: als die beginnen te rennen, gaan die witte gatjes zo prachtig in cadans heen en weer en zijn het ineens net wielrennertjes in de Alpen. Of ooievaars, die kunnen heel slordig opfladderen, alsof ze vergeten zijn hun jas dicht te knopen. De steltkluut staat op zijn veel te hoge veel te dunne knalrode poten alsof hij ze geleend heeft van iemand anders. En als de bijeneter boven de paarse bloemen scheert, vieren alle kleuren van de regenboog tegelijk hun verjaardag. Vogels in Doñana zijn feest. En vogels-kijken is topsport.

Fabio Casale uit Parma noteert in het ornithologisch gastenboek dat hij op één dag heeft gezien: 2 Hirundo daurica, 1 oriolus oriolus (mannetje), 1 hiaratus permatus, 1 miluus miluus, 2 porphyrio purp., + aythya ferina, + netta tuffina, 1 p. ardea purpurea, + merops apiaster. Dat mag een wonder heten, want hij heeft ze gezien bij het bezoekerscentrum El Acebuche, het hoofdkwartier van het park. En daar zitten geen vogels, daar zitten alleen toeristen.

Het is zondag, en zondag is kennelijk in Spanje de dag om met busladingen en families tegelijk de natuur in te trekken om lawaai te maken. El Acebuche ligt even buiten het reservaat dat Doñana is. Vlakbij het centrum liggen een paar niet zo heel erg beschermde plassen en bosjes, en aan die plassen staan acht hutten op een rij van waaruit de toeristen groepsgewijs door een gleuf kunnen gluren naar een vliegveld van hier vrij ordinaire zilverreigers in de boomtoppen aan de overkant.

Scholieren stommelen in en uit, krassen hun namen in het hout, werpen een verveelde blik naar buiten en sjokken naar de volgende hut totdat ze ze alle acht hebben gehad, waarna ze terugkeren in het centrum en onzin schrijven in het gastenboek ('gezien: 4 zeldzame beestjes'), op de bank liggen en gitaar en bongo spelen.

Veel kwaad kan dat niet. El Acebuche is erop berekend. Het centrum is een afleidingsmanoeuvre om de mensen weg te houden bij het èchte park, dat een kilometer verderop begint en waar zorgvuldig iedereen wordt geweerd door een groot hek en een klein leger parkwachten met landrovers.

Het reservaat strekt zich uit van El Acebuche in het westen tot aan de Guadalquivir, ruim dertig kilometer verderop in het oosten, en van de oceaan in het zuiden tot El Rocío in het noorden. Vijftigduizend hectare waarop zich dennenbos, duin, hei en kleine stukjes oerwoud verdringen om het beste plaatsje naast het moeras, dat hier de hele horizon vult. Het is voorjaar, en dat betekent dat het moeras nat is, en dat betekent dat ruim de helft van het gebied, zo'n 27 duizend hectare, een halve meter onder water staat.

Ooit spoelde hier de Atlantische Oceaan zelf, en was de binnenzee een baai. Maar in een verre oudheid begon in het westen een landtong te groeien. Traag schoof die tong schuin naar het zuiden, naar waar nu Sanlúcar de Barrameda ligt, en sloot zich als een arm om de baai, totdat alleen nog de smalle sleuf open was waardoor de Guadalquivir en de oceaan elkaar heen en weer duwen - bij hoog water zout naar binnen, bij eb zoet naar buiten.

Op de landtong stapelde de wind hoge duinen op, de afgesloten baai daarachter vulde zich met zeezand en slib en veranderde in een groot en zilt moeras. Elk voorjaar zet nu het regenwater de vlakte blank, en elke zomer schroeit de zon al het water weer weg en verandert het moeras in een woestijn.

De landtong is, net als de rest van het park, verboden gebied. Alleen op het strand en in de eerste rij duinen mag vrij worden gewandeld. Daarachter heersen de parkwachters en kom je alleen met een georganiseerde rondrit. De zeekant van Doñana is gemaakt door de wind. Het waait er altijd. Daarom groeien er alleen in de luwte achter de duinen bomen, bolle parasoldennen, die je overal schouder aan schouder ziet staan, maar die achter de duinen nooit hoger worden dan een meter of drie. Daarboven is de wind de baas. En achter de dennen begint weer een volgend duin, waarachter weer dennen schuilen, waarachter weer een duin verrijst. . .

En alles schuift. De wind blaast de duinen landinwaarts met een snelheid van drie tot vijf meter per jaar, en met die vaart walsen de duinen heen over de dennebomen, die ze eerst beschermden. Ze eten hun eigen kinderen op.

Optimisten zeggen dat het bos het zand uiteindelijk zal keren. Pessimisten zeggen dat het zand zal zegevieren. De gids die als een dolleman de zwaar-terreinbus van de rondrit bestuurt, is een pessimist. Hij brengt zijn gezelschap naar het steilste, dreigendste duin dat er te vinden is: hier is geen tien jaar wind meer nodig om het bos, dat al half in het zand is verdwenen, helemaal te vermalen.

En als het 't duin niet is, dan is het wel het water dat het gebied bedreigt. De gids weet als geen ander hoe dat water balanceert in de subtielste evenwichten: het mag niet te droog zijn, noch te nat, het grondwater niet te zout en niet te zoet, en niet te hoog en nooit te laag. Dit jaar is het te nat, en anders pompen de drainagepompen van de boeren in de buurt het evenwicht wel weg. Om de waterstand te reguleren willen ze nu een oud riviertje, een zijarm van de Guadalquivir, opnieuw - beheerst - tot leven wekken.

De bus scheurt verder, de gids stapt op de rem om zijn groep een blik te gunnen op een familie everzwijn, een edelhert, een roedel damherten of op een silhouet op de verlaten toren in de verte. Een slechtvalk! De lynx, die ook in dit gebied voorkomt, laat zich niet zien. Maar de landtong is niet om de dieren, maar vooral om het landschap interessant. Op dit kleine stukje aarde wonen alle ecosystemen samen: droge, waar de monteblanco (dor 'wit' struikgewas) groeit, pal naast de natte met de sappige donkergroene montenegro, met om de hoek een mediterraan palmenbosje en aan de andere kant van het pad een weelderig vlekje oerbos.

In de verte is steeds een witte berg te zien: zout uit de zoutpannen aan de oever van de Guadalquivir. En altijd blikkert in het noorden het moeras tussen de bomen.

De tocht voert langs de chozas, typische rieten nederzettingen waaruit in 1969, toen Doñana een beschermd natuurgebied werd, de bewoners - vissers, jagers, houtskoolbranders - zijn verjaagd. En ten slotte terug langs het strand dat bij eb hard is als een snelweg, op weg naar een nieuwe typische nederzetting: Matalascañas.

Matalascañas is een kleine planologische vergissing. Luttele jaren voordat Doñana tot natuurpark werd bestemd, werden daar, aan het prachtige oceaanstrand, namelijk enkele bouwpercelen uitgegeven: een rechthoek van drie, vier kilometer lang en nog geen kilometer breed. Die percelen zijn in dertig jaar mudvolgebouwd met een smakeloos Zandvoort van huisjes, hotels, een 'Surf-a-Saurus'-hal, een Texas-bar. Nu is het vol, maar in de hoogte is nog plaats: ook daar wordt nu gebouwd. Hotel del Coto staat als een muur van tien verdiepingen tegen het reservaat aan gedrukt, en beheerst de horizon tot diep in het park. Vanaf Matalascañas loopt een asfaltweg landinwaarts, ook aangelegd voordat het park er was. Een gerieflijke weg waarover de bussen als vanzelf naar El Acebuche worden gelokt.

Naar Cerrado Carrido daarentegen loopt alleen een moeizame zandweg-route vol kuilen. Geen werk voor een klein, gifgroen stadsautootje. Twintig kilometer vergen anderhalf uur, waarin wel en passant gezien zijn: Spaanse cowboys te paard met cape en lange lansen, 1 roodkopklauwier, 2 vorkstaartplevieren, zilverreigers, purperreiger (1), ooievaars, 5 bijeneters, zwarte wouwen (tot vervelens toe), 3 steltplevieren en 1 onweersbui.

Cerrado Carrido is de laatste voorpost voor bezoekers, het nieuwste bezoekerscentrum, dat anderhalf jaar geleden met zijn glazen wand pal aan het moeras is gebouwd. Hier, aan het eind van de modderweg, komen alleen echte spotters: mannen (vooral mannen) met Landrovers, gekleed in camouflagepakken en natuurfondsgroen, met reusachtige telescoopkijkers op statief. Mannen die bekeken vogels sparen zoals anderen nummers van vliegtuigen of treinen.

De kijkers zijn niet altijd nodig want de flamingo's staan pal vóór het centrum. Met hun rare haakkoppen grazen ze ondersteboven en achterstevoren het water af, waarin ze de trappelend met hun poten de bodem omwoelen. En als ze opvliegen, schittert de lucht van het helderste rose en zwart, dat al die tijd onder hun gevouwen vleugels verborgen had gezeten.

Het water bij Cerrado Carrido is een paradijs. Een uitstalkast voor vogels, zoals het droge land een etalage van landschappen was. Van de tweehonderdvijftig soorten laten de meeste zich hier rechtstreeks bekijken. Elk gefladder, elk gedobber eist daarom aandacht. Men grijpt de kijker, stelt scherp en wijst: Marmereenden! Een woudaapje! Waar is het nu? Beroemd om zijn schutkleur. Een kiekendief! Lepelaars! En reigers, en ooievaars, zwarte, witte, purperen, zilveren en blauwe. En zwarte wouwen.

Alweer.

Na twee, drie dagen Doñana wordt de maximale dosis vogels bereikt die een normaal mens kan bekijken. Even geen vogels meer zien. Even wat anders. Even nog naar El Acebrun, het bezoekerscentrum voor de wandelingen: een mooie parkeerplaats en een onbewoond paleis aan de rand van een bos van kromme kurkeiken, hoge statige dennen, een paar kilometer ten westen van het eigenlijke reservaat.

In El Acebrun is geen vogel te zien. Maar verstopt in de takken zit een armada van piepvogels, fluitvogels, krijsvogels, krasvogels en trillerbeestjes.

Als de zon verschijnt, zwelt het concert aan. De oren sijpelen zachtjes vol geluid, het gezicht wordt langzaam warm, slaap bekruipt het bankje. Het park sluit zich als een deken van warmte en geluid om de bezoeker.

Tot een noodweer hem het gifgroene autootje injaagt. Bij het verlaten van het park is het alweer droog. De zon keert terug, en een klein vogeltje begint aan de oversteek.

Zit het vast in de bumper?

Informatie over Doñana: Spaans Verkeersbureau Den Haag, 070-346.59.00. Bezoekerscentrum El Acebuche: 0034-59-44.87.01. Bezoekerscentrum La Rocina: 0034-59-44.87.14.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden