Een tweezame heilige

Frans Masereel, de 'grootste Vlaamse graficus van deze eeuw', behoorde tot de groep Vlaamse kunstenaars die 'de sukkels verdedigen en de onderdrukkers toebijten'....

PAUL DEPONDT

IN SEPTEMBER 1976 is de toenmalige Belgische eerste minister Leo Tindemans op bezoek in Peking. 'Hoe gaat het met onze vriend Frans Masereel', vraagt de grote roerganger Mao Zedong tijdens een gemoedelijk gesprek bij de onafscheidelijke kwispedoor. De premier laat zijn tolk antwoorden dat 'Masereel in goede gezondheid verkeert'. Frans Masereel is dan echter al meer dan vier jaar dood. Hij stierf op 3 januari 1972. Het uit onwetendheid of moedwillig 'foute' antwoord van Tindemans, suggereert Joris Van Parys in zijn biografie van Masereel, typeert de brouille tussen het Belgische koninkrijk en de pacifist en houtsnijder Masereel die een afkeer had van das Militär.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging Masereel bij het verzet; tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij als dienstweigeraar naar Genève gevlucht en had hij zich tegen de waanzin van de loopgraven gekeerd. Dat is hem in België nooit vergeven - althans niet door sommige katholieken. Toen Masereel op tachtigjarige leeftijd in het Singer Museum in Laren exposeerde, werd de toespraak van de Belgische ambassadeur na een tussenkomst van eerste minister Gaston Eyskens, voorman van de katholieken, nog van het programma afgevoerd.

Zijn begrafenis evenwel was een indrukwekkende plechtigheid. Masereel, die jarenlang de toegang tot België was ontzegd, werd op zijn tocht naar zijn laatste rustplaats voorafgegaan door het muziekkorps van de Gentse politie. Hij wilde in Gent worden begraven. Masereel rust er op het 'artiestenkerkhof' Campo Santo onder een eenvoudige hardstenen zerk met geen andere inscripties dan de naam en de data van geboorte en overlijden.

Masereel was 'de grootste Vlaamse graficus van deze eeuw', zegt Van Parys. Zijn oeuvre is indrukwekkend. Zijn leven - hij is 83 geworden - is ook een 'discrete' cultuurgeschiedenis van een eeuw. Masereel leefde min of meer teruggetrokken. Zijn vrienden echter waren beroemde schrijvers en kunstenaars, Stefan Zweig, Romain Rolland, Henry Van de Velde, Thomas en Klaus Mann, Anatoli Loenatsjarski, Emile Verhaeren, George Grosz en Carl Sternheim. Op latere leeftijd, toen hij in Avignon en Nice woonde, kreeg de prins-regent Karel bij hem tekenles.

Zeven jaar lang heeft Van Parys aan het Masereel-boek gewerkt. Het is de eerste 'complete' biografie, waarvoor oorspronkelijke bronnen - brieven en dagboeken - in archieven in Parijs, Winterthur, Genève en op veel andere plaatsen zijn geraadpleegd. Dat was niet altijd even gemakkelijk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is een groot gedeelte van Masereel's archief, dat hij in zijn buitenhuis in het Noordfranse Equihen bewaarde, door bombardementen vernield en daarna systematisch leeggeplunderd.

Frans Masereel is in het Belgische Blankenberge geboren, toen een vissersdorp van drieduizend inwoners. In de zomer was het een veel bezochte mondaine badplaats. In 1889, het jaar van Masereel's geboorte, had Blankenberge al een elektrisch verlichte strandpromenade, de eerste in Europa. Er waren hotels, villa's en een gloednieuw casino. Maar achter dat weelderige Belle Époque-decor op de Zeedijk, waar 's avonds statige dames en heren kuierden, lag een grimmige wereld verscholen van armoede en honger.

Zijn ouders hadden een huis op de Zeedijk. De zee was 'het eerste spektakel dat ik als kind te zien heb gekregen'. Hij maakte in het gezelschap van een zeebonk, 'met een vel zo bruin als dat van een ham, zo hard als dat van een tamboer' (zoals zijn vriend Verhaeren ooit dichtte), lange wandelingen op de kade, te midden van 'kleuren die naar teer en verse vis ruiken'. Zijn vroegste herinneringen legde hij later in Genève vast in de houtsneden Souvenirs de mon pays, opgedragen aan zijn moeder, verhalen over de zee, het ruige vissersleven, over het Blankenberge van zijn jeugd.

Wanneer de kleine Frans vijf is, gaat het gezin Masereel naar Gent. Aan de voet van het Gentse Belfort is bij de jonge Masereel 'het ware geloof erin gehamerd met de Catechismus der beginnenden'. Het werk van Masereel wemelt van toespelingen op het strenge wereldbeeld dat hem tijdens zijn jeugd is ingeprent: 'De strijd tussen goed en kwaad als een soort poppenkast met God en de Duivel als hoofdfiguren.' Op veel prenten loert het alziende oog, de Goddelijke driehoek met het opschrift: 'God ziet U', die overal in Vlaanderen aan de muur hangt, ook in het café.

Toch is het niet de Catechismus der beginnenden die hem heeft gevormd, maar het straatbeeld, het industriële Gent met zijn stoffige weverijen en armoedige arbeiderswijken. Het was de meest rebelse stad van Vlaanderen. 'Dat revolteerde mij', zei Masereel vele jaren later. Hij liep mee in de grote demonstraties in Gent voor algemeen stemrecht en tegen kinderarbeid. Maar of hij - zoals zijn tijdgenoot Richard Minne - ook de carmagnole meezong ('tous les bourgeois à la lanterne') valt te betwijfelen. Masereel was geen arbeiderskind, maar de zoon van een Frans sprekende rentenier.

Op het Gentse atheneum leerde hij Minne kennen, de latere dichter. Ze zaten apart in het leslokaal, want er bestond nog 'een sterke scheiding tussen de zonen van de hogere burgerij, die verfranst was, en de zonen van de kleinburgers en ambtenaren die thuis het Vlaams gebruikten als omgangstaal'. Na het eerste atheneumjaar liet Masereel zich inschrijven voor een opleiding als typograaf aan de Gentse School van het Boek en later ook aan de Academie.

ZIJN MEDESTUDENTEN aan de Gentse Academie dweepten nog met Carrière en Degas, maar Masereel was naar eigen zeggen 'weg van Steinlen, Forain, Jean Veber, van de artiesten die de sukkels verdedigen en de onderdrukkers toebijten'. In Gent trok hij op met de houtsnijder en beeldhouwer Jozef Cantré en de beroemde Gentse etser en 'non-conformist, individualist, proletariër en man van het Belfort' Jules De Bruycker. Ze zwierven rond in de verpauperde straatjes en stegen tussen de Leie en het Gravensteen, 'sloppen met onheilspellende namen', schrijft Van Parys: Luizengevecht, Patershol, Siberië, Serpentstraat en Bloedsteeg. Die achterbuurten, waar na een werkdag van twaalf tot veertien uur 'het werkvolk ligt te snorken als beesten op een zak gras', zal Masereel zich zijn leven lang herinneren.

De stad is Masereel's inspiratie. Eerst Gent, later 'grootsteden' als Genève, Parijs of Berlijn, een magazijn van sensaties en belevenissen. De serie La ville uit de jaren twintig weerspiegelt wat Masereel zijn 'huizenobsessie' noemde. 'Het is best mogelijk dat ik wat te veel van die hoge huizen teken', gaf Masereel in 1921 toe, 'maar wat wil je, ik ben bezeten van huizen.' Hij was gefascineerd door het mysterie van de mensenlevens die zich binnen voltrekken, hun aandriften en hun spanningen. In La ville worden de gevels weggehaald en wordt het leven in die huizen, bordelen, kantoren en fabrieken blootgelegd. De serie toont niet alleen Parijs, maar is een als het ware cinematografische documentaire van de grote steden die Masereel de voorbije jaren had bezocht.

Behalve voor portretten maakte Masereel nooit gebruik van modellen. Het zijn eerder types, gezichten die hij in Genève en later in Parijs in zijn schetsboeken vastlegde. In sommige van zijn prenten, onder meer in de serie Une danse macabre, greep hij terug naar de 'dodendansen' van Hans Holbein de Jongere. De Dood danst bij Masereel op de rug van een welgedane bourgeois.

Masereel was een anarchistisch geïnspireerd kunstenaar. Hij 'bekeerde' zich echter nooit tot het communisme. Hij bleef, ook na reizen in de voormalige Sovjet-Unie en in China, kritisch tegenover de communistische leiders. Aan de vrienden schreef Grosz, die zich na een ontgoochelende Russische reis van het communisme had afgekeerd: 'Uw penselen en pennen zouden wapens moeten zijn, maar het zijn lege strohalmen.' Net zoals Masereel vond hij dat kunst 'geëngageerd' moest zijn, maar daarom nog geen propagandamiddel was voor op macht beluste demagogen.

De 'oude socialist' Masereel, die op een enigszins naïeve en tegelijk optimistische manier de goedheid van de mens in zijn houtsneden had bezongen, werd in de jaren vijftig pessimistischer over 'de maakbaarheid van de mens'. Hij zei in die periode: 'Andere machten dan kunst en geest bepalen de loop van de geschiedenis. Wij kunstenaars zijn meer dan ooit genoodzaakt daarin te berusten.' Masereel was somber, niet alleen vanwege de gebeurtenissen uit de oorlog, maar wellicht ook om heel persoonlijke redenen. Hij leefde geïsoleerd met zijn elf jaar oudere vrouw Pauline. Het is het 'verborgen drama' uit het leven van Masereel, waaraan pas in 1968 - toen hij haar bij zijn thuiskomst na een reis naar Duitsland levenloos aantrof - een eind kwam.

Masereel was een prachtstuk van mannelijkheid, 'un fort beau garçon', schreeft zijn vriend Roger Avermaete. Hij had de gespierde tors van een atleet, energieke trekken en - zegt Avermaete - 'sensuele lippen'. Hij droeg zoals een jeune premier modieus gestreepte jasjes en een vlinderdas. Voor vrouwen was hij door zijn jongensachtige charme en misschien ook wel door zijn zwoele, sonore basstem zeer aantrekkelijk. Anders dan zijn landgenoot Georges Simenon, die daarmee te koop liep, was Masereel 'een discrete minnaar', die echter 'van het aanbod gebruik maakte op de vanzelfsprekende manier waarop iemand neemt en eet van wat er op tafel komt'.

In 1910 ontmoette hij Pauline, een vrouw uit Bretagne die in Gent met Adolphe Auguste Thomas was getrouwd. Haar huwelijk was maar van korte duur. In 1910 ging ze met Masereel een jaar naar Tunis en het jaar daarop naar Parijs. Pas tien jaar later huwden Masereel en Pauline in Zwitserland. Ze bleven bij elkaar tot 1968, 'omdat er ook zoiets bestaat als herinnering en dankbaarheid', maar Pauline - die ziek was geworden - vereenzaamde. Masereel was voortdurend weg, op reis of bij een van zijn vriendinnen, al liet hij Pauline niet in de steek.

VRIENDEN NOEMDEN hem 'een heilige', vanwege zijn sociale overtuigingen. Hij ervoer die 'heiligenstatus' echter als de voornaamste oorzaak van zijn isolement. Een heiligverklaring is ondraaglijk. In een brief aan een van zijn beste vrienden, de Franse schrijver Romain Rolland, gaf hij een beeld van zichzelf. 'Ik ben twee zeer verschillende mensen', schreef Masereel. 'De een is jong, de ander oud. Het jongmens is een groot kind, onstuimig en vol leven, uitbundig, strijdlustig, gulzig, gretig, noem maar op. De ouwe is het tegendeel. Zijn oog is koel en streng, op de eerste plaats is hij een kritische geest, vervuld van bitterheid. Hij loopt zeer recht, is zeer stug en cassant en bekijkt het leven met dédain en spot.'

In Masereel's werk, meent Van Parys in zijn biografie, herken je die 'tweezaamheid'. Hij maakte een aantal illusieloze tekeningen waarop man en vrouw allesbehalve gelijkgestemde partners zijn. Masereel sloot zich in zichzelf op en in zijn werk. De ziekte van Pauline, die negentig is geworden, sloopte ook Masereel.

En toch scheen de zon in zijn houtsneden. De zon en de zonnebloem, als het ware 'het logo' van Masereel, zijn voor hem symbolen van vriendschap, vrede, vrijheid en gerechtigheid. In Le soleil, Masereel's 'zonneboek' bij uitstek, verbeeldde hij het menselijk tekort. Het is een suite van burleske, groteske en picareske taferelen, waarin de hoofdfiguur een kruisbeeld beklimt om Jezus te omhelzen, op straat nieuwsgierig onder de rokken van een vrouw kijkt en vervolgens de zon, hangend aan een paraplu, tegemoet zweeft.

'Hij wil de zon bereiken door de hoogste traptreden te beklimmen en hij komt alleen maar op een kaal zolderkamertje terecht', schreef Louis Paul Boon over Le soleil. 'Hij zoekt het geluk in de wijsheid, in een bibliotheek vol boeken, maar als hij alle boeken gelezen en terzijde geworpen heeft, staat hij voor een kale muur met lege planken.'

Tijdens een toespraak bij de uitreiking van de eerste cultuurprijs van de Deutsche Gewerkschaftsbund aan Masereel, noemde Ernst Bloch zijn oeuvre 'bitterlicht'. Het is bitter, zei 'de filosoof van de hoop' Bloch, omdat het een aanklacht is, een daad van rebellie; licht, omdat Masereel zich laat leiden door een 'geweten van het licht'.

Joris Van Parys: Masereel - Een biografie.

De Prom; ¿ 75,-.

ISBN 90 6801 415 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden