Een tweede leven

In het ziekenhuis hoorde hij de doodsklok luiden. De echo toonde een tumor; op Google had hij nog enkele maanden. Maar Huub Buijssen ging niet dood.

De zondag na de diagnose ruimde hij zijn archief op. Tientallen dossiers, mappen die hij jarenlang zorgvuldig had gevuld met artikelen die nog eens van pas konden komen - hij zou ze nooit meer nodig hebben. Zijn zussen en zwagers kwamen helpen. Ze droegen enorme stapels papier zijn werkkamer uit. Het was die middag alsof zijn toekomst ten grave werd gedragen.


De paniek van de eerste dagen had plaatsgemaakt voor koortsachtig geregel. Hij moest de zaken netjes achterlaten. Eerst had hij zijn moeder gebeld, zijn elf broers en zussen, zijn vrienden. Daarna had hij de uitgevers van zijn boeken benaderd, trainingen en lezingen geannuleerd, de notaris bezocht om afspraken te maken over zijn bedrijf, de journalisten gemaild met wie hij contact had gehad. Er was haast bij, vijf dagen eerder waren zijn vooruitzichten in een klap verschrompeld. Alvleesklierkanker, luidde de diagnose, nog hooguit drie maanden te gaan. Hij zou niet ouder worden dan 54 jaar.


Totdat de specialist in het ziekenhuis hem op een late donderdagmiddag meedeelde: 'Wat je wel hebt, weet ik niet, maar het is in ieder geval geen kanker.' Nu, zeven jaar later, blikt hij terug.


Huub Buijssen is psycholoog en schrijver. Hij publiceerde veertig boeken, over onder meer dementie, depressie en mantelzorg. De gevolgen van die onwerkelijke septemberweek beschrijft hij afwisselend met emotie en distantie. Wat hij had opgestoken van zijn leermeesters, van filosofen en schrijvers bleek ineens op hemzelf van toepassing. Hij zegt: 'Ik gun iedereen zo'n doodvonnis. Zo veel mensen willen de tussenbalans van hun leven opmaken, maar laten dat na, voortgejaagd door het leven. Ik werd ertoe gedwongen. Dat had ik niet willen missen.'


Zijn verhaal begon op een maandagavond, toen hij op de weegschaal stond en ineens 7 kilo lichter bleek. De dag erna zat hij bij de huisarts, die hem doorstuurde voor een echo. 'Ik kon met een half oog meekijken en zag een donkere vlek. De echoscopist keek zorgelijk.' Anderhalf uur na thuiskomst ging de telefoon: de huisarts aan de lijn. De echo liet een tumor zien van 3 centimeter in de kop van de alvleesklier.


Het was woensdag 12 september, die ochtend had hij nog feest gevierd omdat zijn nieuwe boek was verschenen, een gids voor naasten van dementerenden. Diezelfde middag googelde hij zijn levensverwachting bij elkaar: zes weken tot drie maanden. Hij zegt: 'Je kunt je wel de dood van een ander voorstellen, maar niet die van jezelf.'


De huisarts had meteen voor de volgende dag een afspraak gemaakt bij de chirurg. Hele kleine kans dat de tumor te opereren was, hoorde hij daar, en het zou wel een loodzware ingreep betekenen. Het was aan de maag-darm-leverarts om dat te beoordelen. Hij kon de maandag erop, nog voor het spreekuur, terecht. Er volgde bloedonderzoek, er werd een scan gemaakt.


In die dagen leefde hij voor twee: 'Ik beleefde alles intensiever, alsof de boel opnieuw was geverfd. Maar het wonderbaarlijke is: geluk heeft zijn eigen homeostase, het hervindt vrij snel zijn oude evenwicht. Dat weet ik uit psychologische studies en nu gebeurde het mezelf, al na een paar dagen. Hoe groot de klap ook is, er komt een moment dat je toch weer van dingen kunt genieten. Je kunt niet voortdurend tegen de zon in kijken, dan word je blind. Het idee dat ik spoedig zou sterven, het was te groot, te veel. Ik had afleiding nodig en die zocht ik ook op.'


Net in die tijd begon zijn moeder te dementeren. Hij had altijd gedacht: er komt een dag dat ik aan haar sterfbed zit. Nu opeens was het omgekeerd: zij zou aan het sterfbed van haar zoon zitten. Geëmotioneerd: 'Mijn moeder was de eerste die ik belde. Ze zei: konden we maar ruilen. Dat was pijnlijk en troostend tegelijk, het ultieme bewijs van moederliefde.'


De afspraak die zijn naderende dood zou bevestigen was op donderdag, om vier uur 's middags. Hij herinnert zich hoe de polikliniek langzaam leegliep en hoe hij daar, samen met zijn vrouw Anja, in een bijna verlaten ziekenhuis de doodsklokken hoorde luiden. Hij had al bedacht waar hij begraven wilde worden: op het kerkhof van zijn geboortedorp, bij zijn vader. 'De arts riep ons binnen en zei: ga zitten. Nou, dat wordt een moeilijk gesprek, dacht ik nog. Dit zijn mijn laatste gezonde momenten. We zaten nog maar net toen hij, bijna beschaamd, liet weten dat ze niets hadden kunnen vinden. Hij zei: Het komt bijna nooit voor, maar soms menen we iets te zien wat er toch niet is.'


Buijssen weet nog wat hij zei, daar in de spreekkamer tegen de verbouwereerde specialist: 'Dit is de rijkste ervaring uit mijn leven.' Hij vertelt hoe hij in een flits dacht aan wat hij een half jaar eerder had gelezen in het boek De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. 'Begin met het einde voor ogen', stond er. 'Elke leidinggevende zou zich moeten afvragen hoe hij zou willen dat er op zijn begrafenis over hem wordt gesproken. Dat moment van bezinning helpt om een zinvol leven te leiden.'


Tegen zes uur was hij thuis, waar het wolkendek pas echt openbrak. De grenzeloze opluchting, de euforie, ze laten zich achteraf lastig in woorden vangen. Diezelfde avond nog maakte hij dezelfde belronde als de week ervoor, maar dit keer met goed nieuws. Hij was blij, natuurlijk, maar voelde ook gêne. 'Ik had het gevoel dat alle commotie voor niks was geweest. Een van mijn vrienden zei dat ook: Huub, dit doe je nooit meer hoor. Mensen waren zich kapot geschrokken en nu was het loos alarm.'


Wat hij dan wél had en wat die vlek op de echo voorstelde, dat is nooit duidelijk geworden. Het vervolgonderzoek dat hij liet doen, leverde niets op. Hij vermoedt dat hij zo was afgevallen doordat hij iedere avond achter de computer zat, schrijvend aan een nieuw boek. En blauw licht, weet hij, is de vijand van een goede nachtrust. 'Ik was elke ochtend vroeg wakker en had door gebrek aan slaap minder eetlust.'


Boos op de artsen is hij nooit geweest. Buitenstaanders vonden dat hij er 'een zaak' van moest maken. Maar Buijssen, die een boek schreef over traumatische ervaringen van artsen, weet dat zij wakker kunnen liggen van hun missers. En geneeskunde, zegt hij, is geen wiskunde: 'Het is voortdurend werken met waarschijnlijkheden.'


En als er al een fout was gemaakt, dan had die hem toch maar mooi een tweede kans in het leven gebracht. Hoewel dat gevoel wel langzaam is weggeëbd. 'Denk aan de homeostase van geluk, ook na een enorme piek keer je uiteindelijk terug naar je basisniveau.'


Zo'n ingrijpende gebeurtenis moet van hem een ander mens hebben gemaakt. Buijssen aarzelt. 'Dat hebben veel mensen me gevraagd. Maar niet voor niets is het woord karakter taalkundig verwant met het werkwoord kerven, het zit in je gegroefd. Om je persoonlijkheid te veranderen moeten gewoonten op de schop en dat doen we maar onder twee omstandigheden: als we heel erg hunkeren of als we pijn lijden. Die pijn heb ik gehad, maar die is verdwenen. En net zomin als een vrouw de pijn van een bevalling kan oproepen, kan ik dat met de pijn van het naderende einde. Je kunt niet elke dag denken: wauw, ik heb een tweede kans gehad. Er zijn nog steeds momenten die ik intensiever beleef dan voorheen. Maar als ik daarover nadenk, is het gevoel weg. Dat vasthouden, is erg moeilijk.'


Geluk overvalt tuinderszoon Buijssen nu als hij met zijn laarzen op het land staat. Sinds die ene week, die hij steevast omschrijft als 'heuglijk', werkt hij dagelijks drie uur in de moestuin. Dan denkt hij vaak aan een toepasselijk Chinees gezegde: 'Als je een avond gelukkig wilt zijn, moet je een fles wijn drinken, wil je een jaar gelukkig zijn, moet je trouwen, maar wil je een leven lang gelukkig zijn, dan moet je gaan tuinieren.'


Vorig jaar las hij The top 5 regrets of the dying van de Australische schrijfster Bronnie Ware. Ware werkte jarenlang als stervensbegeleider en tekende op waarvan mensen in de laatste maanden van hun leven spijt hadden. Het leverde een opmerkelijk eenduidig lijstje op. Buijssen pakt het boek erbij, vertelt dat hij zichzelf in de week van de fatale diagnose dezelfde vragen heeft gesteld.


Hij loopt de spijt-top-5 langs en vinkt af. Hij had wél de moed gehad zijn eigen leven te leiden. Hij had zijn gevoelens voldoende geuit. Hij had voldoende genoten. Hij had niet te hard gewerkt. Maar bij het vijfde spijtpunt moest hij passen: Hij had, besefte hij, niet genoeg tijd en aandacht voor zijn vrienden gehad. Dat is veranderd: 'Vroeger zegde ik makkelijk afspraken af, maar dat doe ik niet meer. Ik realiseer me nu hoe waardevol vriendschappen zijn. Uit onderzoek blijkt dat vrienden de belangrijkste geluksbrengers zijn.'


Er was nog een zesde, zelf geformuleerde spijtvraag die hem bezighield: had hij voldoende liefgehad? Of beter nog: had hij zijn liefde voldoende getoond? Een vraag die hem snel tot daden bracht. Toen zijn moeder niet meer alleen kon zijn en hij met zijn broers en zussen een oppasrooster maakte, bood hij zich aan voor de minst geliefde avond: de zaterdag. Bijna zeven jaar lang reisde hij elke zaterdagavond naar Limburg om te 'mama-sitten' om pas zondagmiddag terug te keren naar Tilburg.


Vanaf het moment dat hij begon te werken, dacht hij altijd dat het beste deel van zijn leven nog moest komen. 'Dat heeft de mens in zich, het idee dat het mooiste nog in het verschiet ligt. Omdat je dan een groter huis hebt of een leukere baan of meer vrije tijd. Bij mij bestond de horizon vooral uit nog meer boeken schrijven.' Hij verwijst naar Daniel Gilbert, hoogleraar psychologie aan het Amerikaanse Harvard, die in zijn boek Stuiten op geluk schrijft dat wij er bijna allemaal zo'n 'optische illusie' over de toekomst op nahouden, de neiging om onze vooruitzichten zonniger in te kleuren dan die van anderen. 'Die al te optimistische verwachtingen omtrent onze persoonlijke toekomst zijn niet eenvoudig uit te schakelen', concludeert Gilbert.


De onheilstijding in die ene septemberweek gaf Buijssen een realistischer perspectief. Voordat hij zijn doodvonnis kreeg, was zijn toekomst te vergelijken met een fotoalbum, vertelt hij: 'Alleen maar afdrukken van verjaardagen, vakanties en andere blije momenten en geen beelden van teleurstellingen, begrafenissen, aanvaringen en inbraken. Toen ik de fatale diagnose kreeg, rouwde ik ook om het wegvallen van mijn toekomstige jaren.' Dat is veranderd. Hij beseft nu: er kan zomaar opeens helemaal geen toekomst meer zijn.


Hij is nu 61 jaar. Aan anticiperen doet hij niet meer. Het geluk ligt niet achter de horizon. De week waarin hij afscheid nam bracht hem een bijzonder inzicht: 'Je hebt al heel veel geluk in je leven als je niet te veel pech hebt.'

Binnenkort in deze serie:

De schaatskampioene die ging handelen in ijzerwaren

De imamdochter die haar hoofddoek afwierp

De wielerbaas die ging fietsen met Armstrong

De pedofiel die zijn vereniging verloor

De documentairemaker die werd ontvoerd

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden