Een tuinman in Aranjuez

De Real Sitio de Aranjuez, het koninklijk domein te Aranjuez, ligt een half uur rijden uit het centrum van Madrid....

HENK BLANKEN

Van de witte muren en de smalle, witte luiken spat het decemberlicht over het brede voorplein van het Koninklijk Paleis. Achter de veel te hoge toegangsdeur een suppoost in een lange, donkerblauwe, wollen jas, gouden strepen op de naden van zijn broek. Hij wijst naar een metaaldetector-poortje, en daarachter gebaart een andere suppoost naar het loket. Weer een loodzware zuil om, en vijf of zes volgende beambten in gelijksoortig doodgraverstenue wachten je op onderaan het immens hoge, royale portaal.

Nee, u mag nog niet naar boven. Die treden kunnen wachten. Een minuut, por favor. Dan komt er een groep. Kunt u mee. Rondleiding. Met gids. Neemt u daar toch even plaats. Minuut of tien.

Op een bankje in het mateloze portaal zit je een kwartier lang een groep te worden. Dan komt hij binnen. Een verschrompelde oude baas in een vaaloranje terlenka pantalon, te krap colbert boven een uitzinnige pullover, Adidassen aan zijn voeten. Een van de suppoosten drukt een sigaret uit in een zandschaal, en besluit dat wij een groep vormen, groot genoeg voor een begeleide rondgang langs 23 zalen van het zeventiende-eeuwse paleis.

Hij gaat voor. De tandeloze baas volgt, en je verbaast je over de plukken zwart haar die uit zijn oorschelpen groeien, mos op natte stenen. Boven aan de trap, op het bordes, noemt de gids jaartallen, namen en beeldhouwers van drie bustes. Die in het midden moet Lodewijk de Veertiende zijn, maar hoe was die Franse koning ook al weer in Spanje verzeild geraakt? 'De kroonluchter in het trappenhuis', vervolgt de gids - maar vanaf dat ogenblik begint de kleine man voor je, hem aan te vullen, alsof hij het allemaal al weet, het al eerder heeft gezien. De gids weet niet beter te doen dan vriendelijk en voorkomend 'Si, si senor' te zeggen, 'komt uit La Granja, u heeft absoluut gelijk', en hij glimlacht een beetje bewonderend om de verhalen die zijn gast hem vertelt.

Het gaat dan over een paars wandeltapijt, dat de kwetsbare vloeren moet bedekken, door zalen langs de buitenmuren van het gebouw. Je dringt niet door tot het hart van wat Philips de Vijfde en zijn zoon Ferdinand de Zesde tussen 1727 en 1752 hebben opgebouwd uit de resten van het jachtslot dat Habsburgse vorsten voor hen hadden neergezet, en dat bij branden kort na het midden van de zeventiende eeuw goeddeels verloren was gegaan. Je mag er niet bij. Alsof dat te intiem zou kunnen worden, alsof er nog een Spaanse prins kan worden betrapt. Soms is er even een doorkijkje, gaat het licht aan in een aanpalend vertrek. En achter het bed van de koning wordt ineens even zijn privaat zichtbaar, de enige speelse uitweiding die de gids zich veroorlooft.

Een langharige veiligheidsbeambte volgt op nooit meer dan een meter of tien, alsof ze werkelijk vreest dat de sjofele Spanjaard zich meester zal maken van een van de 176 ingelijste Chinese rijstpapieren prenten met voorstellingen van bloemen en vogels en martelpraktijken, of van het porselein uit de achttiende eeuw, dat in de extravagante Sala de Porcelana kamerhoog in talloze details is vastgeschroefd aan de muren. Ze volgt door het kamertje van de koningin, de salon van de troon, langs de kleedkamers en de slaapkamers en langs al die vele Spanjaarden aan de wanden, totdat je ongemerkt rond bent gegaan, en de gids ineens een sleutel in zijn hand heeft, en een deur opendoet die uitkomt bij weer een andere trap in het trappenhuis. De gids blijft achter in de zalen, de bewaakster ook. En voordat je het paleis goed en wel hebt verlaten, is de oude Spanjaard verdwenen.

De Real Sitio de Aranjuez, het koninklijk domein te Aranjuez, ligt een half uur rijden uit het centrum van Madrid, ergens tussen twee van de zes uitvalswegen die kloksgewijs genummerd de stad uitgaan, tussen de NIV naar Andalucia en de NIII richting Valencia. De snelste route leidt over de NIV naar het zuiden, een golvende rijksweg op het plateau waarlangs de Spaanse hoofdstad zich aan haar omgeving vastklampt, tot een afslag die snel omlaag leidt, het dal van de Jarama-rivier in, waar het minder dor is en groen, en de weg versmalt tot op een kleine brug, en dan naar rechts afbuigt.

Aranjuez, ontstaan bij een natuurlijke stuwdam in de Taag, niet ver van waar die grote rivier van het Iberisch schiereiland samenvloeit met de Jarama, is een stadje dat zich een beetje verschuilt achter zijn geschiedenis. Je kunt er doorheen rijden zonder het te zien, met uitsluitend indrukken van de koninklijke zomerverblijven, het paleis en de kwartieren voor de vazallen en de gasten en de kinderen van de koning. Het paleis heeft een voor- en een achterzijde, en dat is minder vanzelfsprekend dan het klinkt. Want de voorzijde ligt aan de weg naar Madrid. Er strekt zich een tuin uit, de Parterre, met paden rondom een witgrijze Hercules, en met vijvers en fonteinen die 's winters droog staan. Dit is, nu althans, de officiële voorzijde van het paleis, de eerste uitbreiding van wat de Habsburgse Karel de Vijfde had gebouwd. Het is de kant die soms nog gebruikt wordt voor staatsbezoek, al schijnt Madrid voor de constitutionele monarchen in een steeds haastiger Spanje steeds verder weg te liggen van Aranjuez.

De achterdeur van het paleis is verrassender. Zij ligt aan het wit knetterende plein, tussen de zijvleugels die gebouwd zijn door Philip de Vijfde, de eerste van de Bourbons die na de Successie-oorlog koning werd van Spanje. Je zou de indruk kunnen krijgen dat hij gewoon zijn eigen ingang wilde hebben, maar het is even goed mogelijk, om niet te zeggen waarschijnlijk, dat de achterzijde van het paleis als voorzijde in onbruik is geraakt.

Het hekwerk dat de vierde zijde vormt van het witte plein, moet van recentere datum zijn. Want het bleke boekwerk over Aranjuez bevat een foto waarop dat hek nog ontbreekt, zodat je twee keer moet kijken voordat je zeker weet dat je ziet wat je ziet, en dat er niet nog een derde voorgevel aan het paleis zit. Je zoekt de positie die de fotograaf had ingenomen. En voordat je er erg in hebt, steek je achteruit lopend het paradeterrein over, en sta je op een laan tussen hoge oude bomen.

Aan beide zijden zijn soortgelijke lanen, die taps toelopen naar het midden van het hek. Vroeger moeten hier de barakken van de koning hebben gestaan. Maar tussen die ongeasfalteerde, nog wat modderige lanen, staan nu dwaze krotten, huizen waaromtrent je je afvraagt of ze onvoltooid zijn gebleven, of juist bezig zijn te vervallen. Er spelen kinderen in het zand, en tegen de woningen zijn golfplaten daken en kleurige doeken geplakt waaronder gewoond lijkt te worden, op nog geen vijftig meter van Philips paleis.

Links, aan de oostzijde, liggen de tuinen van het eiland, de Jardín de la Isla, rechts is een open ruimte, de Plaza de las Parejas, waar langs een lange zijde het geblokte gebouw voor de manschappen van de koning staat. Als je diagonaal het onsamenhangende en lege, maar in het hoogseizoen vast en zeker volgeparkeerde plein oversteekt, zie je hoe de morsige Spanjaard van daarnet een poortje binnengaat. Je loopt achter hem aan, komt op een binnenterrein waar het twintigste-eeuwse wasgoed uit achttiende-eeuwse ramen hangt, maar de man is er niet meer. Je komt hem pas weer tegen in de tuinen op het eiland, tussen de scheefgewaaide platanen, een aandachtige tuinman die aarzelt bij een fontein, goedkeurend proevend van wat een vaardig gehanteerde schoffel of heggeschaar vermag, en later leunend op een hek boven la ria, het kanaaltje tussen het eiland en het paleis. Hij werpt stukken brood in het grijsgroene water, waar de vissen niet naar happen.

Over een bruggetje keer je terug in de voortuin. Daar steek je de weg over, naar de meest oostelijke van drie lanen die net als aan de achterzijde van het paleis in één punt samenkomen. De zon zakt inmiddels achter de werkvertrekken van de koning, en een steeds bredere schaduw trekt over het San Antonio-plein, het echte want wel goeddeels voltooide plein. Daar schuin tegenover begint bij de Calle de la Reina een honderden meters lang hekwerk, af en toe onderbroken door een ingang naar de Jardín del Príncipe, de uitgestrekte tuinen van de prins van Asturië, Karel de Vierde. Je neemt een willekeurige poort, en begint doelloos te lopen door het onmetelijke grote park dat is aangelegd in een slinger van de Taag.

Dit is wat Joaquin Rodrigo wilde zien toen hij zijn Concerto de Aranjuez componeerde. Je kunt niet zien wat de Spaanse componist zag, want Rodrigo was blind, en je kunt je hoogstens afvragen of zijn concert voor gitaar en klein orkest anders zal klinken als je er eenmaal bent geweest. Nu hoor je een metalen stem uit een luidspreker in het witte treintje dat een aantal keren per dag vanaf het plein naast het paleis door de stad en de tuinen rijdt, en als het passeert, ontdek je op het eerste balkon de Spanjaard die je in de eilandtuin uit het oog was verloren. Hij is de enige passagier.

Je loopt verder, langs essen, linden, platanen en populieren, in de richting van het Casa del Labrador, een zomerhuis uit het begin van de negentiende eeuw. Maar het wordt al te laat, het paleis is te ver, het begint al te schemeren onder de bomen, en tussen Aranjuez en Madrid ligt nog Chinchón.

De route over Chinchón is de andere weg uit Madrid, de langere, de autobaan die begint op de rijksweg naar Valencia, maar al snel afbuigt naar een provinciale weg die rijst en daalt en over sinds eeuwen verlaten hoogvlaktes voert. De met platanen omzoomde koninginnelaan langs het park van de prins van Asturië voert rechtstreeks naar Chinchón. Er is eerst een dal, een boerenweg langs een riviertje dat een zijtak van de Taag of de Jarama moet zijn. En dan ligt daar Chinchón hoog tegen een berg, er is uiteraard een strategisch kasteel en een kerk, en wie het dorp inrijdt, komt onherroepelijk op een bijna rond, enigszins hellend Plaza Mayor, een plein dat omringd wordt door rijen huizen met telkens dezelfde groen geverfde, houten balkons, een plein waarop volgens de gids in augustus nog stieregevechten worden gehouden 'met jonge stieren', en boven het plein staat de parochiekerk, en begint de steile balustrade met de meest onwaarschijnlijke zonsondergang tussen Madrid en Aranjuez.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden