'Een trieste odyssee van west naar oost"

MADAME DE STAEL heeft ooit eens geschreven: 'In Rusland is alles een mysterie, maar niets is er geheim.' Sinds jaren verbergt Rusland duizenden kunstschatten die na de oorlog bij wijze van schadeloosstelling uit Duitsland zijn geroofd; grote en beroemde meesterwerken waarvan de wereld dacht dat ze waren vernietigd of verloren...

In 1994 onthulden de Russen waar gestolen schatten als het goud van Troje en de Rotterdamse Koenigscollectie met tekeningen van oude meesters worden bewaard. Bijna tien jaar hadden de Russische kunsthistorici Konstantin Akinsja en Grigori Kozlov naar de buitgemaakte kunst gezocht. In kelderdepots van musea vonden ze lijsten van geroofde kunst.

Hun relaas in Operatie kunstroof is onthutsend. Het is de geschiedenis van 'een trieste odyssee van west naar oost'. Het is het verhaal van 'de vloek van de Barnsteenkamer', de verdwenen schat uit het Catharinapaleis in Tsarskoje Selo, van Schliemanns 'schat van Priamos', van de gestolen meesterwerken van de Dresdener Gemäldegalerie, van plundering en van het megalomane plan voor een supermuseum.

In 1920 publiceerde de Russische schrijver Aleksandr Tsjajanov onder het pseudoniem Ivan Kremnjov een toekomstroman getiteld Reis van mijn broer Aleksej naar het land van de boerenutopie. Daarin beschreef hij onder meer een oorlog met Duitsland. Toen de regering in Berlijn zich overgaf, eiste de Raad van Volkscommissarissen schadeloosstelling. De Russen kozen tientallen doeken van Botticelli, Domenichino, Titiaan en Holbein, het Pergamonaltaar en een stuk of duizend prenten uit de tijd van de Tang-dynastie. De door de Duitsers opgebrachte schadeloosstelling was de enige voorspelling in het boek die klopte. Want er werden niet een stuk of wat schilderijen in beslag genomen tijdens 'de grootste roofoperatie van cultuurschatten uit de geschiedenis', maar meer dan tweeëneenhalf miljoen kunstvoorwerpen.

Al vanaf 1943 had de Sovjet-regering plannen klaar liggen om na de overwinning de vijand allerlei eigendommen afhandig te maken. Het argument was 'oog om oog, tand om tand'. De Duitsers hadden elk moreel recht op hun cultuurbezit verloren.

De Russische kunstenaar Igor Grabar schreef in de lente van 1943 een brief aan het hoofd van de Buitengewone Staatscommissie die zich boog over problemen die verband hielden met de nazi-bezetting. Grabar was een van de meest prominente figuren in het culturele leven van de Sovjet-Unie. Hij was architect, kunsthistoricus en schilder van romantische winterlandschappen. Hij stelde aan de commissie voor 'de schade die de Sovjet-musea door het toedoen van de nazi's hadden geleden, na de oorlog te compenseren met kunstwerken van vergelijkbare waarde uit het bezit van de vijand'.

Binnen de staatscommissie werd fel gediscussieerd over de compensaties. Op welke manier konden de Duitsers de Russen schadeloos stellen voor de monumenten die ze hadden verwoest? Grabar was ervoor het voorbeeld van de Amerikanen te volgen. Die hebben hele kastelen uit Duitsland meegenomen. Gedacht zou kunnen worden aan het grote marmeren altaar van Zeus uit de antieke Griekse stad Pergamon, dat zijn eigen gebouw had op het Berlijnse Museuminsel.

De gedachte na de oorlog in Moskou een supermuseum in te richten was bijzonder populair. Er zou voor de bijeen geroofde verzameling een veel groter gebouw nodig zijn dan het Poesjkin Museum. Het moest het Museum voor Wereldkunst worden. Vergeleken met wat de staatscommissie voor ogen stond, leken de plannen van Hitler voor een groot museum in Linz provinciaal van opzet.

Er werden trofeeën-brigades opgericht, konvooien met demontazjniki, 'ontmantelaars'. In het kielzog van het Russische leger doorzochten ze het puin van het overwonnen Duitsland. Musea en particuliere verzamelingen werden geplunderd. Ook de objecten die door de nazi's waren 'gekocht' in Frankrijk en Nederland, werden meegenomen, onder meer de collecties van Koenigs en Goudstikker. Ze legden ook beslag op de in Polen door de nazi's geconfisqueerde kunstwerken en op de afgenomen kunstvoorwerpen van joden die de gaskamers ingingen.

Berlijn werd als het ware leeg gehaald. In de Flakturm am Zoo vonden de Russen duizenden kunstschatten. De Flakturm, een van de door Albert Speer ontworpen torens met luchtafweergeschut in het hart van Berlijn, had de omvang van een heel huizenblok. De torens hadden het aanzien van een middeleeuws fort. Ze hadden twee meter dikke muren van gewapend beton en waren bomvrij. In de Flakturm waren kunstdepots, waar de trofeeën-brigades onder meer drie kisten met het goud van Troje aantroffen.

De trofeeën-saga is een geschiedenis van drinkgelagen, vernielzucht, wraak en waanzin. De Russen roofden niet alleen kunstwerken, maar ook toneelbenodigdheden, muziekinstrumenten, kunstboeken. Tussen de kunstwerken verstopten de 'ontmantelaars' ook radio's of schrijfmachines.

Een hoge Russische cultuurfunctionaris, die naar Duitsland was gestuurd als politiek commissaris, roofde - voor eigen gebruik - een Duitse schrijfmachine. Dat was voor Russen nog een technologisch wonder. Het ding was erg zwaar, maar de commissaris sleepte het half Europa door, want hij hoopte de Latijnse letters in Moskou te laten vervangen door cyrillische. 'Toen hij met de machine in Rusland naar de winkel ging en vroeg om de toetsen te vervangen', schrijven Akinsja en Kozlov, 'antwoordde de reparateur echter dat dat niet kon, omdat de geroofde schrijfmachine Hebreeuwse letters had en van rechts naar links liep.'

Vele van de geroofde kunstwerken werden door de 'ontmantelaars' mee naar huis genomen. Ze zijn nog steeds spoorloos. Ze hangen of staan wellicht in de kantoren van het Russische ministerie van Defensie, in de datsja's van kolonels en generaals, de vroegere helden van de Tweede Wereldoorlog. Plunderaars waren heel slim in het bedenken van manieren om douaneambtenaren om de tuin te leiden. Ze stopten hun privé-trofeeën in het lege bommenruim van een vliegtuig.

Eén vlucht liep echter op een ramp uit. Op het laatste moment moest een dronken piloot, die van alles op de hoogte was, worden vervangen. Zijn collega, die van niks wist, opende een paar minuten na vertrek voor de grap het bommenruim. Een wonderlijke regen van schilderijen in vergulde lijsten, porselein, bont, camera's en typemachines kwam neer op een rustig Duits stadje.

Akinsja en Kozlov werden na hun eerste onthullingen in 1991 over de geheime depots door minister van Cultuur Nikolaj Goebenko streng berispt. Met Irina Antonova, directrice van het Poesjkin Museum, die als jong medewerkster van het museum hielp bij het uitladen en inventariseren van het goud van Troje en de Dresdener Gemäldegalerie, was afgesproken dat 'trofeeën alleen op basis van wederkerigheid moesten worden teruggegeven'. Antonova eiste van de Duitsers opheldering over hun geheime depots - hoewel er geen geheime depots in Duitsland zijn.

Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, eind 1991, verklaarde de Russische Federatie zich bereid het probleem van de trofeeën op te lossen. Er werden commissies opgericht. De Duitsers bezorgden de Russen lijsten met geroofde kunstwerken. De Russen gaven op hun beurt aan Duitsland een lijst met uit het museum in Orjol en de paleizen van Tsarskoje Selo en Pavlovsk bij Sint Petersburg verdwenen kunstvoorwerpen. De standpunten zijn op dit moment echter verder dan ooit van elkaar verwijderd.

'Je kunt geen priem in een zak verbergen', luidt nochtans een bekend Russisch spreekwoord. Die boort zich immers altijd een weg naar buiten. Het onzichtbare wordt langzamerhand zichtbaar. In 1994 kreeg Klaus Goldmann, die meer dan 25 jaar naar het goud van Troje op zoek is geweest, de schat te zien in het Moskouse Poesjkin Museum. Het jaar daarop toonde de Hermitage in Sint Petersburg tientallen impressionistische en postimpressionistische schilderijen uit Duitse privé-collecties die door de trofeeën-brigades waren meegenomen. En in oktober 1995 werden tekeningen getoond uit de Koenigscollectie in het Poesjkin Museum, waar ze sinds 10 augustus 1945 in een geheim depot worden bewaard.

Nog steeds is het onduidelijk of de Koenigscollectie terugkeert naar Nederland. Waarom Nederland vijftig jaar lang heeft gezwegen, schrijven de auteurs, is ook onbegrijpelijk. Speelden er toen politieke motieven mee? Er worden intussen in Moskou weer plannen gemaakt voor een supermuseum. 'In dit verband is het interessant de woorden van Karl Marx in herinnering te roepen', schrijven Akinsja en Kozlov, 'een filosoof die tot voor enkele jaren in Rusland in hoog aanzien stond: de geschiedenis herhaalt zich tweemaal, de eerste keer als tragedie, de tweede keer als farce.' Valeri Koelitsjov, hoofd van de afdeling restitutie van het ministerie van Cultuur stelde onlangs in een BBC-interview voor 'een nieuw museum te bouwen voor alle kunst-trofeeën'. Moskou krijgt, meer dan vijftig jaar na de oorlog, wellicht toch nog een 'supermuseum'.

Paul Depondt

Konstantin Akinsja & Grigori Kozlov: Operatie kunstroof.

Jan Mets; ¿ 59,50.

ISBN 90 5330 156 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden