Een tandje terug

Oud-Volkskrantredacteur Henrico Prins probeert met zijn gezin te aarden in Nieuw-Zeeland en stuit op een volk dat snel tevreden is – een instelling die hem wonderwel bevalt....

tekst & fotografie Henrico Prins

Juli valt midden in de Nieuw-Zeelandse winter, maar is in 2009 onwaarschijnlijk warm. Dat helpt, bij de overgang vanuit de zwoele Nederlandse zomer. We landen op het vliegveld van Christchurch en pikken onze net iets te grote huurauto op, precies zoals drie jaar eerder, toen we vlinders in onze buik kregen van dit stukje Nieuw-Zeeland. Opnieuw is er geen wolkje aan de lucht.

‘Voor het eerst hier?’, vraagt een uurtje later de eigenares van het appartement dat we voor een paar weken als uitvalsbasis hebben gehuurd. Nee, we zijn hier niet voor het eerst. Maar nu willen we blijven. We proberen te ontdekken, leggen we uit, of Nieuw-Zeeland ons net zo leuk vindt als wij Nieuw-Zeeland. ‘Veel sterkte’, lacht ze.

Onze opgaaf is niet zo ingewikkeld. We hebben een huis nodig, een auto, een school voor de kinderen. En verder is het wel handig om werk te vinden, ergens in de nabije toekomst. Met ons Nederlandse spaarpotje kunnen we het hier, als het moet, jarenlang uitzingen, maar het is toch de sport om daarop zo weinig mogelijk in te teren.

Bovendien kunnen we dan een antwoord formuleren op de vraag: ‘Wat ga je daar doen?’ Want dat is wat we tot gek wordens toe hebben moeten aanhoren. De meeste mensen bleken ervan uit te gaan dat we eerst werk hadden gevonden, en pas daarna besloten te verhuizen. Als je dan zei dat solliciteren wat gecompliceerd is, met bijna twintigduizend kilometer ertussen, keken ze je vaak glazig aan.

Wij hadden zo onze dromen, als het om werk ging. Het zou ook gek zijn als dat niet zo was. Meestal hingen die dromen nauw samen met het nieuwe begin dat we onszelf toewensten, aangepast aan de arbeidsmarkt in Christchurch, die we op internet keurig in het oog hielden. We waren altijd journalist geweest, de een bij de tv en de ander bij de krant, maar ineens lag alles open. Ik zag mezelf, met een schuine blik op de ellenlange vacaturelijsten, wel kok worden. Of bakker. Of postbode.

Nou, dat bleek geen loopbaanperspectief dat in brede kring juichend werd ontvangen. Hoongelach was mijn deel, net als de cynische aansporing: ‘Ga dat eerst maar eens een paar maandjes doen, hè!’ Maar toen de kredietcrisis opdook, lang voordat we zouden vertrekken, en in Christchurch opeens weinig behoefte meer bleek te bestaan aan koks en ongeschoolde bakkers, begon er evengoed iets te kriebelen. Waarom nieuwe schoenen kopen, als je de oude nog aan kunt?

Ik hoorde over iemand die vanuit Zuid-Amerika Engelse literatuur in het Nederlands vertaalt, over iemand die in Italië werkt als wetenschapsredacteur voor een uitgeverij in Amsterdam. Heleen van Royen, zat die ook niet ergens in Portugal onder een palmboom? Ik bedoel: als je schrijft, of vertaler bent of eindredacteur, heb je carrièretechnisch gesproken misschien niet een al te imposante gereedschapskist, maar is het enorme voordeel daarvan niet simpelweg dat je die makkelijk kunt meenemen? Desnoods de hele wereld over?

Voor ons vertrek heb ik daarom inderhaast nog wat uitgevers benaderd. Sommigen ken ik aardig goed, sommigen een beetje, maar ze zeggen hetzelfde: mail als je er zit, dan kijken we of we redactiewerk voor je hebben. Een vriend met een opdracht voor het schrijven van een boek heeft gevraagd of ik wil meedoen. Zo zijn er nog wat hele en halve klussen voorbijgekomen waarvan ik denk: als het zo doorgaat, hebben we een kurk waarop de boel kan drijven.

Dat haalt, bij het speuren naar werk, de druk meteen al van de ketel. Geen wonder dat het eerste echte baantje zich na een paar weken al aandient. Mijn echtgenote heeft bij een hotel gesolliciteerd als administratief medewerkster annex receptioniste, is in eerste instantie afgewezen, maar wordt naderhand toch gebeld met een prangende vraag: wanneer kan ze beginnen?

We worden er haast niet goed van, zoveel champagne als wij deze weken moeten ontkurken. Het ene succes is nog niet achter de rug, of het volgende staat alweer klaar. Zo is onze zoektocht naar een school bijzonder voorspoedig verlopen en komen de jongens (nu 10 en 7) allebei in de klas bij leerkrachten die stellig de indruk wekken dat ze het met onze kinderen nog beter hebben getroffen dan wijzelf.

Die school vinden we even het belangrijkst. Niet alleen omdat we de kinderen graag in een aanstekelijke leeromgeving zien, maar ook omdat ze in Nieuw-Zeeland in principe naar school gaan in de wijk waarin ze wonen. De keus van een huis hangt dus mede af van de school waarop de jongens terechtkomen. Of andersom.

Zelf hoeven ze zich daar niet druk om te maken. Dat komt goed uit, want in hun hoofd zijn ze met heel andere dingen bezig. Met het verplichte schooluniform, bijvoorbeeld. We hebben ze voorbereid op een harrypotterachtige uitmonstering, maar op hun nieuwe school volstaan een zwarte joggingbroek en een rood fleecevest, met een effen rood shirt eronder. Later zal blijken waarom dat zo handig is: ze gaan om de haverklap naar buiten om te sporten. Zouden ze een echt uniform dragen, dan zitten ze de halve dag in de kleedkamer.

Ook ons droomhuis laat niet lang op zich wachten. Thuis in Nederland zaten we ons al minstens anderhalf jaar lang te verkneukelen bij het riante aanbod huurwoningen, dus we weten een beetje wat er is, wat het kost, en wat er per se moet wezen: een veranda, en uitzicht op de Southern Alps. Het eerste huis waar we gaan kijken, ziet er al goed uit. Het tweede is echt raak. De kinderen willen er niet meer weg.

Uit ons appartementje verhuis ik de bagage en de spullen die we hebben gekocht om de weken te overbruggen tot de container met huisraad arriveert. De eigenares van het appartement zwaait me uit. Ze groeide op in Engeland en is een tijd geleden met haar Nieuw-Zeelandse echtgenoot meegekomen naar Christchurch om er te gaan wonen. ‘Ik was hier nooit eerder geweest’, zegt ze, ‘dus in het begin ben ik me kapot geschrokken.’ O? Waarvan dan? Grote ogen: ‘Van alles.’ De Nieuw-Zeelanders, hun soms nogal armoedige behuizing, hun losse rijstijl, hun manieren, hun neiging tot het zoeken van afzondering – overal moest ze aan wennen. Grijnzend voegt ze eraan toe dat ze nu nooit meer weg wil. ‘Geen stress, geen drukte, geen gedoe.’

Terwijl ik met de koffers zeul, beleven de kinderen hun eerste schooldag. Ze zijn die ochtend toch wat stilletjes van huis gegaan – kleine kans dat ze zich staande houden met dat beetje Engels dat ze hebben overgehouden aan duizend afleveringen SpongeBob. Gelukkig houdt hun moeder een oogje in het zeil.

En anders zijn er altijd nog andere immigranten, mensen die zich op het schoolplein spontaan melden, ons welkom heten, zeggen dat ze weten dat het hartstikke moeilijk is in het begin, maar dat het allemaal goed komt. ‘Onze dochter zit in de klas hiernaast. Ze spreekt geen Nederlands, wel Duits, maar als je zoon het echt niet meer ziet zitten, wil ze vast wel even bijspringen.’ Dat is niet nodig. ’s Middags zitten de jongens met vuurrode konen in hun nieuwe woonkamer aan de thee, doodmoe en dolenthousiast.

Ik doe de maanden erna hard mijn best om te ontdekken waarom ik Nieuw-Zeeland géén leuk land zou kunnen vinden. Goed, de mensen gaan rustig in pyjama naar de supermarkt, of op blote voeten, en ik stuit weleens op omgangsvormen die je in het beste geval elementair zou kunnen noemen. Maar altijd en overal kom je ook aardige mensen tegen die je duidelijk kunnen maken waarom je niet zo gauw meer weg wilt als je leert houden van het land, en van zijn bevolking.

Wat de sfeer voor een groot deel bepaalt, is de Nieuw-Zeelandse eigenschap om niet veel verder te kijken dan morgen. Als een Nieuw-Zeelander een woning heeft en een vakantiehuisje, een bootje en een auto onder zijn kont, vindt hij het verder wel best. Dat is fnuikend voor een economisch klimaat waarin sprake moet zijn van duurzame groei; het gebeurt geregeld dat de eigenaar op een cruciaal moment zijn goed lopende bedrijf in de steek laat omdat hij de rest van zijn leven liever gaat vissen.

Veel jonge hogeropgeleiden lopen om die reden gillend weg – die gaan naar Australië, waar de salarissen minstens anderhalf keer hoger liggen en het oog meer op de toekomst is gericht. Maar mij bevalt die bedaarde instelling wonderwel. Waarom zou je steeds meer moeten, als je al genoeg hebt? Morgen weer een nieuwe dag. En daarna weer een. En daarna weer een.

Zo blijkt het te worden opgevat door meer Europese generatiegenoten die deze kant op komen. In Engeland, Duitsland of Nederland hadden ze vaak een prima baan. Ze zijn, net als wij, niet vies van aanpakken. Maar in de race naar meer en beter en duurder willen ze, net als wij, graag een tandje terugschakelen.

Daar kan, in mijn eenmansletterfabriekje dat intussen in een oogwenk van de grond is gekomen, geen sprake van zijn. Ik doe mijn laptop open en ik werk. Ik schrijf me gek, krijg ook veel te doen als eindredacteur. Ik wil geen nee zeggen en ik moet nogal wennen aan de situatie waarin je echt alle knoppen zelf moet indrukken, dus ik maak in het begin werkweken van honderd uur.

Als het zo doorgaat, hoeven we onze spaarrekening nog even niet aan te spreken – het draait als een tierelier. Des te beter, want mijn echtgenote kan maar niet thuis raken in de antiquarische administratie die ze in haar hotel geacht wordt bij te houden. Hardhandig wordt ze met de neus op de feiten gedrukt, want dat is dus ook Nieuw-Zeeland, anno 2009: waarom een computer kopen, als je zo’n trucje al jaren naar tevredenheid laat uitvoeren met behulp van een potlood, een rekenmachine en een paar kasboeken?

Na een tijdje komen alle betrokken partijen tot de slotsom dat het welletjes is geweest. Daarna vindt ze een parttimebaan als hostess bij een grote evenementenorganisator. Omdat ze graag meer wil werken en iets wil doen met wat meer inhoud, solliciteert ze zich suf. Ze volgt een cursus bij een vrijwilligersvereniging, zit bij een boekenclub, woont vlak bij een van haar beste vriendinnen en probeert haar sociale leven verwoed in de versnelling te krijgen waarin het in Nederland stond.

Daaraan heb ik niet zo’n behoefte. Ik zie mezelf niet snel met een stel nieuwe homies naar een rugbywedstrijd kijken, een flesje Speight’s Ale in de hand. Mijn vrienden zitten in Nederland. We hangen dikwijls aan de Skype. In juni gaan we naar het WK voetbal in Zuid-Afrika. Het is goed zo.

Komt bij: thuis werken is hier net vakantie. Als ik van achter mijn bureau opkijk en in de verte de bergen zie liggen, kan ik me niet voorstellen dat ik nog heel veel meer nodig heb. Voor de vorm verstuur ik vier sollicitaties, waarop ik twee keer word uitgenodigd voor een gesprek, en eenmaal word benaderd door een werkgever die vraagt of hij me later dit jaar nog eens kan bellen. Geen slechte score voor een buitenlander, vind ik, de ronduit beroerde omstandigheden op de arbeidsmarkt in aanmerking genomen.

Maar het allerbest gaat het met de kinderen, die Engels praten alsof ze nooit anders gedaan hebben, en veel in de weer zijn met nieuwe vriendjes. Vlak voor de zomervakantie, half december, treden ze op school aan in het jaarlijkse spektakelstuk van hun klas. De een staat op het podium als een schitterende pinguïn, de ander voert de haka uit, de krijgsdans van de Maori die onlosmakelijk verbonden is met de Nieuw-Zeelandse cultuur.

Zulke dingen hadden we nooit willen missen, en het is fijn om dat steeds vaker te kunnen zeggen tegen vrienden en familie die ons weleens voorhouden dat we, om de bakens in ons leven te verzetten, niet naar de andere kant van de wereld hadden hoeven verhuizen. Nee, dat had niet gehoeven misschien. Maar als je blijft zitten, gebeurt er nooit iets.

Het eerste deel van dit tweeluik stond in het magazine van 30 januari. Henrico Prins houdt een weblog bij op www.henricoprins.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden