Een taalkundige duizendpoot van drie miljoen

Pieter Muysken heeft nog geen idee wat hij moet doen met de drie miljoen gulden die hij krijgt als winnaar van de Spinoza-prijs....

MIEKE ZIJLMANS

EEN zorgelijke rimpel verschijnt boven de neus van prof. dr. Pieter Muysken. Het comfortabele aan zijn Spinoza-prijs is dat hij op eigen houtje mag bedenken in welk onderzoek hij die drie miljoen gulden nou eens wil steken. Hij hoeft geen plan in te dienen dat door de mangel wordt gehaald, geen aanvraag op te stellen die wegens geldgebrek in de ijskast verdwijnt.

Anderzijds is vervelend dat hij razendsnel moet concretiseren welk onderzoek hij dan precies uitgevoerd wil zien. Begin volgend jaar gaat Muysken de prijs ophalen; dan moet hij het plan zo'n beetje rond hebben. Dat is kort dag, en hij is er bij lange na nog niet uit. Hij wil zoveel, maar ja, hij moet natuurlijk wel kiezen voor iets dat concreet uitvoerbaar is.

Vorige week kende de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) de Spinoza-premies 1998/1999 toe aan de Rotterdamse geneticus prof. dr. J. Hoeijmakers, de Leidse wiskundige prof. dr. H. Lenstra en aan Muysken, hoogleraar Algemene taalwetenschap in het bijzonder de Ibero-Amerikaanse talen aan de Universiteit Leiden. NWO omschrijft de 48-jarige Muysken als 'een van de productiefste en invloedrijkste Nederlandse taalkundigen van dit moment'.

Muysken is op het gebied van de taalkunde een duizendpoot. Hoewel zijn hart eigenlijk ligt bij de Latijns-Amerikaanse indianentalen, worden zijn theorieën op andere gebieden evenzeer baanbrekend geacht. Hij verdiepte zich in tweetaligheid en in diverse aspecten van de formele taalkunde. De ene na de andere promovendus verlaat volgroeid zijn stal.

Van die reputatie is Muysken zelf allerminst onder de indruk. Tevreden is hij vooral omdat hij, na ruim twintig jaar aan de Universiteit van Amsterdam, sinds twee maanden in Leiden onder de pannen is. De Leidse universiteit heeft een gespecialiseerde afdeling voor kleine talen en vergelijkende taalwetenschap; daar zit Muysken dichter bij het vuur van zijn grote wetenschappelijke liefde, de indianentalen, dan in Amsterdam. 'Ik heb in de Verenigde Staten Latin-American Studies gedaan: Spaans en Portugees, antropologie en geschiedenis. Daar is mijn belangstelling ontstaan voor het Quechua (spreek uit: ketsjwa), een van de grote indianentalen.

'Toen ik naar Nederland terugkwam, heb een bijvak Quechua gedaan in Leiden. Omdat ik in dienst moest, ben ik de dag na mijn afstuderen uit Nederland vertrokken. Ik was toen met een Amerikaanse vrouw getrouwd. Samen zijn we liftend afgereisd naar Zuid-Amerika. Op weg daarnaartoe gingen we naar de Verenigde Staten. Daar sprak ik een antropologe, een Quechua-specialist die een project had lopen in Ecuador. Die zei: als je je daar en daar meldt, zullen we eens kijken wat we voor je kunnen verzinnen.'

Zo bracht hij tweeënhalf jaar door in Ecuador, waar hij veel veldwerk verrichtte onder de indianen. Zijn onderwijs- en onderzoekswerk kreeg het stempeltje 'ontwikkelingswerk', waardoor het kon doorgaan voor vervangende dienstplicht. Vanuit Ecuador correspondeerde Muysken met wijlen Simon Dik, hoogleraar algemene taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Muysken stuurde Dik zijn onderzoeksresultaten, zodat hij na terugkomst in 1977 al snel kon promoveren. Omdat Leiden al een Quechua-specialist in huis had, bleef hij in Amsterdam. Met in het achterhoofd de indianen die zowel Spaans als Quechua spraken, was Muysken geïnteresseerd in de consequenties van tweetaligheid. Gebruiken mensen in het dagelijks leven twee talen bijna volwaardig naast elkaar, dan treedt een zogeheten code-wisseling op. In de ene taal duiken woorden en elementen uit de andere taal op.

Over hoe dat precies in zijn werk gaat, op welke punten in de zin, en hoe sprekers precies overspringen naar de andere taal, waren onderzoekers het lange tijd niet eens. Gezocht werd altijd naar één sluitende verklarende theorie. 'Ik heb toen een meta-analyse gemaakt van allerlei Europese onderzoeksresultaten. Het punt is dat onderzoekers zo dicht met hun neus op hun eigen resultaten zitten, dat ze zelf de grotere lijn niet meer zien.

'Mijn analyse komt op het volgende neer: al die code-wisselingen waarvan collega's dachten dat dat één verschijnsel was dat met één theorie verklaard zou moeten worden, vallen uiteen in drie verschijnselen, die fundamenteel verschillend zijn voor wat betreft hun eigenschappen.'

De eerste vorm van code-wisseling is het breien van Nederlandse woorden en zinsneden in een taal als het Turks. Doordat die talen grammaticaal weinig op elkaar lijken, moeten de Nederlandse elementen worden voorzien van Turkse aanhangeltjes. In de tweede vorm kan een zin beginnen in het Arabisch, en worden afgemaakt in het Nederlands, zonder dat daarvoor grammaticale aanpassingen nodig zijn. Dat kan omdat de woordvolgorde in de hoofdzinnen van die talen sterk op elkaar lijkt, en omdat het Arabisch geen ingewikkelde naamvallen heeft. In de derde vorm worden beide talen totaal door elkaar gehusseld, en dus toegepast als één systeem. Nederlandse dialectsprekers doen dat, maar bijvoorbeeld ook hier geboren Molukse jongeren.

'Kijk, als ik het zo vertel, kan ik me voorstellen dat je zegt: ''Goh, die Muysken, is dat nou alles?'' Maar deze eenvoudige driedeling was kennelijk niet meer zichtbaar doordat mensen ontzettend verblind waren door hun deelgebiedje.'

N AAM maakte Muysken ook met de logisch-taalkundige analyse van de volgorde van betekenisdragende elementen in talen als het Quechua. Dat kent woorden die zo complex zijn opgebouwd dat ze een hele Nederlandse zin kunnen vervangen. Basisbegrippen worden voorzien van allerlei voor- en achtervoegsels; de volgorde daarin is bepalend voor de uiteindelijke betekenis en sprekers van een taal begrijpen dat zonder erbij na te denken. Zonder dat ordeningsprincipe, dat de mirror principle is gaan heten, is volgens Muysken geen enkele vorm van menselijke communicatie te begrijpen.

Nu hij het voor het zeggen heeft, blijft Muysken even steken in de keuze voor onderzoek dat volgens hem dringend moet worden gedaan van die drie miljoen Spinoza-geld. Wat misschien haalbaar is, peinst hij hardop, is te bezien wat er moet gebeuren met het erfgoed van taalkunde-goeroe Noam Chomsky. Die gaat namelijk binnenkort met pensioen. Dat zal een klap geven, want de man heeft de aflopen veertig jaar eigenhandig de discussie over fundamentele taalkunde beheerst. Wanneer Chomsky zelf wegvalt, wordt misschien zijn hele gedachtengoed overboord gezet. Of de achterblijvers weten niet hoe het daarmee verder moet, wanneer daarin geen lijn wordt uitgezet.

Maar wat ook nodig en belangrijk is, verzucht Muysken, is eindelijk de indianentalen in Latijns Amerika proberen te begrijpen. Voor zover taalkundigen het nu snappen, lijken het bijna allemaal op zichzelf staande talen, zogeheten isolaten. Die behoren niet tot een met elkaar samenhangende talenfamilie, zoals het Nederlands, Duits en Engels bij elkaar horen.

Maar misschien denken we alleen maar dat die talen geen verwanten hebben omdat we er te weinig van weten, meent Muysken. Hebben we meer woordenlijsten nodig, betere computerprogramma's, meer onderzoek naar oude bronnen in bibliotheken om die eventuele samenhang op te sporen. Misschien moet er meer veldwerk worden verricht.

'Een van de problemen met zo'n scenario is: hoe vind ik de mensen om effectief dat geld aan dit onderzoek te besteden, binnen een zinnige periode van zeg zes jaar? Veel mensen zijn niet gekwalificeerd, en een heleboel willen zulk onderzoek niet doen. Mensen haken af vlak voordat ze het veld worden ingestuurd: ze zijn bang voor de politiek, ze worden verliefd, ze krijgen hun eerste kind, of ze zijn bang voor besmettelijke ziektes.

'Veldwerk doen op dit gebied wordt steeds moeilijker. De talen die nu nog onbekend zijn, moet je zoeken in geïsoleerde gebieden en in grensregio's. Die laatste hebben altijd militaire problemen. Ecuador en Peru. Colombia en Peru. Venezuela en Guyana. Ruwweg is eigenlijk vijftig kilometer aan weerszijden van die grenzen verboden gebied. Soms mag je daar helemaal niet komen, soms moet je ontzettend smoesjes verzinnen.

'Geïsoleerd zijn ook plekken die onder een cocaïnemaffia vallen, om maar in Zuid-Amerika te blijven. En in een land als Colombia heb je een tijdlang veel te maken gehad met guerillabewegingen. Onbekende talen zou je moeten zoeken in precies die gebieden waar die guerilla's ook zitten. Het is ondoenlijk om daar onderzoek te willen doen.

'Of je krijgt te maken met gebieden waar zwaar malaria heerst. In Afrika is het aidsgevaar onderhand spreekwoordelijk. Dan kan ik heel idealistisch wel zeggen: hier jongens, alvast drie miljoen voor veldwerk op het gebied van indianentalen, maar dat is praktisch misschien geen haalbare kaart.'

Mieke Zijlmans

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden