Een taal die verheldert en verzwijgt

De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek geeft zelden toestemming voor het opvoeren van haar stukken in haar land. Voor Jossi Wieler maakte ze een uitzondering....

Door Hein Janssen Hein Janssen

Rechnitz is een klein dorp in het uiterste oosten van Oostenrijk, aan de grens met Hongarije. Er wonen om en nabij 3200 mensen, het is er groen en rustig en weinig herinnert nog aan wat hier in de nacht van 24 op 25 maart 1945 is gebeurd. Op die avond werd op Slot Rechnitz – eigendom van gravin Margit von Batthyány, geboren Thyssen Bornemisza – een feest gegeven waarop zo’n veertig SS-officieren, Gestapo-leiders en nazi-sympathisanten aanwezig waren, naast een aantal notabelen uit Rechnitz zelf. Allemaal leden van de Oostenrijkse adel en bourgeoisie, met gravin Von Batthyány als gastvrouw en stralend middelpunt. Er werd gegeten, gedronken, gedanst, gefeest.

Op een gegeven moment vond Ortsgruppenführer Podezin het tijd worden voor wat afleiding: hij nam enkele geïnteresseerde gasten mee naar de wapenkamer van het kasteel om geweren en pistolen uit te zoeken. Vervolgens ging het gezelschap op weg naar een afgelegen barak in de buurt van het kasteel. Daar werden die nacht 180 Hongaarse Joden doodgeschoten, die in Rechnitz als dwangarbeiders te werk waren gesteld. Zo maar. Uit verveling. Of simpelweg omdat het nu nog kon, want iedereen wist dat de Russische troepen vanuit Hongarije naderden. De ochtend na het bloedbad werden ook de twee Joodse mannen die de slachtoffers die nacht onder dwang hadden moeten begraven, vermoord.

Enkele dagen later zouden de Russen Oostenrijk binnenvallen en het land bevrijden van de nazi’s. Het massagraf werd ontdekt, maar toen in 1946 een gerechtelijk onderzoek naar de moorden werd ingesteld, waren de lijken en het graf verdwenen, het kasteel afgebrand en getuigen spoorloos, verongelukt of vermoord. Dit dorp wilde niet dat er iets aan het licht zou komen.

Over de massamoord in Rechnitz is sindsdien voornamelijk gezwegen. De gravin – die naar later bleek met diverse SS-officieren een verhouding had – en haar familieleden wisten op allerlei manieren het land te verlaten en elders een nieuw bestaan op te bouwen. Ze vluchtten naar Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en de gravin zelf betrok na enkele omzwervingen een villa in Zwitserland, in de buurt van het Meer van Lugano. Daar heeft ze nog tot 1989 geleefd, haar tijd bracht ze door met het fokken van raspaarden. Gedurende haar leven heeft ze zich nooit verantwoord voor wat zich die nacht tijdens het feest in en rond haar kasteel heeft afgespeeld.

De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek verwerkte de gebeurtenissen in Rechnitz in 2008 op uitnodiging van regisseur Jossi Wieler en de Münchner Kammerspiele in haar toneelstuk Rechnitz (Der Würgeengel). De voorstelling is al een aantal keren te zien geweest in München, en intussen ook opgevoerd in Polen en Hongarije. Het Holland Festival haalt de productie nu naar Amsterdam. Vorige week werd het stuk voor het eerst gespeeld in Oostenrijk, in Theater Akzent in Wenen, als onderdeel van de Wiener Festwochen. Bij hoge uitzondering, want Jelinek wil normaal gesproken niet dat haar toneelstukken in haar eigen land worden opgevoerd. Zo lang Oostenrijk geen schoon schip maakt met het verleden, zolang antisemitisme, vreemdelingenhaat en neofascisme niet krachtig worden bestreden, heeft zij geen boodschap aan haar landgenoten. Voor Jossi Wieler maakte ze een uitzondering.

Wieler: ‘Het spelen van Rechnitz hier in Wenen, vlakbij waar de gruwel zich heeft afgespeeld, was een van de meest emotionele momenten in mijn leven. Ik ben niet iemand die snel grote woorden gebruikt, maar ik vond dit echt de spannendste en mooiste opvoering die ik ooit heb gezien; niet alleen van dit stuk, maar überhaupt. Dat heeft ook te maken met het feit dat Jelinek zelf een Oostenrijkse met Joodse wortels is. Ze heeft dit stuk geschreven omdat ze zich beschadigd voelt, en vanwege het feit dat deze geschiedenis nog steeds niet is opgehelderd. Hoe men in haar vaderland met het verleden omgaat, gekoppeld aan het verdriet in haar eigen familie – dat is haar motivatie geweest.’

Jossi Wieler is daags na de Oostenrijkse première van Rechnitz nog steeds zichtbaar opgelucht. Vanwege de geserreerde sfeer rond deze beladen opvoering in het land van de daders. En vanwege de verwarrende maar ook hartverwarmende reacties van het publiek, dat de voorstelling doodstil heeft ondergaan. Reacties die nog het best werden samengevat door de festivalleider van de Wiener Festwochen, die na afloop de acteurs en genodigden toesprak: ‘Lieve Jossi en lieve Elfriede, veel dank voor deze voorstelling, voor dit complexe taalbouwwerk met zijn gruwelijke betekenis, en voor de regie die daarvan zulk transparant theater heeft gemaakt. Jullie hebben de boze geesten en de stomme getuigen van onze verdringingsstrategie vrij gelaten. Dat is ook de functie van kunst: de slachtoffers weer een stem geven.’

Jelinek zelf was niet bij de Weense première aanwezig. Ze woont afwisselend in München en Wenen, maar zoals bekend mijdt ze elk contact met de buitenwereld. Ze vult haar dagen met schrijven – ellenlange toneelstukken, romans, pamfletten en essays, die via internet de wereld in worden gestuurd. De tekst van Rechnitz was drie keer langer dan nu in het theater wordt gespeeld. Tijdens de laatste week van de repetities destijds in München, is ze komen kijken; Wieler en zijn acteurs kregen haar zegen: ze vond het goed.

Wieler: ‘Ze is eigenlijk heel genereus voor de theatermakers, je mag veel met haar teksten doen. Dat komt ook omdat ze zelf totaal geen beeldend vermogen heeft, geen iconografisch vernuft; haar kracht is de taal, daarin kan ze haar fantasie kwijt. Rechnitz bestaat uit één lange lap tekst, zonder personages en zonder regie-aanwijzingen. Ze is niet geïnteresseerd in twee mensen aan tafel die een dialoog voeren. En toch kun je met haar teksten zeer concrete dingen vertellen.

‘We merkten wel dat ze behoorlijk aangeslagen was. Ze voelt zich toch al niet op haar gemak in een gezelschap. En dit onderwerp raakt haar ook persoonlijk. Haar vader was wetenschapper en chemicus van Joodse afkomst, getrouwd met een diepgelovige, katholieke Oostenrijkse vrouw. Tijdens de oorlog hebben de nazi’s zijn kennis als chemicus gebruikt, daarom kon hij in Wenen blijven wonen. Jelinek is in 1946 geboren, op het moment dat haar vader in geestelijke nood kwam. Hij voelde dat hij in de oorlog van slachtoffer dader geworden was, en dat maakte hem depressief. Uiteindelijk is hij opgenomen in een psychiatrische kliniek en daaraan overleden. Elfriede bleef achter met haar streng katholieke moeder. Zijdelings komt dat persoonlijke drama ook in Rechnitz aan de orde.’

In Rechnitz past Jelinek een slimme truc toe: zij laat de bewoners, de feestgangers en de SS-ers van weleer uit het slot verdwijnen en als bedienden en boodschappers terugkomen. Vijf personages aan de vergetelheid onttrokken, die als het ware vanuit het niets weer de geschiedenis in lopen. Ze praten in flarden over wat er is gebeurd, of zou kunnen zijn, over de catastrofe, soms nadrukkelijk, soms op fluistertoon. Wieler laat de formidabele acteurs van de Münchner Kammerspiele gestileerd samenspelen; ze komen vanachter een reeks klapdeuren vaag glimlachend en wuivend op. Alsof ze tegen het publiek willen zeggen: ja, daar zijn we weer, jullie zullen ons en onze geschiedenis, en de gruwel die we gezien hebben, niet vergeten.

De tekst die ze zeggen is gecompliceerd en gelaagd, door een veelvoud aan wendingen, herhalingen en gedachtegangen, maar juist door de lichte toon en de stilering wordt veel verhelderd. Soms blijft de voorstelling bewust duister en ondoorgrondelijk, want ook dat hoort bij Jelinek. De personages zijn zowel informanten als medeplichtigen, zowel geschiedschrijvers als vervalsers.

Rechnitz is zeker geen reconstructie of documentair theater – Jelinek noch Wieler proberen de exacte waarheid te achterhalen. Dat willen ze ook niet, omdat het geen zin heeft. De voorstelling is exemplarisch voor hoe in Oostenrijk met de geschiedenis wordt omgegaan. Het gaat over een maatschappij die schuld heeft, maar geen boete toont, en over vergankelijkheid van leed.

Wieler: ‘Jelinek heeft daar een geheel eigen, literaire taal voor gevonden. Een taal die verheldert en verzwijgt. Het is niet haar bedoeling schuldigen aan te wijzigen, maar ze wil hiermee wel van zich laten horen. Ook omdat het voor haarzelf allemaal zo pijnlijk is. In dit land wordt ze uitgemaakt voor oproerkraaier en nestbevuiler, alsof het verleden er helemaal niet meer toe doet. Dat vindt ze onverdraaglijk, en haar wapen is haar kunst, en haar kunst is de taal. Rechnitz is niet theoretisch of alleen maar intellectueel, maar uit diepe noodzaak geschreven.’

Wieler zelf is eveneens van Joodse afkomst, maar geboren in Zwitserland. Hij woont al lange tijd in Duitsland, ook een land van daders, maar waar op een geheel andere manier met het verleden wordt omgegaan. ‘Duitsland is veel verder met die verwerking. Dat is al begonnen in 1968, toen de kinderen van de daders in opstand kwamen. Helaas is dat destijds geëscaleerd in het links-extremisme van de RAF en nieuwe dogma’s, maar het heeft het bewustzijn van de gemeenschap wel opengebroken. In Oostenrijk wordt alles onder het tapijt geveegd, en juist dat stelt Jelinek aan de orde op een wijze die ik fascinerend vind. Bijna als een archeoloog graaft zij zich stukje bij beetje het verleden in en stoft zij de verborgen brokstukken af, in een poging het historische onderbewustzijn bloot te leggen.’

In Rechnitz zijn onder meer André Jung en Hildegard Schmal te zien, twee acteurs van de Münchner Kammerspiele die inmiddels ook in Amsterdam bekend zijn nu dat gezelschap er af en toe optreedt. Op de première-nazit (een feest kun je het nauwelijks noemen, zo bedeesd is de sfeer) lopen ze enigszins aangeslagen rond. André Jung: ‘Ik voelde me vanavond nerveuzer dan normaal. Het Weense publiek is veel ernstiger dan dat in München – er is hier sprake van een andere betrokkenheid. Men is, denk ik, toch gevoeliger voor de boosaardigheden in Jelineks tekst, waarin in elke zin minstens drie betekenissen verborgen zitten.’

Hildegard Schmal vindt dat stukken als Heldenplatz van Thomas Bernhard en Rechnitz hoe dan ook gespeeld moeten worden, of ze dat nu leuk vinden of niet. ‘In Duitsland is de schuld & boete-carrousel in volle gang gezet, hier moet die motor nog flink worden aangeslingerd’.

De Weense kranten zijn over het algemeen vol lof over de voorstelling – ‘Schrecklich nette Leute’ schrijft de Wiener Zeitung, en Der Standard kopt ‘Geschwätzigkeit als Anfang der Verschwiegenheit’. Op een nagesprek botsen de meningen vooral over Jelinek en haar haatverhouding met haar eigen land. Er ontstaat een felle discussie over hoe Oostenrijk met de eigen geschiedenis omgaat, en de onmacht daarin.

De volgende ochtend gaat het leven niettemin gewoon door. Bepruikte mannen in Mozart-kostuum bieden rondleidingen aan in de Staatsoper. De paardenkoetsjes zitten vol, en op het Rathausplatz, waar vanwege de Wiener Festwochen de hele maand volksfeesten plaatsvinden, zingt een schlagerzanger Schön ist es auf der Welt zu sein.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden