Een stuk honingzeep bestijgen

AL TIEN jaar doet ze hetzelfde werk, vertelt de vrouw die in Het nietigste van Marie Kessels (1954) aan het woord is....

In de vier boeken die de publiciteitsschuwe Kessels hiervóór schreef, kwam ze er directer voor uit: haar vrouwelijke hoofdpersonen doen overdag hetzelfde werk als zijzelf, namelijk het verkopen van broodjes, drank en sigaretten in de stationskiosk van een provinciestad. Vertelt ze anderen wat ze doet, dan kan ze gniffelen om de meewarige blikken die ze daarmee oogst: 'Wat zonde toch van zo'n vrouw!, zeggen die blikken en dan gloei ik van liefde voor het werk van mijn handen, dat op zo'n magistrale wijze het hoofd vrijlaat.'

Geestdodend is die arbeid dus allerminst. Eerder lijkt het de spinsels van haar overactieve geest in banen te leiden. In elf jaar tijd is haar schrijfarbeid steeds persoonlijker geworden. Konden haar eerste drie boeken nog als romans worden getypeerd, met Ongemakkelijke portretten (1998, Multatuliprijs) en nu Het nietigste heeft Kessels zich een nieuwe vorm eigen gemaakt: in plaats van een verhaal schrijft ze een mentaal logboek, opgedeeld in fragmenten van luttele pagina's. Dat is geen aardigheidje, maar noodzaak: alleen op deze manier kan zij vanuit haar sociale isolement toch communiceren. De werkelijkheid buiten is dermate overvloedig en bedreigend, dat ze zich met deze afgeronde en stilistisch hoogstaande alinea's teweer kan stellen. Paradoxaal geformuleerd moet ze de wereld verkleinen teneinde ruimte te scheppen, zélf fier overeind te blijven.

Het nietigste oogt als een verzameling columns, maar de inhoud is verre van verstrooiend. De soms schitterende scherven van deze collectie bieden zicht op een geconcentreerde geest die zich in de wereld zo nietig weet, dat zij slim moet zijn om haar eigen plek te bevechten.

Kessels' geestkracht is enorm. Dat Het nietigste zo'n kloek boek is geworden, wijst daar al op. Het ontbreken van een verhaallijn lijkt een handicap, maar daardoor kan ze juist directer aangeven waar het haar om te doen is: de orde verstoren om de bespiegelingen van dit eenzame individu bestaansrecht te geven.

Waaruit bestaat de orde waartegen de vertelster ten strijde trekt? Het is de onwil van mensen om geld zorgvuldig te koesteren, omdat ze het tegenwoordig liefst als ordinair ruilmiddel op tafel smijten: 'Kijk maar eens hoe jongelui hun aankopen doen, zwaaiend met hun pasje met het air van een revolverheld die zijn blaffer elk ogenblik tegen je borst kan drukken.' Het is ook de onwil van mensen te begrijpen dat er zoveel in je omgaat, dat je tegelijkertijd met liefde in een stationskiosk banale handelingen uitvoert. Het is het gemak waarmee mensen hun natuurlijke gereserveerdheid afleggen.

Tweede paradox: Marie Kessels breekt een lans voor de pudeur, een incourant begrip in deze rigoureuze tijden, voor een vrijplaats om illusies te laten ontbotten en het innerlijk geduldig af te graven.

De opbrengst is ernaar. Het nietigste is een statisch boek met één thema, maar Kessels' geest is dermate springerig en lenig, dat zij de lezer moeiteloos aan het lijntje houdt. Nooit wordt zij klagerig. Het vele wit op de pagina's, dat in de gemiddelde bundeling van columns vooral dient om het boekje substantie te geven, is hier eindelijk eens functioneel. Het zijn pauzes die de lezer tijd geven op adem te komen en de originele observaties en verwoordingen langzaam te proeven.

De traagheid waarmee dit proza het best genoten kan worden is al even onmodieus, maar Kessels dwingt die eenvoudigweg af. Het kan geen toeval zijn dat zij in een van de fragmenten een hommage brengt aan die andere, uiterst precies formulerende brekebeen uit de Nederlandse letteren, Jan Hanlo (1912-1969). Het nietigste doet vaak denken aan Hanlo's geestige en filosofische teksten, verzameld in In een gewoon rijtuig (1968) en Mijn benul (1974), en aan zijn ontelbare brieven.

Kessels is bijvoorbeeld bepaald hanloësk in 'Mystiek nieuws', waarin ze beschrijft via het radionieuws te vernemen dat er een brief van de mysticus Jan van Ruusbroec is gevonden. De nieuwslezeres barst ineens in deze gloedvolle zin uit: 'De brief handelt over de vraag hoe je kunt weten of iemand goddelijke inspiratie ontvangt of blootstaat aan influisteringen van de duivel. Dit was het nieuws.' Waarop Kessels schrijft: 'Eigenlijk zou ik een brief naar de omroep moeten schrijven met de suggestie de verantwoordelijke nieuwsredacteur vandaag nog voor bevordering voor te dragen.' Hanlo zou die brief ook prompt gepost hebben, maar de vonk van herkenning is dezelfde. Ook Kessels is gevoelig voor de poëzie die zich op onverwachte momenten kan aandienen, en die door de auteur behoedzaam van de ene context (het obligate radionieuws) naar de andere (de prozatekst die om zichzelfs wille de rust van werkelijke aandacht verlangt) wordt overgebracht.

Telkens weer ziet de vertelster mogelijkheden zichzelf uit de murwe anonimiteit te verheffen. 's Ochtends bij het opstaan heeft ze het verlangen 'de dag te berijden, tot er genoeg energie is vrijgekomen om zonder angst op te staan en aan het werk te gaan'. Haar strategie is, natuurlijk, die van de verkleining: 'Wat mij betreft, ik bestijg elke morgen een heerlijk stuk honingzeep, als plaatsvervangend object, omdat de dag zelf bij nader inzien te ongrijpbaar, te abstract is, ongeschikt voor het prikkelende monsterverbond dat me voor ogen staat.'

Zo kan de vijand, die overal loert, getemd worden. Als er op haar werk een muis 's nachts aan de etenswaren blijkt te knabbelen, raakt zij niet in paniek, dit in schril contrast met haar collega's: 'Lieve muis, denk ik dan, jij knaagt waar je wil en wanneer je wil, jij bent het onberekenbare element (. . .), jij doorkruist zonder vergeefse argumentaties smullend en smikkelend het beleid.' Laat haar baas het maar niet horen.

In haar herhaaldelijk opspelende verlangen naar het directe en ongecensureerde, past natuurlijk ook de liefde. In Het nietigste wordt die ingeruimd voor de moeilijk grijpbare man die Ligthart heet, een welhaast symbolische naam voor iemand die haar hart lichter maakt. Ligthart is al even bedreven in verkleiningsstrategieën: als zij met hem de tango wil dansen, rebelleert hij 'met een engelengezicht. GEEN PASJES'. Om vervolgens zijn vrije wil uit te drukken door uitsluitend zijn vingers te gebruiken: 'Daar danst hij de tango op mijn rug, hij danst met speels gemak, zonder zich ook maar één keer te vergissen. (. . .) Zo, heimelijk, danst hij ten slotte het liefst, en het best.' Dat 'liefst' is mooi gekozen: het verwijst zowel naar zijn voorkeur als naar haar aanhankelijkheid.

Een liefdesgeschiedenis kun je Het nietigste overigens bewaarlijk noemen, of het moet deze zijn: Kessels boek is een liefdevolle ode aan het vernuft en de taal die een geprangd individu in staat stellen de orde, de nivellering en 'de dag die als een beest door het raam naar binnen springt' sluw tientallen loertjes te draaien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.