Een stoere stad

'Een propere stad vol cultuur en drank, maar te ver om heen te gaan.' Misverstand, zeggen de Groningers. Hun stad is een moderne metropool, waar het Peerd van Ome Loeks heeft plaatsgemaakt voor de tempel van Mendini....

De stoere stad waar ik al jaren woon

weet mij nog ieder najaar te ontroeren;

wat overdaad was, bombast en bravoure,

bindt in en spreidt zijn nietigheid ten toon.

('Kentering' uit 'Onmogelijk Geluk' van Jean Pierre Rawie)

ER WAS EEN tijd dat de rokende pijpen van de 'suikerwerkfabriek' beeldbepalend waren voor de entree tot Groningen. En voor wie het niet anders wil zien is dat nog steeds zo. Voor oud-wethouder Ypke Gietema bijvoorbeeld. De PvdA'er die, volgens de stichting Rotterdam-Maaskantprijs, tussen 1978 en 1992 op onnavolgbare wijze - en het politieke risico allerminst schuwend - een gezicht gegeven heeft aan de vernieuwing van de stad Groningen, noemt het nieuwe hoofdkantoor van de Gasunie 'een mislukte hondedrol'. Ontzettend lullige architectuur, lelijk, geen stijl. Dan nog liever de rauwe geur van bieteloof.

Hondedrol of Brueghels Toren van Babel - die vergelijking is van de Groninger Henk van Os, directeur van het Rijksmuseum -, 'het Gasgebouw van Nederland' domineert sinds kort de Groninger skyline. Zelfs de Martinitoren blijft bij binnenkomst van de stad lang onzichtbaar. De organische creatie van de architecten Alberts & Van Huut rijst uit het niets op als een utopie. Een toren, zoals Noachs nakomelingen in de hoofdstad van Babylonië wilden bouwen, 'tot in de hemel'. Die droom, een daad van overmoed, heeft God nog weten te verijdelen.

Het gas is almachtig. Achter zo'n trots symbool vermoedt men een moderne metropool, de stad van de 21ste eeuw. Maar ach, tirannie van de afstand. 'Er is geen hoop,/ dat de laatste reiziger deze nacht/ is degene,/ die ik met steenkoude voeten verwacht', dichtte ooit Ab Visser over de verlatenheid van een Groninger perron. Zelden zal de deconfiture van een stad zo volmaakt geweest zijn als die van Groningen een jaar of tien geleden. Een niet aflatende Groningse lobby had de PTT voor de deuren van de Haagse hel weggesleept.

Duizenden randstedelijke ambtenaren werden in het kader van de spreiding der rijksdiensten geconfronteerd met overplaatsing naar het hoge noorden. Verder dan de maan en erger dan de hel. In die tijd moet Driek van Wissen zijn sardonische hulde aan de telefoon hebben geschreven: 'Omdat ik in het Gronings reservaat/ temidden van de inboorlingen woon,/ is het een uitkomst dat mijn telefoon/ een brug naar de beschaafde wereld slaat.'

Hagenaars dachten opeens te begrijpen waarom de Romeinen ooit de dood hadden verkozen boven verbanning. Wat hun werd aangedaan stond toch op z'n minst gelijk met Joseph Conrads tocht naar Kongo, zoals hij die optekende in Heart of Darkness: 'Een reis terug naar het vroegste begin van de wereld, toen de vegetatie op aarde woekerde en de grote bomen koningen waren.'

Het was even wennen en ongetwijfeld bleef een enkeling, aan de oever van het Hoendiep, hunkeren naar Den Haag. Maar negen van de tien rijksambtenaren hebben al lang geen spijt meer van de gedwongen overstap. Het Amsterdam, Parijs of Florence van het noorden - het is maar welke Groninger cultuurpaus men wenst te citeren - staat veel dichter bij de hemel dan bij de hel.

Uit het verslag van de stichting Rotterdam-Maaskantprijs in 1992: 'Groningen heeft zich vanaf de middeleeuwen ontwikkeld tot een bestuurlijk, economisch, commercieel en cultureel middelpunt, dat zich als een echte stedelijke stad geplant en verankerd heeft in een wijde agrarische omgeving: als ware het een verticaal op een horizontaal, met de Martinitoren als symbolische as opwaarts. De stad heeft een overzichtelijke structuur, waarin het middeleeuwse centrum, vervolgens de zeventiende-eeuwse noordelijke stadsuitbreiding, ten slotte de tot plantsoenen getransformeerde vestingwerken, te zamen een tot in de twintigste eeuw toereikende leef- en werkruimte vormden.

'Deze had de capaciteit om ook alle nieuwe functies van de negentiende eeuw te herbergen in een sterke concentratie en een aaneengesloten dichte bebouwing welke, bij alle afwisseling en gradatie tussen monumentaliteit en alledaagsheid, haar historische karakter in schaal en samenhang bewaard heeft. Zo is de stad een veelgeprezen herbergzaam onderkomen gebleven, zonder alleen knus en intiem te zijn, want op de vele pleinen en bij het vele water en groen kan ruim ademgehaald worden.'

Er komt iets tijdelijks in de contouren

en het gewone doen wordt ongewoon.

Nu zou het goed zijn op gedempte toon

gesprekken met gestorvenen te voeren.

Het isolement is doorbroken. Het nieuwe museum van Stad en Lande in de zwaaikom van het Verbindingskanaal heeft aan de tirannie een einde gemaakt. Dank zij het aardgas - de Gasunie schonk de gemeente 25 miljoen gulden - is Groningen niet langer 'een propere stad vol cultuur en drank, maar te ver om heen te gaan', zoals Piet Grijs schreef. In drommen stromen de Hollanders toe, eeuwige mist en vrieskou trotserend, als betrof het een pelgrimage naar het Lourdes-van-het-noorden.

'Je zou de stad elk jaar een eeuwwisseling toewensen', droomde Gietema. Voor wie nu het niet meer desolate NS-station uitstapt is het fin de siècle tastbaar. Niet langer is het 't Peerd van Ome Loeks dat de vreemdeling begroet, maar de tempel van Mendini waarin de tijdgeest zich zo treffend samenbalt. Met zo'n gedurfd staaltje architectuur is het haat of liefde, een tussenweg is onmogelijk.

De schilder en publicist Diederik Kraaijpoel haat het. Hij spreekt in het speciaal aan Groningen gewijde december-nummer van het literaire tijdschrift Maatstaf over 'een gigantisch uitvergrote bonbondoos'. 'Nu hebben ze weer een wegwerpgebouw, waar na twee jaar iedereen op is uitgekeken en dat over twintig jaar zal worden afgebroken.' 'Ze' zijn de linkse bestuurders van de stad, die volgens Kraaijpoel in opeenvolgende generaties - Max van den Berg, Jacques Wallage, Gietema - hebben toegegeven aan het oude socialistische ideaal van 'vernieuwing door vernietiging', geheel in overeenstemming met de Internationale: 'Sterft, gij oude vormen en gedachten'.

In hetzelfde tijdschrift voorspelt Ed Taverne, hoogleraar in de geschiedenis van de architectuur en de stedebouw aan de Rijksuniversiteit Groningen, juist 'een diepe liefde, geen goedkope flirt' van het publiek met het museum. 'Het gebouw is nergens voor de hand liggend. Het presenteert zich als een jukebox. Op het moment dat je denkt dat je het snapt, is het weer anders. Het oude museum lag aan de singels, zag er uit als een woonhuis, maakte deel uit van de stad. Nu, na honderd jaar, laat je zien wat er met de kunst in de stedelijke samenleving is gebeurd. Het is uit z'n anonimiteit getreden en is nu de entree naar de binnenstad.'

Een mobile infinito is het, een communicatief evenement dat de massa oplost in een triviaal schouwspel waarin de domeinen van stad, museum en gebruiker in elkaar schuiven. Of, zoals Alessandro Mendini zelf zegt, het is 'een explosie in een topografisch nirvana, een voorbeeld van een aards paradijs van de 21ste eeuw'.

Het onontkoombare heeft overal

betekenis en samenhang gekregen;

De stad van straks krijgt gestalte. De loopbrug die het museum-complex in tweeën deelt, is sinds de opening in oktober de drukste schakel geworden naar de binnenstad. Voetgangers lopen weer door de joodse buurt met zijn - door een Groningse gereformeerde architect gebouwde - synagoge in Spaans-Moorse stijl. Van de 2500 joden die de stad vóór 1940 telde, overleefden slechts tweehonderd de holocaust. Aan de Folkingestraat 16 had Isaac Nieweg een slagerij. Zijn overbuurman was Mozes Nijveen, de paardenslager. Elke ochtend begroette Nijveen zijn collega met de vraag of hij nog 'nie weg' was. Nieweg verliet Groningen op tijd; Nijveen niet. Op nummer 18 had Salomon Hoogstraal uit Appingedam een luxe bakkerij. Nu zit er een Noordafrikaanse bakker.

Ook elders is de transformatie van deze noordelijke metropool in volle gang. Het plan 'Binnenstad Beter' geeft het eeuwenoude centrum een hoognodige facelift van gele klinkers. Bestuurders zeggen het niet hardop, maar rond de eeuwwisseling moet Groningen een even stijlvolle stad zijn als de zuidelijke metropool Maastricht. De ultieme droom is randstedelingen de natuurlijke neiging te ontnemen bij Utrecht de zuidelijke rondweg te kiezen voor een ontspannen weekend.

'Groningen heeft altijd een behoorlijk solide traditie op het gebied van de ruimtelijke ordening gehad, met spraakmakende opvattingen over de binnenstad en de functies die er in thuishoren', doceert wethouder Willem Smink. Maar er zijn fouten gemaakt, de afgelopen jaren. Smink, die op weg lijkt nummer vier te worden in het rijtje aansprekende sociaal-democratische wethouders in Groningen: 'De middenklasse is uit de stad weggetrokken en woont nu in Haren, Zuidhorn of noord-Drenthe. Er heeft een sub-urbanisatie plaatsgehad die een soort Belgisch eindbeeld oplevert. Daarmee bedoel ik een verarmende stad, omgeven door een rijker wordende zoom. Die middenklasse willen wij toch weer aan de binnenstad zien te binden.'

Aan de hand van het structuurplan 'De Stad van Straks - Groningen in 2005' legt Smink uit welke grote projecten op stapel staan of reeds ter hand zijn genomen. De lijst is opvallend vanwege de vrijwel constante combinatie van wonen, werken en parkeren. Geen monocultuur, luidt het devies. Zowel op het voormalige Aagrunol-terrein aan de oostkant van de Verbindingskanaalzone, de uitbreiding van het cultuurcentrum De Oosterpoort naar het westen, als bij het Cascadeproject in het Stationsgebied en bij het Westerhavenproject is naast duizenden vierkante meters kantoorruimte plaats voor honderden woningen, appartementen, parkeergarages en winkels.

Het structuurplan voor de zesde stad van het land zal leiden tot een investering van zes miljard. Burgemeester en wethouders willen dat bedrag in tien jaar genereren met nog geen 10 procent aan overheidsinvesteringen. Den Haag en Brussel dragen 325 miljoen bij; de gemeente 200 miljoen. Inzet is de bouw van zevenduizend woningen, het creëren van tienduizend extra arbeidsplaatsen, een ingrijpende aanpak van de infrastructuur en een verbetering van het woon- en leefklimaat door onder meer uitbreiding van de recreatieve voorzieningen.

Zo is in het stadsdeel zuidoost een nieuw meer gepland dat de uittocht van de 'stadjers' moet indammen: het Ruischermeer. Dit meer, ter grootte van het Paterswoldsemeer, kan ontstaan door zandwinning ten behoeve van de bouw van Middelbertwijk en de omlegging van de A7. Dat laatste is hoognodig omdat cynici anders de succesvolle - provinciale - slogan 'Er gaat niets boven Groningen' vervangen door de - stedelijke en bepaald niet als metafoor bedoelde - kreet 'Sta eens even stil bij Groningen'.

je voelt de hemellichamen bewegen

op hun fatale tocht door het heelal

De 21ste eeuw, de eeuw waarin de stad haar eerste milennium viert, moet Groningens belle époque worden. Aan grandeur heeft het de stad nooit ontbroken. Dat verklaart wellicht die onbedwingbare neiging van veelal naar de randstad gemigreerde Groningers van naam en faam om 'hun' provinciestad te vergelijken met de grote steden van Europa. Het afgelopen jaar was een topjaar, met de officiële opening van 'het kasteel van de heks' - zoals het Gasuniegebouw in de volksmond bekend staat - en het museum. Volgend jaar is het de beurt aan het nieuwe Academisch Ziekenhuis Groningen, een van de grootste en modernste van Europa. Met ondergrondse parkeergarage.

Maar het pièce de résistance van de tweede helft van de jaren negentig is ongetwijfeld het Waagstraatproject van opnieuw een Italiaanse architect - de derde na Giorgio Grassi (Openbare Bibliotheek aan de Boteringestraat) en Mendini - Adolfo Natalini. Zijn credo: 'Wat is er mis met nostalgie?' Het antwoord van de Groninger burgerij, die in een unieke volksraadpleging zijn ontwerp uitkoos voor de verbouwing van het hart van de stad: 'Niets'

Het plan van winkels, appartementen en een nieuw stadskantoor roept een beeld op van vroeger, van een stad met smalle straten, bakstenen gevels en puntdaken. Natalini: 'De huizen zijn bewust kleiner van schaal dan het stadhuis; de kantoren en winkels zijn kleiner dan de kerk. Nu zie je vaak in moderne steden het omgekeerde. In mijn visie zijn de belangrijkste elementen in een stad de plekken waar de mensen bijeenkomen, zoals de markt, het plein, de kathedraal. Het gaat mij om de menselijke factor.'

Zelfs de bouwput op de Grote Markt is een attractie. Dagelijks werpen honderden mensen door de inkijk aan het einde van de Herestraat een blik op het enorme gat dat de sloop van het pas dertig jaar oude 'nieuwe' stadhuis - dè architectonische steen des aanstoots voor de huidige generaties stadjers - heeft achtergelaten.

Vlak voor de kerst stroomde de bouwput vol met de jeunesse dorée van bestuurlijk en ondernemend Groningen. Hoog boven de put, naast het uit de middeleeuwen daterende Goudkantoor, vormde de reclame voor eigentijdse massaconsumptie als 'Trekpleister', 'Cosmo', 'Yezz', 'Base' en 'Multec' het bijna surrealistische decor voor de officiële start van de bouw. Over de plek, die altijd het wezen van Gronings stad en ommeland heeft bepaald, schreef Rawie een speciaal gedicht dat op een aantal borden in de stad te lezen is en later in een van de muren van de Waagstraat zal worden gegraveerd. Vergulder dan met die opdracht van de gemeente was de dichter met het feit dat de ceremonie niet met een klompendans werd opgeluisterd. Groningen is ook cultureel tot wasdom gekomen.

en vreemd voldaan bespeur je allerwegen

de geuren van verwording en verval.

Groningen is ook in problemen een grote, volwassen stad geworden. De stad kent een omvangrijke 'onderklasse'. De werkloosheid bedraagt - mede door de toeloop uit de omringende sociaal-economische probleemgebieden - een kwart van de beroepsbevolking. De sociale dienst heeft achttienduizend cliënten, meer dan 10 procent van de bevolking. De vergrijzing slaat toe: 23 duizend inwoners zijn ouder dan 65 jaar, 15 procent van de bevolking. Het aantal allochtonen in een achterstandspositie groeit snel.

De misdaad neemt toe en krijgt een gewelddadiger karakter. Groningen wordt een steeds belangrijker doorvoerhaven van drugs naar het Duitse en Scandinavische achterland. Dagelijks wordt een ton aan harddrugs omgezet. Meer dan de helft van dat bedrag is afkomstig uit criminele activiteiten. Drugsbaronnen schromen niet jonge kinderen, sommigen niet ouder dan tien jaar, in te zetten als koeriers.

In een recente toespraak koos burgemeester Hans Ouwerkerk niet voor niets het thema 'De Zichtbare en de Onzichtbare Stad'. Hij benadrukte dat alleen een open samenleving, waarin solidariteit en onderlinge betrokkenheid gemeengoed zijn, de problemen van een moderne stad aan kan. De 'wolk van recht en beleid' die vanuit de overheid op de samenleving is neergedaald heeft de vorming van een zelfkant immers niet kunnen voorkomen. Met de hardware zit het volgens Ouwerkerk wel goed, de gemeente moet nu ook aandacht besteden aan de software, de mensen. 'Het is hoog tijd het plan van de zichtbare stad van straks in te kleuren met een samenhangend beleid voor die onzichtbare stad.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden