Een stoemper die nooit afstapte

Journalisten moesten doorwerken, vakantie of niet. Zelf werkte hij ook liefst door, vaak tot diep in de nacht...

‘Even bijpraten. Maandag operatie aan hart. Tja.’ Dat was het laatste sms’je van Hendrik Jan Schoo. Even typerend als de manier waarop hij begin augustus afscheid van de lezers van de krant heeft genomen, in een ps bij zijn zaterdagcolumn: ‘Deze week ben ik nog niet onder het mes gegaan. De komende tijd doe ik er noodgedwongen echt het zwijgen toe.’

Laconiek, met een aan afkeer grenzende afweer in het spreken over zichzelf. Dat was Schoo, rigoureus inhoudelijk, niet geneigd en ook niet erg in staat tot small talk. Hij schreef zijn laatste twee columns uit het Leidse ziekenhuis. De voorlaatste was een voyage autour de sa chambre, maar beslist geen gekeuvel op niks af, want het stukje liep uit op een kleine sociologie van het ziekenhuis, met zijn interne machtsverhoudingen waarin de patiënt niet in hoog aanzien staat.

Het was een echte HJ-column, die begon met uitzicht op de gierzwaluwen – Schoo wist veel van de natuur – waarna een opmerking volgde over de treinen die station Leiden aandeden. Hij wist ook veel van treinen, vooral als voertuigen van de publieke zaak. Daarna kwam het inwendige van het hospitaal aan bod. Zo nutte Schoo zelfs aan het bed gekluisterd zijn vaak overbloezende talent uit, met het gevoel voor detail, het formidabele geheugen en het associatievermogen dat bij echt grote journalisten hoort. En dan kwam uiteindelijk het strenge oordeel. Hij vertelde over de telefoon dat als hij het ziekenhuis uit zou zijn, er een boos stuk moest komen over de concurrentie tussen de dotteraars en de snijers, waarvan de patiënt, in casu hijzelf, de dupe was. Het is er niet meer van gekomen.

Streng was hij, in de eerste plaats voor zichzelf. Een paar weken eerder schreef hij nog een stukje over ‘de malle komkommertijd’ die onmiddellijk afgeschaft zou moeten worden. Journalisten moesten doorwerken, vakantie of niet, waarvoor zijn we anders op aarde. Zelf werkte hij inderdaad liefst door, van de vroege ochtend tot diep in de nacht, zoals bleek wanneer je weer eens een mailtje kreeg met een link naar een Amerikaanse krant of boek, om half vier ’s nachts verstuurd.

Hij taalde niet naar luxe, was vegetariër, reed geen auto, hield niet van televisiekijken en evenmin van onkosten declareren. Die karige levenshouding leidde in zijn tijd als hoofdredacteur van Elsevier of later als adjunct bij de Volkskrant wel eens tot heftige aanvaringen met minder nijvere bijen. Dan zwol zijn nek rood op en wist de omgeving dat er gebulderd ging worden. Hetzelfde gebeurde als er een stuk geschreven was dat de toets van Schoo niet kon doorstaan. Maar hij kende ook zijn eigen zwakheid en omschreef zichzelf als ‘een moeilijke mijnheer met een soms heftig gemoed’.

Hij was fors van gestalte en graag op luide toon aanwezig, in staat vergaderingen voor te zitten en tegelijk als enige aan het woord te zijn. Maar vóór zijn 40ste had hij zich niet voluit als journalist durven betitelen. ‘Een merkwaardige mengeling van geldingsdrang en bescheidenheid’, zei Herman Vuijsje, socioloog, schrijver, sinds begin jaren zeventig bevriend.

Anekdotes had hij zeker op voorraad en ze werden ook met enig aplomb verteld, over de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie waarvan hij lid was geweest, of over lange stukken schaatsen op de Amstel, of over lesgeven op een zwarte school in Amerika. Maar ze werden nooit te berde gebracht om op te scheppen, altijd als illustratie van een maatschappelijke trend of theorie.

Zijn eigen levensloop was het voorbeeld van een bijna vooroorlogse carrière. Hendrik Jan Schoo werd eind 1945 geboren, in de schaduw van de Tweede Wereldoorlog. Hij was een telg van een reeds lang ontzuild geslacht, van betrekkelijk eenvoudige Amsterdamse komaf. Zijn moeder was verpleegkundige, zijn vader vertegenwoordiger. Schoo ging naar de mulo, daarna de kweekschool, ouderwets voertuig van sociale stijging, ‘met hoofdacte 1968’ zoals hijzelf eens in zijn cv schreef. Na de kweekschool vertrok hij naar Chicago, waar hij pedagogiek studeerde, kennis maakte met de Amerikaanse sociale wetenschappen, en lesgaf aan een lagere school. Toen hij in 1973 in Nederland terugkeerde, was hij intellectueel en politiek rijper dan zijn generatiegenoten. ‘Altijd een verstandig, wijs man geweest. Toen ik nog naïef geloofde in het verzilveren van de overwinning van de PvdA in 1977, zag hij al dat het niets zou worden’, aldus Herman Vuijsje.

Zijn journalistieke doorbraak kwam begin jaren negentig bij Elsevier, nadat hij in de jaren tachtig van de bladen Psychologie en Intermagazine een succes had gemaakt. Als hoofdredacteur van Elsevier had hij ‘een aan verval onderhevig blad als het ware opnieuw uitgevonden’, zoals Gerry van der List schreef in zijn boek over de geschiedenis van het weekblad. Het geheim van Schoo was dat zijn blad dicht bij de lezers bleef, helder zowel qua indeling als opvattingen. ‘Vruchtbare, analytische journalistiek is onmogelijk zonder ideeënvorming, zonder een rudimentaire notie van hoe de dingen zijn’, omschreef Van der List zijn journalistieke uitgangspunt in het Elsevier-boek. Geen ideologie, wel scherp schrijven. Terwijl de linkse opiniebladen verpieterden, wist hij jongeren aan Elsevier te binden. Toen hij vertrok was het blad groter dan de overige opiniepers bij elkaar.

In 1997 onderging hij een ingrijpende hartoperatie. Terwijl hij langzaam recupereerde, bleek hem, zoals hij het zelf zei, dat hij gaandeweg bij Elsevier overbodig was geworden. Twee jaar later maakte hij een verrassende overstap naar de Volkskrant, waar hij werd binnengehaald met een mengeling van angst voor de rechtse krachtpatser en blijde verwachting van een helderder lijn in de krant. Wie hem kende, wist dat zijn stap ook weer niet zó verrassend was – Schoo omschreef zichzelf als een ouderwetse sociaal-democraat. Hij was losgezongen van de postmoderne PvdA, maar van de Volkskrant wilde hij een ‘prudent progressieve’ krant maken.

De rigoureuze, strakke lijn die hij in Elsevier wist aan te brengen, bleek evenwel bij de Volkskrant moeilijker te trekken. Hijzelf was toch meer de man van een journal d’opinion, dan van een journal d’information, en de krant bleek degelijk gegrondvest in evenwichtskunstenarij tussen stromingen ter redactie, journalistieke stijlen en een gecompliceerde verhouding met de lezende achterban. Binnen een jaar zag Schoo dat hij de krant niet zou kunnen kneden naar zijn beeld en gelijkenis, en toen hij kon beginnen als directeur bij de Weekbladpers greep hij de kans. Drie jaar later moest hij er vervelend vertrekken na reorganisatie-perikelen bij Vrij Nederland.

Intussen was hij wel begonnen aan zijn zaterdagse politieke beschouwing in de Volkskrant, die hem veel beter paste dan de dagelijkse leiding over de redactie. ‘Laat mij maar schrijven’, had hij tegen hoofdredacteur Pieter Broertjes gezegd, en bijna van meet af aan was hij de scherpste, de breedste en tegelijk de meest evenwichtige en faire politiek commentator van Nederland. Zijn belangrijkste bijdrage aan het debat had hij toen al geleverd, zij het betrekkelijk onopgemerkt. Als hoofdredacteur van Elsevier schreef hij week in, week uit, over de in zijn ogen schadelijke gevolgen van de ongebreideld voortgaande immigratie. Hij had Pim Fortuyn binnengehaald als columnist, omdat hij vond dat zijn opvattingen het verdienden te worden gehoord. Zelf schreef hij zeer kritisch over de multiculturele samenleving, ruim voordat Paul Scheffer zijn ‘multiculturele drama’ publiceerde.

Het stak hem zeker dat hij weinig serieus genomen werd omdat hij ‘in het verkeerde blad’ schreef. Weerwoord kreeg hij pas toen hij naar de Volkskrant was verhuisd. Dat ging soms niet bepaald zachtzinnig, er verschenen lelijke stukken waarin Schoo van extreemrechtse sympathieën werd beticht. Maar de laatste jaren nam het anti-Schoo sentiment af en wist hij ondanks stevige standpunten buiten gepantserde posities inzake islam en immigratie te blijven.

Zijn kernthema’s waren die van de thuisloze Drees-sociaal-democraat die hij altijd is gebleven. Die thema’s kwamen in allerlei gedaanten terug, als de deftigheid in het gedrang, insiders en outsiders, hoog en laag, regenten en upstarts, sociale stijging en daling. Vandaar zijn sympathie op afstand voor de buitenstaander Fortuyn, en zijn instemmend citeren van de Britse ambassadeur Budd, toen die schreef dat Fortuyn ‘iets heel belangrijks had gedaan: de strijd aanbinden met regenten die vinden dat bepaalde onderwerpen te belangrijk zijn om aan het volk over te laten’.

Zijn bezwaar tegen de adoptie van ‘de vreemdeling’ als nieuw object van linkse koestering was dat het hele integratiedebat niet gestoeld was op argumenten, maar vooral op een breed uitgedragen nierenproeverij. ‘Met het primaat van hun moraal, de enige mogelijke, en hun emoties, de enige behoorlijke, maken de voorstanders van immigratie het zich te gemakkelijk.’

Hij vond dat betere en slechtere opvattingen moesten uitkristalliseren in stevig en rationeel debat. Daaraan ontbrak het smartelijk in Nederland, waar discussie niet zozeer een choc des opinions is maar een demonstratie van sociale verwantschap – laten zien bij welke geestelijke gemeente je hoort.

Ook van de pers had hij geen geweldig hoge pet op. De pluriformiteit van de dominante Nederlandse media beperkt zich tot de keuze tussen progressief en progressief. Om die reden vond hij dat Nederland in de tijd van de verzuiling een veelvormiger perslandschap had dan tegenwoordig. ‘Als iedereen ontzuild is, wordt het erg schraal. Waar zijn de rivaliteiten? Zonder tegenbeelden wordt het serieuze maatschappelijke debat erg moeilijk.’

Hij ontleende zijn journalistieke motto aan zijn Amerikaanse avontuur, ‘I’ve got to call them as I see them’, ik kan niet anders dan opschrijven wat ik zie. ‘Ik ben geen held’, zei hij over zichzelf. Maar hij wilde zich niet aanpassen aan gedragscodes of correcte meningen.

Hij was een wandelaar en een fietser, kende het land van de Hondsbossche Zeewering tot achter Groningen. Eerst had hij Nederland verkend met zijn vader. Later fietste hij met vrienden in de Ardennen, onder wie de econoom Flip de Kam die hem karakteriseerde als ‘een stoemper die nooit afstapte, en die zijn achterstand goedmaakte in de afdaling, door zijn gewicht en zijn roekeloosheid’. Dat was Hendrik Jan Schoo, een stoemper die nooit afstapte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden