Een sport van doeners niet van denkers

Vijf Tourselecties in zestig jaar tijd worden gekenmerkt door de aanwezigheid van Nederlandse renners. Wie waren ze, wat deden ze voordat ze beroeps werden, en waarmee verdiende hun vader de kost?

Zet vijf voor Nederland bepalende Tourselecties naast elkaar en je hebt op het eerste gezicht meer verschillen dan overeenkomsten. De renners zijn geboren in alle uithoeken van het land. Ze waren onstuimig jong tot relatief rijp toen ze aan de Tour van 1951, '63, '80 of '96 deelnamen, of vandaag namens Rabobank aan de Ronde van Frankrijk beginnen.


Vorig jaar bracht de Volkskrant de wortels van de Oranje-internationals in kaart, in de aanloop naar het WK voetbal. Het leverde opmerkelijke details op. De vader van Giovanni van Bronckhorst bleek computermonteur, die van Eljero Elia had gevaren op de grote vaart en Berry Sneijder verdiende de kost als monteur van wildwaterglijbanen terwijl zoon Wesley aan zijn voetbalcarrière timmerde. Het merendeel van de spelers bleek zijn beroepsopleiding niet te hebben afgemaakt en had minstens een kind op de wereld staan.


Dat laatste aspect is buiten beschouwing gelaten bij de zoektocht naar de 37 renners en hun achtergronden. Maar ook hier is nieuwsgierigheid de aanjager van het idee. Zijn de vijf Nederlanders die voor Rabobank dit jaar de eer mogen hooghouden slimmer dan hun baanbrekende collega's uit de ploeg van Wim van Est, zestig jaar geleden? Welke ontwikkeling heeft het Nederlandse wielrennen doorgemaakt, gekeken naar opleiding en professie?


Is het peloton slimmer geworden?


De tocht door het verleden is een ontdekkingsreis. Een rondgang langs gebroken gezinnen bijvoorbeeld. De vader van Gerrit Voorting werd in de oorlog als matroos getorpedeerd op zee. Gerrit 'Gé' Peters, ook een Haarlemmer uit de ploeg die met Jan Janssen de Tour van 1968 won, heeft zijn verwekker nauwelijks gekend omdat die het gezin al gauw de rug toekeerde. En zou Scheveninger Bert Pronk (Tour 1980) zijn vader, een schipper, vaak hebben gezien?


Twee zoons met water door de aderen zijn het, verder slechts door de Tour aan elkaar verbonden. Maar het is niet de enige parallel die opvalt. Zie wat vier van de vijf Tourkopmannen gemeen hebben, waarbij alleen die van 1996 (Erik Breukink) de dans ontspringt. Van Est, Janssen, Zoetemelk en Gesink, allemaal stammen ze uit een boerennest. Het agrarische leven, dat zijn inwoners hardt en slijpt, heeft zich na zes decennia nog niet losgemaakt van de sport.


Gesink behoort tot de weinige profs die nog op het platteland zijn opgegroeid, dat wel. De rest komt weliswaar uit de provincie, in de zin van dat ze buiten de Randstad zijn geboren. Maar vader Mollema werkte in Groningen als belastingadviseur, die van Maarten Tjallingii was biologieleraar in Leeuwarden totdat het gezin emigreerde naar Mozambique. Het Afrikaanse platteland kent Tjallingii zonder meer.


Zo kunnen verschillende wiegen leiden tot een Tourstart in de Vendée, de Franse streek van wind en water. Laurens ten Dam zal zich er thuis voelen. Hij werd op een woonboot geboren, op het Boterdiep in het Groningse Zuidwolde. Lars Boom fietste ontelbaar veel uren tussen school en huis, in het Brabantse Vlijmen. Gesink deed hetzelfde, maar dan in de Achterhoek.


Moderne jongens zijn het. Ze beschikken over een iPod en een laptop en kunnen zich een blitse auto veroorloven. De generatie Tourrenners van het hier en nu kan met speels gemak van zijn sport leven. Wielrennen is allang geen manier meer om aan het onzalige bestaan van alledag te ontsnappen.


Het tegendeel wordt beweerd over de ploeg-Nederland die zich in de Tour van 1951 onderscheidde. Het onderzoek begint er dankzij de gele trui die Wim van Est aan de ronde overhield. Hij was de eerste Nederlander die het tricot kreeg omgehangen in de in 1903 opgerichte wedstrijd. Datzelfde jaar tuimelde hij ook een ravijn in, wat hem minstens zo veel bekendheid opleverde.


Door prof te worden verzekerde Van Est, uit 1923, zich van een geheel andere toekomst dan hem op het erf in Fijnaart was voorgespiegeld. Hij werd door zijn vader als boerenknecht verhuurd aan de betergestelden en ritselde zich door de oorlog door onder meer boter te smokkelen.


Van het geld dat hij daarmee verdiende kocht hij stukjes grond, die hij na de oorlog met winst van de hand deed. Meer dan dat was hij een uiterst talentvolle wielrenner die vier Touretappes won, alsmede de Ronde van Vlaanderen.


De West-Brabander trok zich dankzij het wielrennen op naar een hogere status. Maar zijn ploeggenoten werden in veel mindere mate door die ambitie gedreven. Zij legden zich eerder op het wielrennen toe uit liefde voor de sport dan dat hun afkomst ze daartoe dwong. De vaders van Hans Dekkers (leraar op de Philips-bedrijfsschool), Wim Dielissen (boswachter) en Henk Faanhof (metselaar) lieten hun kinderen de keuze te doen wat ze zelf wilden.


Dat wilde niet zeggen dat ze het allemaal even breed hadden thuis. Gefietst mocht er worden, zolang de zonen hun rijwiel zelf bijeenverdienden en meehielpen het gezin te voeden. Erik Breukink hoefde in de jaren zeventig zelfs niet op een cadeautje van zijn vader Wim te rekenen, toen de directeur van de Gazelle fietsenfabriek. Door te werken spaarde hij zijn rijwiel bijeen.


Dat Jan Janssen zich in 1968 als de eerste Nederlandse Tourwinnaar zou laten bejubelen, was in zijn jeugd bepaald niet te voorspellen geweest. Zijn vader vond het belangrijker dat Jan en broer Aad meehielpen in het grondverzetbedrijf, dat na de vondst van de bel in Slochteren in 1959 overuren maakte om vele huishoudens op aardgas over te zetten.


De steunpilaren uit Janssens ploeg stamden uit een al even eenvoudig nest. Ze waren de zoon van de bakker, de haringkoopman en de klompenmaker die een gereedschapsbedrijf overnam, zoals Jos van der Vleuten. Toen die op een goede dag de racefiets van zijn broer leende, reed hij het ding prompt aan barrels. 'Kon ik twee keer zo hard werken in de zaak van mijn vader. Maar na die rit wist ik wel zeker dat ik wielrenner wilde worden.'


Feitelijk veranderde er niet veel tot de generatie zich aandiende die in 1980 met Joop Zoetemelk de Tour won. Ook de meeste van de negen Nederlanders uit de tien man sterke TI Raleigh-ploeg waren gewend hun handen uit de mouwen te steken. Gerrie Knetemann was stratenmaker, Bert Oosterbosch tegelzetter en Cees Priem en Leo van Vliet hielpen mee in het aannemers- of containerbedrijf van hun vader. Kopman Zoetemelk gaf het goede voorbeeld, als zoon van een varkensboer die zelf als timmerman werkte tot zijn carrière op de fiets tot wasdom kwam.


De Rabo-renners uit de Tour van 1996 zijn niet minder praktisch ingesteld. Michael Boogerd rondde zijn studie mts bouwkunde nog wel af, maar wist toen al zeker dat hij coureur moest en zou worden. Erik Dekker kon zo veel doorzettingsvermogen op de meao niet meer opbrengen, zoals Erik Breukink zijn opleiding bedrijfseconomie in het tweede jaar staakte. Danny Nelissen mag zich elektricien noemen, maar maakte zijn diploma nimmer te gelde. 'Ik heb nog nooit een lamp ingedraaid.'


De uitzonderingen op de regel zijn schaars. In andere sporten, zoals atletiek, geldt wellicht het tegenovergestelde. Maar wielrennen is een sport van doeners, niet van denkers.


Wie in deze sport wil slagen, kan maar beter geen al te grote intellectuele bagage hebben, vindt Rini Wagtmans. De voormalig renner, bondscoach en neef van Wout Wagtmans (ploegmaat van Van Est in 1951) wijst ter ondersteuning van zijn betoog op Eddy Beugels, misschien wel de intelligentste renner die Nederland ooit heeft gekend.


De Limburger, uit de ploeg-Nederland van 1968, had al economie gestudeerd toen hij zijn plan doorzette om als beroepsrenner te slagen. Daarmee brak hij met alle conventies van thuis, vertelde zijn vrouw Ria drie jaar geleden aan het AD. 'Niemand begreep Eddy; iemand die zó intelligent was. Die had er verstandiger aan gedaan voor een maatschappelijke carrière te kiezen, vonden ze.'


Beugels was de opvallendste secondant van Janssen. Hij was belezen en beheerste vier talen feilloos. Renners hingen aan zijn lippen als hij 's avonds na de Tour het leven met ze doornam. Dat hield voor Beugels niet op als de etappe was gefinisht.


Hoewel hij in hetzelfde jaar als eerste Nederlander zegevierde in de klassieker Rund um den Henninger Turm, leverde zijn bestaan als renner niet op wat Beugels ervan had verwacht. Op zijn 27ste reed hij zijn laatste wedstrijd, waarna hij een assurantiekantoor en een kunstgalerie begon. Thans is hij getroffen door afasie.


Met Beugels trad volgens Rini Wagtmans het intellect toe tot het wielrennen. De Sittardenaar hield zijn ploegmaats voor dat ze Frans moesten leren spreken, wilden ze als beroeps slagen. De ploegen uit dat land maakten decennialang de dienst uit in de Tour.


Misschien was Beugels wel te slim om te fietsen, oppert Wagtmans. 'Hij was als mens een intellectueel. Maar een renner zo lomp als hij heb ik nooit meegemaakt. Hij demarreerde op de verkeerdste momenten. Koersinstinct is wat anders dan zakelijk instinct.'


Wie wil slagen als renner, als topsporter eigenlijk, denkt beter niet te veel na. Maar zo boers als zestig jaar geleden is het Nederlandse deel van het peloton zeker niet meer.


De vijf Raborenners die deze Tour hun opwachting maken, hebben allemaal een toekomst voor zich gezien die zich naast de fiets afspeelde. Bauke Mollema schreef zich in voor Romaanse talen en culturen, een studie hij net als economie en management voortijdig afblies. En zou er van de hovenier Gesink even veel zijn verwacht als de klimmer, wanneer hij die opleiding niet vanwege het wielrennen had afgebroken?


Het is zinloos erover te speculeren. Gesink legt geen tuinen aan, maar is klassementsrenner geworden die mag denken aan een podiumplaats in de Tour. En Lars Boom schiet prompt in de lach als hij terugdenkt aan zijn korte carrière op het vmbo metaal. 'Een beetje draaien en frezen', deed hij er. Hij praat erover alsof het veertig jaar geleden is.


Een ander tijdperk, dat is het voor hem. Boom heeft van zijn ware hobby zijn beroep kunnen maken en daarop is hij trots, vertelt hij voordat hij koers zet richting de start. Wim van Est zou het zestig jaar geleden precies zo gezegd kunnen hebben.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden