Een spookvlucht

Een vliegtuigongeluk voor de kust van Beiroet is al sinds 1975 met vraagtekens omgeven. Francine van der Velde, haar vader was een van de slachtoffers, ging op onderzoek uit....

Op dinsdagochtend 30 september 1975 krijgt de 15-jarige Francine van der Velde te horen dat haar vader is omgekomen. Het vliegtuig met Koop van der Velde, een 46-jarige ingenieur uit Friesland, is vlak voor de luchthaven van de Libanese hoofdstad Beiroet in zee gestort. Geen van de vijftig passagiers en tien bemanningsleden heeft de crash overleefd.

De moeder van Francine van der Velde heeft een week lang telefonisch contact met Malev, de Hongaarse vliegtuigmaatschappij waarmee vader Van der Velde vanuit Boedapest naar Beiroet vloog. Aan het eind van de week concludeert Malev dat de oorzaak van de crash onbekend is, de zwarte doos niet is gevonden, en de stoffelijke overschotten van de slachtoffers evenmin.

Francine van der Velde, 33 jaar later: ‘Daarna hebben we nooit meer iets van Malev gehoord.’ Zij, haar moeder en twee zusjes hebben na de dood van haar vader evenveel verdriet als problemen te verwerken. Tot een maand daarvoor woonde het gezin Van der Velde in Libanon, waar Francines vader als ingenieur werkte.

Ze waren net op vakantie in Nederland, toen in Libanon de burgeroorlog in alle hevigheid losbarstte. Het gezin besliste om in Nederland te blijven. Vader zou nog even naar Libanon teruggaan om spullen op te halen. Maar vader stortte neer, en verdween ergens diep op de zeebodem.

Zijn gezin bleef in Nederland achter met enkel vakantiekoffers, zonder huis, zonder kostwinner en zonder vaders handtekening die (aanvankelijk) nodig was om toegang tot zijn bankrekening te krijgen. ‘Van de ene op de andere dag heb je niets meer’, zegt Francine. ‘In Libanon leefden we tussen de rijken, en het volgende moment zit je in Nederland in de bijstand. Een traumatische periode, vooral voor mijn moeder.’

In al die jaren stelt Francine zich weinig vragen bij het vliegtuigongeluk en het overlijden van haar vader. ‘Als kind fantaseerde ik soms dat hij in Boedapest door de Russen was ontvoerd – het was immers Koude Oorlog. Je blijft stiekem hopen dat hij niet in het vliegtuig zat, want er is geen begrafenis en er is geen lijk. Maar meestal dacht ik er gewoon aan als aan een ongeluk. Ik vond het ironisch: de techniek had een techneut in de steek gelaten.’

Tot Francine in 2007 toevallig via internet in contact komt met een andere nabestaande van de vlucht Tu-154 HA-LCI: Laszlo Nemeth, de Brits-Hongaarse weduwnaar van een stewardess. Nemeth doet al meer dan tien jaar onderzoek naar de crash waarin zijn echtgenote omkwam, en heeft schokkend nieuws.

Hij heeft foto’s waarop te zien is hoe Libanezen lijken uit zee halen. Op een van die foto’s zegt Nemeth zijn echtgenote te herkennen. Bovendien heeft hij de hand weten te leggen op een geheim onderzoeksrapport uit 1975 van de International Civil Aviation Organisation. Daaruit blijkt dat meteen na de crash 37 van de zestig lijken zijn geborgen. Daarvan zijn er twintig door Libanese nabestaanden geïdentificeerd. Zeventien lijken zijn niet geïdentificeerd en op een onbekende plek in Libanon begraven.

‘Toen ik dat hoorde, werd ik ontieglijk kwaad’, zegt Francine. ‘Die dagen dat ze met mijn moeder aan het telefoneren waren en haar vertelden dat er niemand was gevonden, waren ze 37 lijken aan het bergen. Hoe durf je zo met mensen om te gaan? Je kunt welke reden ter wereld noemen – Koude Oorlog, burgeroorlog – maar dit gaat te ver.’

Francine gesticuleert boos, met een sigaret in haar rechterhand. De 48-jarige human resource manager zit in haar woonkamer in Doorn. Ze woonde tot vorig jaar met haar gezin in Amman. Voor haar ligt een map met rapporten, brieven, en vijf korrelige zwart-witfoto’s van de opgeviste lijken.

‘Ik dacht: dit doe je mensen niet aan. Ik rust niet voordat ik weet waar mijn vader en de andere slachtoffers liggen.’

In het voorjaar van 2007 neemt Francine contact op met de Nederlandse ambassades in Beiroet en Boedapest. Die vragen de autoriteiten aldaar om uitleg.

Uit Libanon komt het bericht dat de zeventien niet-geïdentificeerde stoffelijke resten waarschijnlijk in massagraven liggen, en dat de militaire autoriteiten daarover geen informatie willen verstrekken. Uit Hongarije komt evenmin een bruikbaar antwoord.

De Hongaarse regering heeft al in 2003 onderzoek gedaan naar het vliegtuigongeluk. ‘Maar het resultaat was een geheim document’, zegt Francine. ‘Kun je je voorstellen dat zoiets in het Nederlandse parlement voorkomt? Dat een minister zegt: we hebben de Schipholbrand onderzocht, en we hebben een rapport geschreven, maar dat is en blijft geheim.’

Ook andere instanties die informatie over het vliegtuigongeluk moeten hebben, hullen zich in stilzwijgen. ‘In het ziekenhuis dat de autopsies uitvoerde, herinnert niemand zich iets. De man die het overlijdenscertificaat van mijn vader heeft getekend, zegt: ik weet niets, ik ben slechts de ticketverkoper. En de gesprekken van de luchtverkeersleiding worden normaal altijd opgenomen, maar op de dag van het ongeluk was de bandrecorder stuk, en de reservebandrecorder toevallig ook. Alles is geheim, alles wordt ontkend. Dus krijg je steeds sterker het vermoeden van een doofpotoperatie.’

De reden daarvoor, vermoedt ze, is dat de staatsluchtvaartmaatschappij Malev in 1975 duchtig in wapens handelde met het in burgeroorlog verkerende Libanon. Hongaarse piloten bevestigen dat ze op hun civiele vluchten naar Beiroet wapenvoorraden meekregen; iets dat regelrecht tegen de luchtvaartregels ingaat.

De Hongaarse autoriteiten hebben dit altijd ontkend. ‘De Hongaarse regering wil niet dat er een nieuw onderzoek komt, want ze willen niet dat officieel wordt bevestigd dat zij wapens transporteerden’, zegt Francine. ‘Daarom houdt iedereen zijn mond dicht.’

Ook over de oorzaak van de crash is ze anders gaan denken. ‘Ik ging er altijd van uit dat het een vliegtuigongeluk was, maar de verantwoordelijken gedragen zich niet alsof het een ongeluk was. Er zijn veel aanwijzingen die wijzen op een raketinslag.

‘De meest plausibele verklaring is dat het vliegtuig is neergehaald door Israël. Normaal hadden er een heleboel bestuursleden van het Palestijnse bevrijdingsleger PLO aan boord moeten zijn, maar om de een of andere reden is die PLO-delegatie niet komen opdagen.’

Maar die achterliggende redenen doen er allemaal niet toe, benadrukt Francine. ‘Ik wil het daar eigenlijk niet over hebben. Als je te veel vraagt naar de oorzaak van het ongeluk, en zeker als je het een aanslag noemt, gaan alle deuren onmiddellijk dicht. Het enige wat ik wil weten is: waar ligt mijn vader begraven?’

Omdat haar vraag via de Nederlandse ambassades niet tot een antwoord leidde, vroeg Francine begin deze maand advies bij advocaat Bart Stapert.

Hij richt een verzoek aan minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken om zijn Hongaarse en Libanese collega’s rechtstreeks te benaderen. Ook zoekt Francine van der Velde nu bewust aandacht in de media. Vorige week was haar relaas te zien in het televisieprogramma NOVA.

‘Ik heb de stille diplomatie lang genoeg een kans gegeven, maar dat heeft niet gewerkt. Dat houdt nu echt een keertje op. Ik moet nu andere wegen gaan bewandelen’, zegt ze.

Maar het ziet ernaar uit dat ze voorlopig toch afhankelijk blijft van de stille diplomatie. Minister Verhagen heeft in reactie op haar verzoek de Nederlandse ambassade in Hongarije en Libanon opnieuw om actie gevraagd, dit keer in samenwerking met de Finse, Britse en Franse ambassades, die ook onderdanen verloren in de crash.

‘Ik schat dat het nog wel tien jaar zal duren voor er een einde komt aan deze zaak’, zegt Francine. ‘Maar ik ga door. Het is toch een simpele vraag: waar is mijn vader, potverdorie?’