Een soort telepathie

In feite is 'The Art of Conducting', een compilatie van een meerdelige BBC-documentaire ('De kunst van het dirigeren'), van een majesteitelijke overbodigheid....

Wilhelm Furtwängler. Legende. Maakte van het Berlijns Philharmonisch Orkest 's werelds toonaangevende Klangkörper. De techniek van het tacteren, het pure slaan van de maat, was bij deze dirigent tot een dusdanige hoogte gestegen - volgens sommigen naar zo'n angstwekkend peil afgedaald - dat man en gebaar de indruk wekten van een zwabber die na een veegbeurt wordt uitgeklopt.

Gevraagd naar het mysterie van de juiste inzet ('Hoe slagen jullie er toch altijd weer in om bij dat gefladder met z'n allen tegelijk te beginnen?'), antwoordde ooit een musicus: 'Als de rechterhand in de buurt is van zijn vestknoop, dan beginnen we.'

Slagtechnisch gesproken, was Furtwängler de lachspiegel van Toscanini. Arturo Toscanini was - om de violist Yehudi Menuhin te citeren - de maestro van 'het klare ritme, de precisie, de incisie, de scherpe definitie'.

Otto Klemperer, die in zijn nadagen de gevolgen meedroeg van een beroerte, brandwonden en alcoholgebruik, weigerde zijn optredens op te geven. Van de oude Klemperer wordt gezegd dat hij aanwezig was, maar het dirigeren zelf zo goed als achterwege liet. Meer dan ooit klonken zijn Beethovens naar Klemperer.

De clichés kloppen. Geen gemeenplaats over grote dirigenten is onwaar. Kijk naar Furtwängler, naar zijn angstaanjagende gewapper bij de aanhef van Wagners ouverture Meistersinger, anno 1947. De Philharmoniker zetten onvervaard in bij 's meesters vestknoop. Kijk naar Toscanini, en zijn dirigeerstok in Verdi's ouverture La forza del destino - New York, NBC-studio 8H, 1944. De baton is een mes waarmee de atmosfeer in glasachtige segmenten wordt opgedeeld.

Kijk naar Klemperers repetitie van de ouverture Egmont, met het Londense Philharmonia Orchestra in 1960. Klemperer weet de tremor in zijn half gebalde vuisten om te vormen tot iets van een paukenistengebaar. Iets van een strijkstokbeweging. Er klinkt een grote Beethoven.

Stokowski, de overdrijver. Celibidache, de bevlogen poseur. De exuberante Bernstein. De warme Bruno Walter. De onwrikbare Richard Strauss. Beecham, bazige humorist in pandjesjas. De Leningrader Evgeni Mravinski, begiftigd met het charisma van een tandarts die nog zonder verdoving werkt. Karajans geloken ogen. Mengelberg, potsierlijk, alsmede geducht. Ze zijn te zien op twee dvd's, beide getiteld The Art of Conducting, en er is geen beeld, of het beantwoordt aan een legende.

Clichés over grote dirigenten zijn altijd waar, omdat het anders geen grote dirigenten zouden zijn geweest. Eerste voorwaarde is dat een dirigent is wie hij is, en dat voortdurend laat zien. Zonder consistentie geen carrière. Zonder 'vaste hand' ook geen muziek, zoals de violist Isaac Stern opmerkt in de dvd met de ondertitel Great Conductors of the Past.

Zo bekeken is deze Teldecplaat - compilatie van een meerdelige BBC-documentaire die eerder ook op video werd uitgebracht - van een majesteitelijke overbodigheid. Rolbevestigend is ook de nieuw samengestelde opvolger ervan, het Teldec-tweelingbroertje met de ondertitel Legendary Conductors of a Golden Era. Maar er bestaan ook mooie documentaires over piramiden en mammoeten. En mooi zijn ze zeker - de beelden van Richard Strauss die als een rotsblok zijn Till Eulenspiegels lustige Streiche staat te slaan. Met - inderdaad - een werkloze linkerhand, en zonder een spier te vertrekken, tenzij om een geeuw te onderdrukken. Ook prachtig: Egmont in Tanglewood, met een uit de heup schietende Serge Koussevitzky.

In de details zit de meerwaarde. Bruno Walter slist. Toscanini blijkt in zijn repetitie-meezingen te zijn uitgerust met een hoge, gestaalde bariton. De wanhoop waarmee John Barbirolli het Hallé Orchestra probeert te overtuigen van 'verschrikkelijke dreiging en nervositeit' in het scherzo van Bruckners Zevende, is frappant. 'Pampam-pam-pamnee!, pampam-pam-pamNEE': grootheid verschrompelt tot niets. Want juist de dirigent is de hulpeloze die geen Brucknerklank voortbrengt.

In een van de vraaggesprekken definieert Isaac Stern het dirigentschap - hoe de functionaris verder ook in elkaar mag steken - als een zaak van 'autocratie': 'De dirigent weet meer dan de honderd tegenover zich samen. Hij luistert naar iets in zijn hoofd, just before it happens.'

Volgens de klarinetspeler Jack Brymer is dirigeren 'de enige vorm van telepathie dat ik ken'. Orkestleden zeggen zulke dingen, omdat ze de voorbeelden dagelijks meemaken. De opmerking van de Berlijnse paukenist, die merkte dat tijdens een repetitie onder dirigent X de klank van de Philharmoniker plotseling veranderde, alleen maar doordat een andere dirigent in de deuropening was gaan staan (Furtwängler), staat niet op zichzelf. Als Kondrasjin tijdens een Hilversumse dirigentencursus zijn elleboog bewoog, ergens in de zaal, begon het Radio Filharmonisch beter te spelen. Gergjev helpt James Conlon twee seconden uit de brand bij een repetitie van het Mariinski-orkest: je hoort een ander orkest.

Wie méér wil weten over de 'kunst van het dirigeren', zal van The Art of Conducting weinig concreets opsteken. Over de kennis van de dirigent wordt weinig vernomen. Aan geen componist is ook maar iets gevraagd. De mythologie zegeviert.

Maar die is dan ook levende praktijk. Mag-netisch is het voorkomen van Arthur Nikisch, gefilmd in 1913. Zwijgende film. Men weet niet eens of hij een stuk dirigeerde, of gewoon maar wat voordeed. Hoge slag, zodat musici tussen zijn handen ook naar de ogen zouden kij-ken.

Magnetisme moet ook gezeten hebben in het snorretje van Toscanini, het happen van Klemperers tandeloze mond, de kaalkop van Kleiber, in Beechams sikje. En zeker in de borende blik - fantastisch beeld - van Fritz Reiner in Chicago, die op het ritme van Beethovens Zevende het maagdarmkanaal van afzonderlijke orkestindividuen op de proef stelt met de blik van 'ik weet dat jij weet dat ik weet waar jij mee bezig bent'.

Geen van de voorgetoverde maestro's verkeert in het land der levenden. Die keus bevestigt ook een valse mythe, namelijk dat het grote dirigeren voorbij zou zijn. Maar vooruit, ook voor menig orkestmusicus geldt: de beste dirigent is een dode dirigent.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden