Een schrijver hoeft niet te bewijzen dat hij bestaat

Begin september deelde Reinjan Mulder, redacteur van uitgeverij De Geus, op de aanbiedingsbeurs Vers voor de Pers in Amsterdam driftig exemplaren uit van De geschiedenis van mijn kaalheid, het romandebuut van Marek van der Jagt....

Bijgevoegd was een brief aan de lezer, waarin Van der Jagt verklaarde geen behoefte te hebben aan een boekpresentatie in zijn geboorteland, omdat hij hier geen vrienden of kennissen heeft en zijn werk in een Weense drogisterij niet zomaar in de steek kon laten.

De afgelopen week werd bekend, dat Van der Jagt op 21 oktober de Anton Wachter-prijs krijgt voor het beste proza-debuut. In NRC Handelsblad verschenen vervolgens twee artikelen waarin ernstig werd getwijfeld aan het bestaan van de ex-student filosofie, van wie (flaptekst) enkele korte verhalen door de Wiener Kammerspiele voor toneel zijn bewerkt.

Het zou hier gaan om een mystificatie. Uitgebreid speurwerk leverde geen Marek van der Jagt op- hij bleek slechts via email bereikt te kunnen worden -, maar sterke vermoedens wezen in de richting van Arnon Grunberg (1971), de schrijver van wie verschillende stukken door Toneelgroep Amsterdam zijn uitgevoerd. En die voor zijn romandebuut Blauwe maandagen (1994) reeds de Anton Wachterprijs ontving.

Grunberg ontkent, uitgeverij De Geus houdt zich op de vlakte, Grunbergs uitgever Vic van de Reijt (Nijgh & Van Ditmar) toonde zich vrolijk verrast en Anton Wachterprijs-jurylid Maarten 't Hart zou het evenmin verbazen als Grunberg een stunt heeft uitgehaald. Marek van der Jagt zelf zegt desgevraagd via email dit weekeinde dat het hem niet goed gaat: 'Ik ben niet geschokt, maar aangeslagen. De vreugde over het winnen van de prijs is volledig verdwenen. Dat een boek wordt neergesabeld, dat kan gebeuren. Maar dat ''autobiografische details'' van je worden afgepakt, dat noem ik onverkwikkelijk. Dat een journalist beweert dat ik verzonnen zou zijn, is dodelijk. Het is niet de taak van een schrijver te bewijzen dat hij bestaat.'

Intussen is het niet ondenkbaar, dat niet Marek van der Jagt, maar Arnon Grunberg of een stroman op de 21ste oktober in Harlingen opdaagt. De toon, de humor en het hoge verteltempo maken in ieder geval aannemelijk, dat Van der Jagt in de leer is geweest bij zijn zeer succesvolle jongere collega.

Diens c.v. vermeldt dat hij in 1988 vergeefs auditie deed op de toneelscholen van Amsterdam en Maastricht. In hetzelfde jaar werkte Grunberg in een apotheek. In Blauwe maandagen wordt van de grootvader van verteller Arnon Grunberg verteld, dat hij 'een drogisterij op een karretje' had. Zijn kale vader zegt in postzegels te handelen, maar dat kan een mystificatie zijn. Zoon Arnon ziet nooit een postzegel. 'Iedereen heeft zijn verhaal, ook de dommen en de onwetenden', weert vader lastige vragen naar zijn ware professie af.

In Grunbergs tweede roman Figuranten (1997) staat de zinsnede: 'In ieder geval zouden we nooit zo eindigen als onze ouders.''

Grunberg houdt van acteurs als Charlie Chaplin, Buster Keaton en Jacques Tati, de meesters van de tragische slapstick. In zijn boeken tobben de jonge hoofdpersonen over hun rol in het leven. Ze willen anders worden dan hun (joodse) vaders, die gebutst uit de oorlog zijn gekomen en als overlevingsstrategie voor de rol van ongrijpbare fantast hebben gekozen. Grunbergs protagonisten putten juist 'troost' uit de slapstick, ze willen elke bedreiging van de maatschappij vóór zijn door de watervlugge en veranderlijke komiek uit te hangen.

Ontkomen, is Grunbergs motto in leven en werk. Vluchten, voordat je wórdt opgejaagd. Vandaar misschien deze nieuwste rol, als Weense debutant met het heteroniem Van der Jagt. De realiteit van 'Arnon Grunberg, de bekende schrijver' begon hem te benauwen.

Het is mogelijk. Een maand na het eerste optreden in zijn nieuwe gedaante, zitten journalisten hem al weer op de hielen. 'Is het hun taak boeken (romans) uit te pluizen op wat verzonnen is en wat niet', mailt Van der Jagt. 'Terwijl iedereen weet dat er zelfs in de meest gerespecteerde kranten dagelijks honderden leugens staan, slordig gecamoufleerd als waarheid en objectief feit. Ik heb een bittere smaak in mijn mond.'

In De troost van de slapstick (1998) schreef Arnon Grunberg; 'Als ik mijn mond opendoe komt er fictie uit', en; 'Zonder oplichters zou de wereld saaier zijn, daar moeten mijn slachtoffers zich maar mee troosten.' Dat het leven een spel is, noemt hij 'een van de minst verschrikkelijke gedachten die ik ken'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden