Een schitterend verhaal van een illusie

'HIER RUST', - het staat op ontelbare kruisen en stenen. De dode heet dan ook ingeslapen. RIP, die drie laatste letters van het alfabet, is de zuinige afkorting van dezelfde gedachte: 'Requiescat in pace'....

Uit heel langzame verschuivingen in het denken over de dood gaat zich de louteringsberg vormen, de tussentijd wordt lokaliseerbaar in een tussenruimte. De hemel was voor de heiligen, de hel voor de verdoemden; tussen die twee eeuwigheden in vormde zich een tussentijd: die van de loutering. En de plaats van de loutering kwam tussen aarde en hemel, tussen tijd en eeuwigheid te liggen. Misschien is het mooiste aan de constructie, dat aan God een denken in aardse tijd werd toegedicht: de straf van het vagevuur was er een van beperkte duur, uitgedrukt in dagen en jaren. En gebeden en offers op aarde brachten God tot verkorting van de tijd. De levenden en de doden in het vagevuur kwamen in dezelfde tijdsorde te leven, gingen een gemeenschap vormen. De laatsten werden mede afhankelijk van de eersten. Maar de levenden wisten ook dat zij na hun dood afhankelijk zouden worden van zichzelf! Zij konden zich verkorting van hun louteringstijd hier verwerven, kopen ook. De wisselwerking wordt een werken met wissels. Tijdens zijn leven mocht men zichzelf niet vergeten, na zijn dood mocht men niet vergeten worden. Dat vereiste grote investeringen, in geestelijke en materiële zin.

Natuurlijk is het vagevuur, waarvan Le Goff de wordingsgeschiedenis zo indrukwekkend heeft beschreven, meer dan een vernuftige uitvinding, laat staan een uitdrukking van beginnend kapitalisme. Het is een schitterende theologische constructie: het schept eenheid tussen levenden en doden, het maakt aardse voorbereidingen op het leven na de dood mogelijk, het betrekt het fysieke in het metafysieke en het geeft ruimte tussen die twee uitersten van de hemel, waartoe alleen de heilige direct toegang krijgt, en de hel waarvoor iedereen vreest. Het is een compromis tussen leven en dood, tussen tijd en eeuwigheid. De reformatie verwierp het vagevuur, de contra-reformatie zou het sterker doen herleven dan ooit. En misschien is het geloof erin nooit sterker geweest dan in het Spanje van de zestiende eeuw.

De dood is niet het einde, maar het begin van een nieuw leven. Aan de oorsprong van het gelovig denken over de dood ligt de gedachte aan de werkelijke bestemming van de mens: het hiernamaals, de eeuwigheid. Het lichaam wordt teruggegeven aan zijn oorsprong, de aarde, de ziel, verlost uit wat in de vrome traditie haar gevangenis heet, gaat over naar een nieuw leven, langs de omweg van het vagevuur, in de meeste gevallen. 'Vertrek' wordt de ziel van de christen op het beslissende moment toegeroepen. De laatste sacramentele voorbereidingen voor de tocht zijn dan ten einde. De laatste tijdelijke ook, want aan het sterfbed staat in het zestiende-eeuwse Spanje de notaris naast de priester. De kerk eist een laatste wilsbeschikking, waarin het leven na de dood wordt geregeld. Het is niet overdreven de notaris ook de administrateur van het vagevuur te noemen: de stervende (of levende met de dood voor ogen) liet niet alleen zijn begrafenis, maar ook zijn nagedachtenis vastleggen. Hij verzekerde zich van gebed voor zijn ziel in het vagevuur. Het testament was ook een geloofsverklaring: men stierf in de gemeenschap van de kerk en wilde, dood, in die gemeenschap blijven leven. (Kloosterlingen stierven zonder testament, maar zij hadden dat testament al gemaakt bij hun geloften, die uitdrukking van sterven aan de wereld).

DE WENS tot blijven leven in de gemeenschap van de levenden vereiste uiteraard materiële voorzieningen: nagedachtenis kost geld. Dat maakt regelingen noodzakelijk. Het geeft het 'doodsbedrijf' ook, onvermijdelijk, een economisch karakter, ook in deze zin: wie veel nagedachtenis kan kopen, handelt binnen de heilseconomie, waarin met vraag - straf - en aanbod - vergoeding of afkoop - wordt gewerkt. Speculatie is er niet bij, al is er deze onzekerheid: die van de duur in het vagevuur.

Een groot aantal van de testamenten uit de zestiende eeuw is bewaard gebleven. De Amerikaanse historicus Carlos M. N. Eire heeft er vierhonderd van onderzocht. Het verslag van dat onderzoek staat in het eerste deel van zijn omvangrijke studie From Madrid to Purgatory, die de ondertitel heeft 'The Art & Craft of Dying in Sixteenth-Century Spain'. Hoewel hij resultaten van onderzoek uit andere delen van Spanje in zijn studie betrekt, - de hoofdplaats van zijn werk is Madrid. De titel is een spel met een bekend gezegde van trotse Madrilenen: 'Van Madrid naar de hemel'. Alleen het paradijs kan Madrid evenaren. 'The art of dying' verwijst uiteraard in de eerste plaats naar de ars moriendi, die in talrijke handboeken werd beschreven. Hun aantal bewijst de ernst waarmee men zich met de dood bezig hield. Handboeken leiden tot modellen en vastliggende idealen. Op hun beurt werken die de modellering van de testamenten in de hand. Delen van de tekst ervan krijgen een welhaast ritueel karakter, die ten slotte gemeenplaatsen worden (en zijn gebleven, misschien al lange tijd waren).

Natuurlijk is de ars moriendi ook het vermogen of de begaafdheid het leven na de dood zo goed mogelijk te regelen. En het een kan niet los worden gezien van het ander.

Het testament begint met een geloofsbelijdenis (die uiteraard cliché is, - in het geloof wordt alleen de gemeenplaats vertrouwd, terecht). Vervolgens worden er de wensen voor de uitvaart en de begrafenis in beschreven. En dan krijgen de verschillende mogelijkheden tot nagedachtenis alle aandacht. Bij de behandeling van de onderdelen doet zich dit merkwaardige verschijnsel voor: wat traditie is, wordt door de auteur, naar het lijkt, als uniek beschreven, waarmee de overlevering (en het lange naleven ervan, tot in deze eeuw) als gebonden aan tijd, de zestiende eeuw, en plaats, Madrid of bij uitbreiding Spanje, wordt verbeeld. Dat geldt niet alleen voor de ceremonies rond het sterven (zeer precies beschreven, maar ook zeer bekend), doch ook voor uitvaart en begrafenis. Waar de kwaliteit overgaat in kwantiteit, in de tweede helft van de zestiende eeuw, wordt pas het eigene zichtbaar: de uitvaart wordt grootser opgezet, de gebeden en missen ter nagedachtenis nemen in aantal toe. De kunst van het sterven wordt monumentaal! De overdrijving, de Spaanse cultuur ook eigen, wordt zichtbaar. De pomperij kan gevolg zijn van het feit dat Madrid hofstad wordt, de toename van missen en gebeden lijkt op een inflatie te wijzen van de geestelijke middelen, met name van de mis. Al kan ook de louteringsberg in de religieuze verbeelding steeds hoger zijn geworden en de aandacht voor de dood verhevigd zijn, mede, zoals de auteur aan het slot van het boek voorzichtig suggereert, ten gevolge van de neergang die Spanje tegen het einde van de eeuw gaat doormaken.

Veel van het verhaalde is in statistieken en tabellen geordend. De concentratie op de dood en de doden roept echter heel wat vragen op: die naar het aantal vereiste priesters bijvoorbeeld, naar de mogelijkheden tot begrafenis in de kerken, naar het aantal doden, naar het leven rond de kisten en rouwstoeten vooral. Madrid wordt een dodenstad, men leeft er om te sterven, de ars moriendi is de enige levenskunst geworden en de Spaanse cultuur een doodscultuur en het vagevuur de brandhaard van het bestaan. Het overigens zeer indrukwekkende verslag van het onderzoek heeft geen raam. Misschien werken ook de herhalingen - maar de dood is nu eenmaal eentonig en testamenten zijn zelden oorspronkelijk - aan het effect mee.

In het tweede deel staat de dood van Filips II centraal. Het is het hoogtepunt van het boek. De beschrijving van diens laatste levenstijd is gewoonweg schitterend, van zijn sterfhuis, het Escoriaal, dat paleis van de dood, tot zijn sterfkamer, van de weken van lijden tot het uur dat zijn ziel zijn gekwelde lichaam verlaat. Alles uit het eerste deel bekend, komt hier in vergrote, uiterste, bijna krankzinnige vorm terug; de ars moriendi lijkt hier tegen de hemel zelf geschreven te worden, over het hele Spaanse rijk. Al stierf in de ogen van de tijdgenoten in de eerste plaats de trouwe rooms-katholiek, die in zijn sterven gestalte gaf aan wat hij altijd had verdedigd in zijn strijd tegen de reformatie.

Niet minder indrukwekkend is de beschrijving van de 'nagedachtenis': overal worden missen gevierd, katafalken opgericht, duizenden missen had hij testamentair voor zichzelf beschikt. Een eeuwige gedachtenis was uiteraard geregeld. De grootheid werd voorbeeldig voor de kleineren, bijna iedereen. Filips' sterven wordt een symbool voor de doodscultuur van de Spanjaarden; hij zelf wordt de gelovige bij uitstek. De rituelen rond zijn dood lijken de geloofsgegevens erin uitgedrukt onweerlegbaar en onvergankelijk te maken. En de omvang van zijn sterven en naleven vergroot het aanzien - ik zou haast zeggen: de onsterfelijkheid - van de monarchie. De auteur spreekt van het 'koninklijk paradigma van de dood'. Filips' sterven wordt een model-dood voor alle anderen. Maar in zijn sterven en na-dood is hij even verheven boven de anderen als hij tijdens zijn leven als koning was. Toch krijgen in het perspectief van deze absolute dood pas alle testamenten uit het eerste deel hun ware gedaante: zij verraden, op verschillende hoogten, het ideaal dat op koninklijke wijze eenmaal werd bereikt. De kunst van het sterven werd één keer het defintieve en daardoor ook afstotende kunstwerk.

HET derde deel heeft de grootste heilige van de Spaanse zestiende eeuw als hoofdfiguur: Theresia van Avila. De dood was haar enige verlangen, want die maakte de vereniging met de Geliefde, die zij stervend in extase vele keren had beleefd, definitief. Het verhaal van haar sterven blijft ontroerend; in contrast met Filips' dood wordt het nog aangrijpender, want zuiverder en eenvoudiger. Haar dood bewijst haar grootheid, haar na-dood de kracht van de traditie en van de traditionele opvattingen van heiligheid. Na haar dood maakt zij de onverwoestbaarheid van de katholieke leer zichtbaar. Het conservatisme van de contra-reformatie krijgt in haar na-dood gestalte. De grote beelden van de hagiografie gaan bij haar opnieuw in vervulling: de onbederfelijkheid van haar lichaam, de verschijningen (altijd in dienst van de zuiverheid van de leer, vooral die van haar kloosterlingen), de kracht die van haar lichaam, de delen ervan, de zaken door haar in het leven aangeraakt, blijft uitgaan, de wonderen door haar bewerkt. Er is bij mijn weten geen heilige die de geur van heiligheid zo intens heeft verspreid als Theresia. De verschijnselen ervan bijeengezet werken licht komisch: de kloosters moeten welhaast gelucht worden, zo indringend is de geur. Alles wat de reformatie in de verering van de heiligen had gehekeld en verworpen, herhaalt zich op over-glorieuze wijze in de na-dood van Theresia, tot de onsmakelijkheden toe (het wegsnijden van lichaamsdelen, en het vlees blijkt zo zacht, o wonder, als meloen of kaas).

Maar alle uiterlijkheden waren tekens van Theresia's heiligheid en hemelsheid. En de wonderen rond haar lichaam werden voortekens van de verrijzenis der doden aan het einde der tijden. De gemeenschap tussen aarde en hemel, levenden en doden, lijkt in haar persoon en in haar voor vergaan behoed lichaam gesymboliseerd. In haar is de dood overwonnen. Het vagevuur is verdwenen. Alleen de hemel wenkt nog, even hier op aarde, definitief in de toekomst. En de onbederfelijkheid van het vlees wordt teken van de onbederfelijkheid van de leer. In alle uitersten rond haar na-dood kondigt zich niet alleen de barok aan (waar de geest zich altijd in uitersten van het lichaam uitdrukt), maar wordt ook de kracht van de traditionele leer, die zich in de barok zo uitbundig zal manifesteren, zichtbaar.

In dat derde deel, zoals trouwens ook in de twee vorige, tracht de auteur de mentaliteit van een gelovige gemeenschap, die uiteraard gevormd en beïnvloed wordt door kerk en geestelijkheid, gestalte te geven. Zijn hele boek is een mentaliteitsgeschiedenis: achter de zichtbaarheden, en daar horen uiteraard ook de rituelen bij, poogt hij de gelovige ideeën, in hun theologische en culturele vorm (en dat is misschien hetzelfde), te ontdekken. En daarin slaagt hij vaak wonderwel.

Die gelovige gemeenschap is een Spaanse. En die heeft veel gemeen met de hele gemeenschap van de katholieke kerk in de zestiende eeuw, en met die van de eeuwen ervoor en erna. Maar in intensiteit onderscheidt zij zich wellicht van de rest van Europa. Spaans is niet zozeer de centrale plaats van de dood - die hoorde in alle christelijk leven het centrum te zijn - als wel de intense beleving van die plaats, met grote en indrukwekkende uiterlijkheden als gevolg. Alleen in een land waar zeer wordt liefgehad, kan zo met de dood worden geleefd. En Theresia is een onvergetelijk voorbeeld. Wellicht zijn het vagevuur en de hele economie erom heen wel de grootste pogingen tot overwinning van de dood. En staat daardoor het vagevuur zo centraal bij de Madrilenen en hun Koning. In een hevigheid als in de Bourgondische landen in het herfsttij. Want aan de overdrijvingen in de doodscultuur uit die eindtijd doet veel in de Spaanse zestiende eeuw denken. En die was, volgens de auteur, ook een aflopend tijdvak. Waar een cultuur haar neergang beleeft, grijpt de dood de macht. Hem bestrijden lijkt de neergang te stoppen. Lijkt. Het is een illusie. En dat is deze schitterende studie tenslotte: het verhaal van een illusie. Maar een jaloers-makende.

Carlos M. N. Eire, From Madrid to Purgatory, The art and craft of dying in sixteenth-century Spain, Cambridge University Press, prijs ¿113,60.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden