Een Russische schrijver, ten prooi aan verwarring

De Russische schrijver Viktor Jerofejev werd vijf jaar geleden in één klap wereldberoemd toen van zijn hand een boek verscheen, dat werd aangeprezen als 'een explosieve cocktail van Seks, God en Literatuur', voorwaar een mengsel van stimulerende middelen, dat de lezer niet elke dag voorgezet krijgt....

Vassallucci liet geen middel onbeproefd om besprekers, literaire redacteuren en Adriaan van Dis - toen nog op de tv - ervan te overtuigen dat deze Jerofejev zo niet een nieuwe Tolstoj dan toch een tweede Nabokov was. En men trapte erin. Iedereen, ècht iedereen, zo begreep ik kort nadat Jerofejev op de beeldbuis zichtbaar was geweest, schafte zich Een schoonheid in Moskou of Een schoonheid uit Moskou aan, behalve ik en de twintig of dertig trouwe lezers om mij heen, die mij wekelijks op nog veel mooiere boeken wijzen.

Waarom lazen wij Een schoonheid in Moskou of Een schoonheid uit Moskou niet? Ik weet het niet. Misschien kwam het doordat wij niet van cocktails houden, ongeacht uit welke ingrediënten ze zijn samengesteld. Misschien had het iets te maken met een gedeelde afkeer van het verschijnsel hype in letterenland, dat je, denk ik, eenvoudigweg langs je kouwe kleren moet laten afglijden, zo lang het gezamenlijke uitgeversbedrijf daar tenminste niet een fatsoenlijk Nederlands woord voor heeft bedacht. En misschien, geef ik toe, waren wij wat bevooroordeeld, omdat van zoveel romans uit het huidige Rusland stelselmatig wordt beweerd dat ze 'meesterwerken' zijn en onder het communisme absoluut niet hadden kunnen verschijnen.

Inmiddels is Michel Vassallucci, die een brave borst was en een leuk type, een koopman in hart en nieren bovendien, ons ontvallen en is zijn erfenis overgegaan van Arena, zoals zijn door tweespalt getroffen bedrijf heette, naar de uitgeverij, die uit piëteit naar hem is vernoemd: Vassallucci.

Bij deze onderneming verscheen eind vorig jaar een nieuw boek van Jerofejev en uiteraard wordt er in de wervende teksten die deze uitgave begeleiden gebruik gemaakt van Een schoonheid in Moskou of Een schoonheid uit Moskou (de huidige uitgevers schijnen zèlf niet meer te weten hoe het boek oorspronkelijk heette): 'En nu is Jerofejev terug met een nog controversiëlere - en in enkele landen gecensureerde - roman: Het laatste oordeel.'

Na ampel overleg met mezelf besloot ik dit boek, 'nog controversiëler en in enkele landen gecensureerd', te gaan lezen, a. omdat er op dit ogenblik weinig nieuwe boeken zijn, b. omdat je een schrijver niet moet laten lijden onder je afkeer van de ronkende taal die sommige uitgevers zo ondoordacht bezigen en c. omdat er (misschien) uit het prachtige land van Sklovskij, Ejchenbaum, Chlebnikov, Boelgakov en Charitonov nog steeds belangrijke boeken komen, al lees je dan geen Russisch en ben je afhankelijk van een handvol hardwerkende vertalers, die hun tijd heus niet met waardeloze troep zullen verdoen.

Het laatste oordeel is een 'omvangrijke' roman van 334 pagina's, die gaat over een in één klap wereldberoemd geworden Russische schrijver, Sisin geheten, die zich de zoon van Jezus Christus waant en dientengevolge bij machte blijkt om vast te stellen dat de mensheid van de schepping een vuilnisbelt heeft gemaakt. Dat zuipt en boeleert maar; heel de wereld is - om met Jerofejev te spreken - een groot met zaadvlekken besmeurd matras en het ziet er niet naar uit dat het ooit nog goed zal komen.

Als Sisin op Honolulu dan ook zijn 'vader' ontmoet, die daar rustig zit te vissen, en zijn nood klaagt, veert Christus op en zegt: 'We doen het net als met de dinosaurussen

- een omlaag zeilende komeet - vijf miljard ton - als hij in de buurt van Madagascar tegen de aarde botst, komt er net zoveel energie vrij als bij de explosie van driehonderd miljoen waterstofbommen - de aardkorst wordt doorboord - er komt een uitbarsting van magma - een uitstoot van verdampte aardkorst in de atmosfeer -van vulkanische as en andere troep - er laait een wereldwijde brand op - er vallen zure regens - op de aarde -zei Christus fronsend - er breekt een lange, giftige nacht aan zonder leven - dat gaat te ver! - zei Sisin na enig stilzwijgen - uiteindelijk zijn mensen geen dinosaurussen. . .'

Sisin is meer voor een traditionele zondvloed, maar welk middel ook gekozen wordt, één ding staat vast: de mensheid dient te verdwijnen. Waarom dat moet, zal de lezer niet een, twee, drie begrijpen, omdat Sisin of zijn vriend en helper Zjoekov - die hem aan het eind van het boek vermoordt en ook weer niet, een beetje vreemd is dat wel - laat zien dat Sisin zich met waar genoegen in de vuiligheid wentelt, die de beroemde schrijver ook al in zijn gevierde roman - De eeuw van de kut geheten - heeft beschreven.

Zoals uit de geciteerde passage blijkt, is Het laatste oordeel één aaneenschakeling van (met liggende streepjes verbonden) zinnen, die heel associatief en springerig Sisins ervaringen in bed, in zijn jeugd en in de wereldsteden van deze tijd (ook in Amsterdam) trachten weer te geven.

Het meest wekt Het laatste oordeel nog de indruk aan de verwarring ontsproten te zijn, waaraan Jerofejev als Rus in het Westen ten prooi is gevallen na het onverwachte, fenomenale succes van zijn eerste roman.

Erg gegrepen was ik ten slotte niet en voorzover ik dit verwarde boek als prestatie bewonder, betrek ik Arie van der Ent minstens zozeer in mijn lof als de schrijver, want hij moet aan het vertalen van Het laatste oordeel zijn handen vol gehad hebben (Vassallucci, ¿ 49,90).

Bijna ongemerkt passeerde vorig jaar een roman, die ik door een tijdelijke afwezigheid pas veel later in handen kreeg, en die ik daarom nog niet signaleerde. Bij deze maak ik dat verzuim goed, niet omdat ik vind dat àlles maar doorgegeven moet worden, maar omdat het een heel bijzonder boek betreft. Het heet Op de rand van het verstand en het is geschreven door de Kroaat Miroslav Krleza. Het verscheen in 1968 voor het eerst in een (voortreffelijke) Nederlandse vertaling van L. van Vlijmen bij Unieboek, en het wordt nu opnieuw door Prometheus uitgebracht (hulde).

Op de rand van het verstand is het soort boek waaraan èlke waarachtige lezer zich, dunkt mij, gewonnen geeft. Het heeft de toonzetting van gepatenteerd woedende auteurs als Céline, maar het is ook, vind ik althans, op een bepaalde manier heel geestig, om niet te zeggen: af en toe bepaald krankzinnig (humor en een toets van waanzin, dàt is pas een cocktail, die je met genoegen tot op de bodem leegt).

Het begint ermee dat de verteller, een nette en bescheiden jurist, zich keert tegen de domheid, zoals u begrijpt een onuitputtelijk onderwerp. De verteller beseft dat hij er zelf niet vrij van is, wanneer hij ontdekt dat hem door zijn echtgenote, mevrouw Agnes, de hoorns zijn opgezet.

De kern van Op de rand van het verstand is dat onze verteller zich heeft voorgenomen te midden van alle leugens en gedraai om hem heen de waarheid te zeggen. En als dat de eerste keer, tamelijk onnadrukkelijk, bijna onbedoeld, gebeurt, barst de hel los. De verteller noemt tijdens een banket een snoevende groot-ondernemer (een Berlusconi avant-la-lettre), die er prat op gaat een paar arme sloebers in zijn tuin 'als honden' te hebben afgeknald, een moordenaar. Dat wordt een proces, met een juridisch steekspel van allure, en dat draait uit op een forse celstraf voor onze bestrijder van domheid, leugens en de in zijn kringen alomtegenwoordige verachting van 'gewone mensen'.

Afgaande op deze globale impressie zou men de indruk kunnen krijgen dat Op de rand van het verstand een ernstig geval van don-quichotterie is en dat is misschien ook wel zo, maar de manier waarop Krleza zijn verhaal in allerlei (politieke, sociale en kunstzinnige) richtingen laat uitdijen is niet alleen heel intelligent (en amusant), maar bepaald ook vol betekenis, zelfs in die mate, dat je het gevoel hebt dat het boek pas gisteren is geschreven en over ònze wereld gaat.

Maar dat is niet zo. Het boek verscheen, als ik het goed heb begrepen (de uitgever is karig met zijn inlichtingen) in 1962 onder de titel Na rubu pameti. Krleza leefde van 1893 tot 1981 en werd een van de belangrijkste auteurs in het voormalige Joegoslavië. In april verschijnt een tweede boek van zijn hand: De Kroatische god Mars. Wacht daar niet op, zou ik zeggen (Prometheus, ¿ 29,90).

Kristien Hemmerechts, die ik tot en met haar laatste boek, Veel vrouwen, af en toe een man, steeds meer begon te bewonderen - in tegenstelling tot de kritiek, die over haar laatste boek niet zo juichend was - heeft me met haar nieuwe verhalenbundel Kort kort lang - ben ik zo beïnvloedbaar? - wat teleurgesteld. Hemmerechts schrijft goed, zorgvuldig, dat staat buiten kijf, maar haar poging om in deze verhalen haar autobiografische kant wat meer te laten zien, sprak mij niet zo aan. Ik hou niet zo van 'het schrijven over je eigen leven', tenzij zulk schrijven geen doel op zichzelf is, maar een middel om in het algemeen iets te zeggen over onze zorgwekkende existentie.

In deze bundel lukt dat Hemmerechts maar een paar keer, bijvoorbeeld in het laatste verhaal, 'Een huwelijk', dat door die hebberige, zwijgende man verandert van een persoonlijk verslag over een mislukt huwelijk in een subtiele (en tamelijk onthutsende) peiling van de machtsverhouding tussen twee mensen die ooit van elkaar hielden (Atlas, ¿ 29,90).

Jorge Semprun, een van de schrijvers die we - net als Konrád - door het programma van Wim Kayzer beter hebben leren kennen, schreef een èchte autobiografie, dat wil zeggen dat hij zo waarheidsgetrouw mogelijk vertelt over feiten en gebeurtenissen, die bepalend zijn geweest voor zijn levensloop. Hij is in dit boek dus niet de romancier, die hij ook is. Hij gaat niet bij zijn verbeelding te rade, maar spreekt zijn al of niet gedocumenteerde herinnering aan om te vertellen wat hem als scholier in Den Haag (zoon van de Spaanse ambassadeur, die door Franco van zijn positie werd beroofd), als communistisch strijder, als gevangene in Buchenwald en als minister in de eerste socialistische regering na Franco overkomen is.

Maar het bloed kruipt, soms, waar het niet gaan kan. Dan zijn er bijna ongeloofwaardige (alleen in een roman voorstelbare) coïncidenties in zijn leven. En natuurlijk heeft hij het over Wim Kayzer (en over Tocqueville). Het boek werd vertaald door Ineke Mertens, en dat levert, vergeleken bij Sempruns andere boeken, niet altijd even vlot lopende zinnen op (Ambo, ¿ 39,90).

Marie Ndiaye, die mij (en haar vertaalster Jeanne Holierhoek) inpalmde met Lieve familie, schreef een kleine roman, De tijd van het jaar, die verrassend begint (De Geus, ¿ 29,90). Een Parijse leraar, op vakantie in een toeristenoord, is op de dag dat het gezin weer naar huis moet, zijn vrouw en kind kwijt. Als hij op zoek gaat, slaat het weer om: het regenseizoen is begonnen. Dat lijkt onschuldig, maar Ndiaye (1967), dochter van een Franse moeder en een Senegalese vader, hoeft maar een paar manoeuvres met haar pen uit te voeren, of je voelt de adem van Kafka in je nek.

De leraar, die het pas nog zo zonnige plaatsje snel ziet versomberen, slaagt er niet in te achterhalen waar zijn vrouw en kind zijn gebleven. Als hij na heel veel inspanningen de Hoogste Autoriteit (de burgemeester van het dorp) ten slotte zijn zorgen mag voorleggen, ontmoet hij slechts onbegrip. Niets is meer zoals het behoort te zijn. Alles wordt onwerkelijk, maar tegen het eind. . . nu ja, een fragiel boekje als dit moet je niet al te hardhandig dichtslaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden