Een psalterium als denkbeeldig boek

HET geluk van de mogelijkheden. Misschien is dat in de kunstgeschiedenis het grootst, want daar wil men altijd het verhaal doorlopend maken....

KEES FENS

Wat een geluk moet het zijn een verhaal van dergelijke verbanden te schrijven, want het is al een groot geluk het te lezen. En dat laatste vooral door de zeer grote eruditie die voor het scheppen van de mogelijkheden nodig is en door het vernuft dat de mogelijke samenhang voorlopig overtuigend maakt. Want alles is natuurlijk voorlopig; het wacht op de volgende hypothese, die tot andere vergelijkingen leidt. Het geluksgevoel bereikt hierdoor zijn hoogtepunt: de schitterende constructies en reconstructies maken het kunstwerk dat centraal staat steeds unieker. Waarmee het tegenovergestelde van het beoogde wordt bereikt. Maar intussen zijn wij natuurlijk wel een heleboel feiten over andere kunstwerken te weten gekomen. En dat brengt het geluk tot de top.

In het hart van een tentoonstelling in het Utrechtse Catherijneconvent ligt het Utrechts Psalterium. Het is in de context van andere manuscripten geplaatst. Er is over de expositie uitvoerig geschreven, ook in deze krant. Met bewondering, want het gaat hier om een van de twee mooiste boeken van de middeleeuwen. Het tweede is natuurlijk het Book of Kells, dat een evangelieboek is. Bij de tentoonstelling verscheen een monumentaal boek, The Utrecht Psalter in Medieval Art. Picturing the Psalms of David, is de ondertitel ervan. Het is een zeer gelukkig makend boek, niet het minst om de vele vermoedens die door de zeer erudiete medewerkers worden geuit. Maar ook om de schat aan feiten die wordt aangedragen, waardoor de lezer zich op de laatste bladzijde een psalteratus meent en dat is het middeleeuwse equivalent voor litteratus, want het psalmenboek was gebeden- en leerboek tegelijk: de scholier van de kloosterschool begon zijn vorming met het leren lezen van de psalmen.

Het zal nooit eerder en later zijn voorgekomen dat het eerste boek ook het laatste blijft. Augustinus stierf met op de muur tegenover hem de zeven boetpsalmen; Franciscus reciteerde stervend een psalm, - in bijna alle middeleeuwse hagiografieën heeft het psalterium het laatste woord. De monniken moesten het ook uit het hoofd leren en wie ooit middeleeuwse theologische of mystieke verhandelingen heeft gelezen, weet hoe de auteurs ervan uit gaan dat de kleinste toespeling op een psalmregel wordt begrepen. De psalmen zijn het grondweefsel van bijna de hele oude christelijke literatuur.

Het Utrechts Psalterium is een kunstwerk, vanwege de 166 tekeningen die de psalmen illustreren en die algemeen als de hoogste uiting van middeleeuwse tekenkunst worden beschouwd. Het kunstkarakter kan die tekeningen gemakkelijk abstraheren; ze worden buiten de functie van het geheel van het psalmenboek beschouwd, want het tekenplezier moge evident (en zeer aanstekelijk) zijn, de hand van de tekenaar(s) werd geleid: hun tekenen is een voorgeschreven of traditionele vorm van lezen. Toen het handschrift in de negende eeuw in het Benedictijnerklooster van Hautvillers bij Reims werd gemaakt, hadden de psalmen al een lange interpretatiegeschiedenis achter zich; die begon in het Nieuwe Testament. Daarin gingen de woorden uit de psalmen voortdurend in vervulling, zoals de hele joodse schrift de verborgen voorgeschiedenis van de nieuwe tijd was: in het licht van het nieuwe werd de werkelijke betekenis van het oude zichtbaar. De grote psalmcommentaren, van Augustinus en Cassiodorus, waren welhaast canoniek. (Wie Augustinus' wijze van omgaan met de psalmen wil leren kennen, leze zijn zojuist vertaalde commentaar op de in de Latijnse telling 118de psalm; het is een meesterwerk van literaire interpretatiekunst). Het interpreteren van het Oude naar het Nieuwse Testament toe, noemt men de typologische lezing en dat was, naast de letterlijke en toegepaste manier van lezen de algemene wijze van lezen in de kerk. Opvallend is het daarom, dat de tekeningen in het Utrechtse Psalterium de psalmteksten veelal alleen letterlijk nemen: ze kiezen voor de ene laag. Men kan dat uiteraard verklaren vanuit de toenmalige omgang met de psalmen, maar dan blijft men in vermoedens steken en die zijn weinig steekhoudend; de drievoudige lezing was al een grote traditie.

M EN kan ook denken - een andere mogelijkheid - dat gezien de aard van het beeldende werk, slechts één keuze mogelijk was. En dan ligt de letterlijke voor de hand. Men bleef bij de tekst. Dat overigens sommige zeer vertrouwde en ook gemakkelijk te illustreren typologische lezingen ontbreken, blijft verwonderlijk.

Het misschien mooiste gedeelte uit het tweede en uitvoerigste hoofdstuk uit het boek - het hoofdstuk werd geschreven door Koert van der Horst - is dat, waarin enkele psalmen in de Latijnse tekst (met een Engelse vertaling uiteraard) staan afgedrukt, met daarin vet die delen die in de tekening verbeeld zijn. Je leest mee met de tekenaars en onderkent ook wat hun onmogelijk geweest moet zijn. Psalm 8 begint met de regel: 'Heer, onze Heer, hoe wonderbaarlijk is uw naam over de hele aarde.' Dat is te abstract om te verbeelden. Het vervolg van het vers luidt: 'Want uw heerlijkheid is boven alle hemelen verheven.' Boven in de tekening ziet men Christus in een amandelvormig aureool. We krijgen dus een typologische interpretatie: de Heer is Christus. Voor mij is de vraag of door de hoge plaatsing van het beeld van Christus, ook niet de eerste regel is verbeeld. Ik vraag me trouwens meer af. Beroemd uit die psalm is de passage: 'Want als ik de hemelen zie, het werk van uw vingers, de maan en de sterren die U hebt gegrondvest/ wat is dan de mens dat U aan hem denkt?' Alleen 'maan en sterren' zijn vetgedrukt. Maar de menselijke figuur, misschien de psalmist, die opkijkt naar Christus, ziet ook de maan en de sterren. En zo komt 'de mens' uit de psalm, denk ik ook in beeld. En de vraag wordt in de tekening gesteld bijna retorisch!

Het hoofdstuk door Van der Horst beschrijft alles over het psalterium. De geschiedenis van het handschrift, met veel gaten en dus vermoedens, tot het in 1716 in de bibliotheek van de universiteit van Utrecht tot rust komt. De soorten psalteria; het Utrechtse was niet voor de eredienst bestemd (wat de auteur in 1984 in het boek Handschriften en Oude Drukken van de Utrechtste Universiteitsbibliotheek nog als mogelijkheid aangaf), hoewel men dan met de toegevoegde en alleen in de liturgie gebruikte 'cantica' een beetje blijft zitten. Uitvoerig beschreven wordt de mogelijke ontstaansgeschiedenis van het handschrift: een schitterdende reconstructie vanuit de vorm van het boek. De aard van de illustaties wordt behandeld, hun mogelijke functie, waarin wordt ingegaan op de mogelijkheid dat de illustraties een memotechnische functie hadden: het beeld hielp de tekst in het geheugen geroepen. Ik acht het mooi gevonden, maar tekst en tekening stonden vlak bij elkaar! En men kende bovendien de psalmen meestal van buiten. 'The art of memory' behoefde hier niet beoefend te worden.

Misschien de mooiste vraag die Van der Horst zich stelt: zijn de tekeningen onvoltooid en hadden ze nog gekleurd moeten worden. Is wat wij nu zien dan het schetsboek? Ik zou hier bijna met een gelukkig klinkende ontkenning op antwoorden; de tekeningen zouden veel traditioneler zijn geworden, minder 'modern' ook en misschien ook minder terugverwijzend naar de klassieke oudheid. We hebben nu handschrift bij handschrift en de volmaaktheid van het wellicht onvoltooide. Maar mijn enthousiasme kan alles te maken hebben met mijn voorkeur voor de tekening boven het afgeronde schilderij.

DE negende eeuw is de eeuw van het boek genoemd. Het meest kwetsbare is ons uit die tijd het best overgeleverd. De bloei van het boek heeft alles te maken met wat de Karolingische Renaissance is gaan heten. En dat is een tijdperk van centralisatie en ordening op alle levensterreinen en die ordening, die ook tot uniformiteit in kerk en maatschappij, in de taal ook, moest leiden, behoefde boeken. En de beste. En vooral de kloosters werden aan het werk gezet om de boeken te maken; het 'preken met de handen' lijkt in deze tijd volop begonnen. Maar ook lekeschrijvers en hofbeambten namen aan het productieproces deel. En van overal werden de beste handschriften ter kopiëring gehaald.

Karel de Grote is legendarisch geworden om zijn leergierigheid. In het mooie eerste hoofdstuk, The Historical Context: Carolingian

Wealth, Faith and Culture van Rosamond McKitterick, krijgt men een uitstekend beeld van die eeuw van het boek, van de hele beschaving, waarin kerk en staat samenwerkten, trouwens. Het mooist en veelzeggendst vond ik de reconstructie van de bibliotheek van Graaf Eberhardt van Friuli. Hij leefde in het midden van de negende eeuw: hij bezat liturgische boeken, waaronder een evangelieboek, een lectionarium (met de evangelieteksten voor het liturgisch jaar), een missaal met commentaar, een antiphonarium, een psalterium. Daarbij een reeks wetenschappelijke boeken en devotiewerken. En hij is niet uitzonderlijk. Figuren als Lodewijk de Vrome en Karel de Kale, die een grote interesse in boeken hadden, krijgen hun context. En Lodewijk of diens tweede vrouw zou degene zijn die met het Utrechtse Psalterium begiftigd werd. Maar de opdracht tot het maken ervan kwam van de bisschop van Reims, Ebbo genaamd. (Er lopen vrij ingewikkelde lijnen van David, de koning en de dichter van de psalmen, naar de vorsten, zoals vele miniaturen kunnen uitwijzen). Zo'n tijd moest wel een uitzonderlijk boek als het Utrechts Psalterium opleveren. Het is het waard, dat de hele geschiedenis van het Karolingische Rijk wordt opgeroepen rond dat ene boek.

WAAR komt het Utrechts Psalterium vandaan? Met het antwoord op die vraag begint het spel van de mogelijkheden en dus van de vergelijkingen. Er lijken relaties met Byzantijnse psalteria te bestaan, overeenkomsten met een bepaald psalterium worden aangewezen, maar het blijft bij vermoedens. En slimme reconstructies, in dit geval van Kathleen Corrigan, in het derde hoofdstuk. Wie de overeenkomsten heeft gelezen, ontdekt ook altijd meteen de verschillen!

In het vierde hoofdstuk wordt de handschriftenwereld van Reims opgeroepen. Daarbij worden door Florentine Mütterich, die heel veel over de Karolingische boekkunst heeft geschreven, vele handschriften geanalyseerd. Totdat ze, dunkt mij, toch het Utrechts Psalterium overhoudt: het blijft uitzonderlijk. En waar ook in de andere stukken pogingen tot verbanden met andere handschriften uit dezelfde tijd worden gedaan, gebeurt hetzelfde. Zelden zal zoveel geschiedenis zijn geschreven om één boek aan de geschiedenis te laten ontsnappen.

Het Utrechts Psalterium kwam in de elfde eeuw terecht in de abdij van Canterbury. Hoe, dat is onduidelijk. Maar het is niet zonder gevolgen gebleven. Zeker twee in die abdij geschreven psalteria zijn onder invloed van het Utrechts Psalterium ontstaan. William Noel doet daarvan uitvoerig en gedetailleerd verslag in het laatste hoofdstuk van het boek. De twee behandelde handschriften hebben een ander karakter; het zijn typisch studiepsalteria, met twee andere Latijnse vertalingen naast de hoofdtekst geplaatst. Maar het gaat uiteraard om de illustraties. En daarin kan men continuïteit en vernieuwing vaststellen. En de laatste is het gevolg hiervan: twee eeuwen na het ontstaan van het Utrechts Psalterium worden de psalmen anders gelezen. Wat tot andere accenten in de lezing en dus in de tekening ervan leidt. De hand van de illustratoren wordt door een andere leer geleid.

De vergelijkingen door de auteur beschreven, zijn vaak fascinerend: twee verschillende cultuur- en theologische werelden worden zichtbaar. En toch. Is de vergelijking van de drie zelf niet een schitterende hypothese? Een prachtige, maar ook een enigszins gewenste mogelijkheid? Stellen wij ons historische situaties vaak niet te ideaal voor, zodat een sluitend verhaal mogelijk is? Een ideale mogelijkheid is bijvoorbeeld de hoogschatting in Canterbury van het manuscript uit Hautvillers. De aanwezigheid zegt niets over de waardering. En vele gelijkenissen zijn schijngelijkenissen, want onderdelen van een grotere traditie.

Vanuit Canterbury kwam het manuscript - Hoe? Langs welke weg? In elk geval moet de opheffing van de kloosters door Hendrik VIII ermee te maken hebben - in de handen van een groot verzamelaar, Robert Cotton. Van hem kreeg het handschrift ook zijn eerste vaste bibliotheekplaats en die werd in het boek ingeschreven: 'Claudius. C. 7'. Cotton had zijn bezit geordend in kasten. Elke kast, zes of zeven planken groot, was genoemd naar de Romeinse keizer wiens borstbeeld erop stond. Het Utrechts Psalterium stond onder Claudius, op de derde plank ('C') en was daar het zevende boek. Dat vind ik prachtig om te weten.

Ik heb het boek uit. Ik weet alles over dat ene boek dat tot het schrijven van zoveel andere boeken - want het Utrechts Psalterium is een der meest becommentarieerde handschriften - heeft geleid. Het handschrift blijft een raadsel. De hele geschiedenis zou door iemand als Borges verzonnen kunnen zijn. Het boek lijkt fictie. En dat wordt het ook, want na de tentoonstelling verdwijnt het in de kluis. Voor altijd en eeuwig. 'Per diem sol non uret te, neque luna per noctem', overdag zal de zon u niet verbranden en de maan niet in de nacht. En zo wordt een psalmtekst nog één keer vervuld.

The Utrecht Psalter in Medieval Art, Picturing the Psalms, Edited by Koert van der Horst, William Noel, Wilhelmina C. M. Wüstefeld, Hes Publishers, ¿ 69,50.

Aurelius Augustinus, Commentaar op Psalm 118/119, Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door T. J. van Bavel o.s.a., Ambo Klassiek, ¿ 49,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden