Een prachtig, vriendelijk en vrolijk vogeltje

Beestje van de Week

De tapuiten zijn weer in aantocht, die prachtige, vriendelijke en vrolijke beestjes die van alle zangvogels de grootste afstanden afleggen. Maar veel zullen het er niet zijn, zegt Herman van Oosten, die zich zorgen maakt over het lichtpuntje van de duinen.

`Straks lijkt het weer even of er veel tapuiten zijn in Nederland. Maar het zijn bijna allemaal doortrekkers.' Beeld Anne Geene

'Hij heeft eigenlijk alles mee. Zijn keeltje, om te beginnen. Dat fluweelachtige, subtiele, geel-beige keeltje. En dat zwarte jasje en die mooie tekening van de staart, een omgekeerde T-vorm, goed te zien als hij vliegt. Een prachtig, vriendelijk en vrolijk vogeltje, zo lijkt het althans. De meeste zangvogels zijn niet zo zichtbaar, maar de tapuit, dat is een lichtpuntje in de duinen, je ziet hem van verre, vaak zingend, boven in een struik.

'Je kunt wel zeggen: iedereen houdt van de tapuit. Dat komt ook door die zang. Hij knarst en piept. Ik heb er urenlange opnamen van, het is fantastisch. Hij kan met zichzelf een canon zingen, je kunt dat zichtbaar maken op een sonogram, dan zie je gewoon dat hij twee deuntjes door elkaar zingt.

'Als trekvogel dwingt hij bewondering af omdat hij enorme afstanden aflegt; van alle zangvogels vliegt hij het verst. Alle tapuitsoorten overwinteren in Afrika, ook onze tapuit, in de Sahel komen in de winter miljoenen tapuiten bij elkaar. Onze tapuit had zijn broedgebied lang geleden vermoedelijk rond de Middellandse Zee, maar hij heeft ooit besloten over de hele wereld te gaan broeden, tot aan Alaska en het westen van Canada toe. En het bizarre is: ze overwinteren nog steeds allemaal in Afrika. Je denkt dan: in India is het ook fijn, en Mexico is ook lekker warm en kort begroeid, maar nee: ieder najaar vliegen ze weer allemaal naar Afrika.

Tapuit (Oenanthe oenanthe)

Leefgebied
Duinen, grassteppe, heide, hoogveen. In Nederland vooral nog in de duinen en in het binnenland op droge heiden en stuifzand.

Voedsel
Insecten: kevers, rupsen, spinnen en sprinkhanen.

 Uitsterven

'Straks, in april en mei, dan lijkt het weer even of er veel tapuiten zijn in Nederland. Maar schijn bedriegt: het zijn bijna allemaal doortrekkers. De realiteit is: dit prachtige vogeltje komt hier als broedvogel bijna niet meer voor. Nog niet zo lang geleden leefde hij overal, in agrarisch gebied, op de heide, in de duinen. Op het platteland is hij weg, op de Veluwe is hij verdwenen, overal eigenlijk, op een paar plekken in de duinen na, en een populatie op het Aekingerzand in Drenthe en Friesland. Geïsoleerde populaties, er is geen uitwisseling. In totaal zijn er misschien nog tweehonderd broedpaartjes over. De tragische waarheid is dat deze karakteristieke soort van de duinen, waar al zoveel zangvogels zijn verdwenen, hier op de rand van uitsterven staat.

'We zijn natuurlijk gaan onderzoeken hoe dat komt. Want het gevoel werd breed gedeeld: nee, de tapuit mag niet uitsterven. Maar dan moet je eerst weten wat er aan de hand is. Zelf loop ik nu al jaren rond in de duinen bij Castricum. Daar waren vorig jaar nog zeven paartjes over. Ik ring daar jonge vogels, ik kijk naar het terreingebruik en naar het broedsucces. En ik doe, omdat ik toch in het veld ben, aan nestbescherming; kippengaas over het hol spannen, om predatie door vossen te voorkomen, het is zo gebeurd. Vossenpredatie is normaal, maar als een populatie al aan een zijden draadje hangt, kan het fataal zijn. In Egmond is onlangs het laatste nest opgegeten. Dat was een treurige gebeurtenis, ik was er net te laat bij.

'Het zou makkelijk zijn als je één oorzaak zou kunnen aanwijzen voor de grootschalige uitsterving. Maar zo ligt het niet. Het staat wel vast dat de achteruitgang is begonnen met de vergrassing van de duinen, vanwege de stikstofdepositie, sinds de jaren zeventig. De tapuit is wat je noemt een rankbenige, hij heeft grote voeten en ranke pootjes, hij is gemaakt om door het veld te rennen, op zoek naar voedsel, insecten. Maar als het gras te hoog staat kan hij, letterlijk, niet uit de voeten. Vroeger hielden konijnen de vegetatie laag, op de hogere zandgronden en in de duinen. Tapuiten broeden ook, als het even kan, in konijnenholen. De levens van konijnen en tapuiten zijn dus nauw met elkaar verbonden, zo is het idee. Sinds het begin van de jaren negentig is de konijnenstand gekelderd, vanwege ziektes, en de afname van tapuiten gaat gelijk op.

Plaatstrouw

'Toch is er iets eigenaardigs aan de hand. Waar de konijnenstand weer toeneemt, komt de tapuit niet terug. Vermoedelijk speelt er dus nog iets anders. Slechts 80 procent van de eieren komt uit, tapuiten brengen gemiddeld 3,3 jongen groot, vaak in twee legsels per jaar. Dat is heel weinig. Aan het voedselaanbod ligt het vermoedelijk niet, er sterven eigenlijk nooit jongen van de honger. Predatie speelt wel een rol. En in nogal wat eieren vonden we dode jongen met afwijkingen die karakteristiek zijn voor gifstoffen. Een erfenis van het verleden, van de industrie. Het kan zijn dat dioxines die insecten in de bodem opnemen, zich opstapelen in tapuiten. Hierover krijgen we snel uitsluitsel.

'Maar het grote probleem is dat er geen uitwisseling meer is tussen de verschillende populaties. Ze liggen ver uit elkaar, en de overgebleven tapuiten zijn heel plaatstrouw. Het is vaak zo dat vogels, als de kwaliteit van het landschap afneemt, zich eerst verspreiden, op zoek naar beter gebied. Maar als de krimp nog verder gaat, worden ze juist heel plaatstrouw, dan kiezen ze voor veiligheid. Dat stadium is nu misschien bereikt.

'Dus zitten we nu met gebieden die in principe weer geschikt zijn voor de tapuit, maar hij komt er niet snel. Dan kun je eigenlijk niets anders doen dan nesten beschermen en aangrenzende gebieden geschikter maken, zodat populaties langzaam maar zeker naar elkaar kunnen opschuiven.

'De eerste tapuiten komen, schat ik, over een week weer uit Afrika terug. Dat wordt heel spannend. Vier jaar geleden waren er nog 24 paartjes in mijn onderzoeksgebied, vorig jaar waren het er 7. De toestand is penibel. Ik heb een band met die tapuiten, ik herken ze ook aan hun kleurringen, en ik maak me dus grote zorgen.'

Herman van Oosten (36) is bioloog en werkt bij Oenanthe Ecologie/ Stichting Biosfeer. Hij promoveert 2 april aan de Stichting Bargerveen/Radboud Universiteit Nijmegen op het proefschrift: On the brink of extinction; Biology and conservation of Northern Wheatears in the Netherlands.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.