Een plek waar toeristen huilen

In de Joodse wijk van Praag ligt de angst nog altijd opde loer. Toch worden Wil Thijssen en fotograaf Martijn Hol uitgenodigd voor een koosjere zuurkool-lunch....

‘Kafka leeft hier nog volop’, zegt stadsgids Zuzana Nováková over de dode schrijver, terwijl ze langs diens geboortehuis op het Franze Kafkyplein loopt. ‘Onze hele samenleving is kafkaësk. De frustrerende bureaucratie waarover hij schrijft, ervaren wij hier in Tsjechië nog dagelijks.’

Dat blijkt als er een formulier nodig is om de synagogen in de Joodse wijk van Praag te mogen fotograferen. Zuzana moet zich met verslaggever en fotograaf melden bij mevrouw Holekova in het Joods museum aan de U Stare Skolystraat. Het Joods museum lijkt niet op een museum, maar op een communistisch kantoorgebouw met een camera bij de deurbel, op de begane grond slechts een liftdeur, en op de bovenverdiepingen werkkamers met naambordjes op de deuren.

Achter glas bij de ingang zit Maria, die het gezelschap argwanend in zich opneemt. Maria heeft geen haast. Ze kijkt en zucht en vraagt naar namen, adressen, werkgevers en perskaarten, en controleert met strenge handbewegingen de meegebrachte fotoapparatuur. Dan verleent ze met frisse tegenzin toegang tot de lift die voert naar mevrouw Holekova – de autoriteit die bepaalt wie welke foto’s van de Joodse rudimenten in deze Praagse wijk publiceert.

Mevrouw Holekova is amper ouder dan een jaar of 20. Ze verstrekt het formulier, zet er data, handtekeningen en een stempel op, en benadrukt dat publicatie alleen mag plaatsvinden wanneer expliciet wordt vermeld dat foto’s met haar toestemming zijn genomen. Een tweede formulier is nodig, zegt ze. Dat is te verkrijgen bij mevrouw Bekova in het Joodse raadhuis, aan de Maiselovastraat.

‘Ik had je gewaarschuwd’, zegt Zuzana verontschuldigend, als ze met haar gezelschap ruim anderhalf uur later weer buiten staat.

De Maiselovastraat is een aaneenschakeling van statige panden waarin chique winkels zijn gevestigd. Daarvoor is de Joodse wijk, Josefov, aan het eind van de 19de eeuw afgebroken, nadat in 1893 de Saneringswet was aangenomen. De wet schreef voor dat de smalle, vuile straten, donkere gangen en overvolle huizen naar Parijs’ voorbeeld zouden worden gerenoveerd. Alle steegjes werden geruimd, de Joodse huizen met de grond gelijkgemaakt, ‘alles moest wijken voor deze mooie buurt’, zegt Zuzana. ‘Gelukkig was het geld op een gegeven moment op, waardoor sommige monumenten gespaard zijn gebleven.’

De historische panden zitten verborgen tussen art nouveau-nieuwbouw en neonreclame. Wat van de rijke Joodse geschiedenis nog zichtbaar is zijn zes synagogen – waarvan de oudste uit de 13de eeuw stamt –, het Joodse raadhuis, een pand van de begrafenisbroederschap, een museum en een begraafplaats van bijna vijf eeuwen oud, waar op een klein oppervlak honderdduizend mensen in twaalf lagen opeengestapeld liggen begraven.

Voor het Joodse raadhuis staan drie politieagenten met mitrailleurs, die beurtelings het raadhuis en de Oud-Nieuwsynagoge om de hoek – de oudste van Europa – van antisemitische aanslagen moeten vrijwaren. Een jongeman met een jack vol doodshoofden voor de deur van het raadhuis is ronduit onvriendelijk. Hij laat Zuzana talloze malen herhalen wat ze komt doen, weigert de uitgestoken handen te schudden en verleent ten slotte alleen de gids toegang tot het pand.

Als Zuzana met een tweede formulier vol stempels naar buiten komt, neemt ze haar gasten mee naar de Pinkas Synagoge uit 1535, enkele straten verderop. Voor een tourniquet staat een rij toeristen die een toegangskaartje kopen. De Pinkas Synagoge is sinds 1954 geen gebedshuis meer, maar een herinneringsmonument voor alle Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog in concentratiekampen zijn omgekomen.

Eigenlijk is het hele bouwwerk één grote grafsteen. Aan weerszijden van het altaar zijn de namen geschilderd van de 24 grootste concentratie- en vernietigingskampen van het naziregime. De namen van 77.297 omgekomen Joden uit Bohemen en Moravië zijn met hun geboorte- en overlijdensdatum in alfabetische volgorde op alle binnenmuren gekalligrafeerd. Op de bovenverdieping hangen aangrijpende tekeningen van kinderen die in Theresiënstadt verbleven.

‘Dit is een plek waar toeristen huilen’, zegt Zuzana. ‘Hier komen bezoekers uit West-Europa, Canada, de Verenigde Staten, speciaal om te rouwen.’

In de synagoge is het doodstil, op de muziek van Joodse treurzang na. Soms leest een acteur alle namen op – die doet er gemiddeld drie dagen over. Zuzana wijst op een naam midden op de muur in de voormalige gebedsruimte en fluistert: ‘Dat is mijn familie.’

De achterdeur voert naar de Joodse begraafplaats. Het is een van de drukst bezochte plekken in Praag, niet in de laatste plaats omdat het een oase van rust is in de drukke, statige stad. Hier liggen bekende Joden als Jehoeda Löw en Mordechai Maisel begraven. Het pad tussen de schots en scheve grafstenen mondt uit bij de stoep voor de Klausensynagoge en het pand van de begrafenisbroederschap. Het smalle straatje, U Starého Hrbitova, is het hart van de Joodse wijk. Het staat vol stalletjes waar tora’s, sieraden, keppeltjes en Joodse souvenirs worden verkocht. Uit een luidspreker klinkt Joodse muziek, een straatmuzikant draait aan een orgeltje.

Op de hoek met de Maiselovastraat, aan de hoekgevel van het Joodse raadhuis, hangen twee klokken. De bovenste heeft Romeinse cijfers, de onderste heeft een Hebreeuwse wijzerplaat waarvan de wijzers achteruitlopen. ‘Deze klok symboliseert de geschiedenis, zij brengt je terug in de tijd’, zegt Michal van der Laan, een Nederlander die in Praag woont, en net als Zuzana af en toe als stadsgids fungeert. Terwijl hij de huiveringwekkende geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Praag vertelt, trekt plotseling een kleine, oude vrouw aan zijn mouw. ‘Ik ben Joodse’, zegt ze ongevraagd. ‘Ik zal jullie alles vertellen.’ Ze gaat zitten op een bankje en vertelt. Over de 120 duizend Joden die tot de Tweede Wereldoorlog in Tsjechië woonden, van wie de meesten in Praag, en van wie er in de hoofdstad nog zo’n duizend over zijn. Over haar dorp, Podivin, waar 350 van de 3.500 inwoners Joods waren – ‘één op de tien’ – van wie na de oorlog niemand is teruggekeerd. Over haar familie, ‘we waren met z’n zessen’, die allemaal, op haar, Grete, na, Theresiënstadt niet hebben overleefd. Over haar verdriet, waardoor ze het nog steeds moeilijk vindt met haar kleinzoons over haar vermiste familie te praten.

Grete Pacovská wordt deze maand 89 jaar. Ze is een pittige dame met roodgeverfd haar en vuurrood gestifte lippen. Ze tafeltennist nog steeds – ‘ik heb in 1985 nog een toernooi gewonnen’ – en reist geregeld naar het buitenland, waar ze haar geschiedenis overbrengt op de jeugd.

Haar gebaren worden heftiger, feller. Ze vertelt hoe beroerd de leefomstandigheden in Theresiënstadt waren, hoe haar barak in een ontluizingsstation werd getransformeerd. Hoe ze aan de dood ontsnapte dankzij haar huwelijk, in het vernietigingskamp, met een Joodse chemicus die de Duitse bezetters van zijn academische kennis voorzag. En hoe ze nu op scholen, zowel binnen Europa als in de VS, het verhaal vertelt om de geschiedenis te eren, ‘om haar nooit te vergeten’.

Dan doet ze alle ongastvrijheid en bureaucratie tot dusver teniet. Grete is onderweg naar de lunch in het raadhuis, en nodigt haar gehoor van harte uit om mee te eten. Enkele minuten later doet de jongen-met-het-doodshoofdjack verbaasd de deur van het statige pand voor haar open, en schudt hij schoorvoetend de handen van Gretes gevolg, dat triomfantelijk de witmarmeren hal betreedt.

Het Joodse raadhuis is een 16de-eeuws gebouw dat in rococostijl is gerestaureerd. Hoewel er nog steeds een bestuur van de Joodse gemeente is gehuisvest, fungeert het tegenwoordig vooral als gemeenschapscentrum. Aan de hoge, marmeren hal grenst de eetzaal, waar zo’n vijftig Joden met keppeltjes en kleine kinderen koosjere zuurkool eten met aardappelpannekoeken.

Tijdens de lunch excuseert Grete zich voor het botte gedrag van de portier, voor de gewapende agenten en de bureaucratie. ‘Je moet je realiseren dat hier vorig jaar nog een mislukte aanslag was’, zegt ze. ‘Deze wijk heeft een geschiedenis van pogroms en antisemitische demonstraties. De angst zit ons in het bloed, die hoort bij onze geschiedenis.’ Ironisch: ‘Die krijgen we er gratis bij.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden