Een pleidooi voor een verloren zaak

Indammen van politieke risico's, consensus, is voor Paars het hoogste goed. Volgens Willem de Bruin ondermijnt de nadruk op het particuliere en de verslonzing van het publieke domein de democratie....

HET wil niet meer met Paars. Doelloosheid en besluiteloosheid zijn troef. Waar de inrichting van Nederland dringend vraagt om een strakke regie, is de verdeling van de schaarse ruimte steeds meer het voorwerp geworden van economische belangenstrijd. De regels voor een doorzichtige en controleerbare besluitvorming worden daarbij (Schiphol) niet zelden geweld aan gedaan.

Van Srebrenica tot Victory Boogie Woogie is er sprake van een mengeling van arrogantie en achteloosheid, van het uit de weg gaan van politieke verantwoordelijkheid. Het parlement staat erbij en kijkt ernaar. Het indammen van politieke risico's geniet ook onder Paars een hogere prioriteit dan het controleren van de regering, de lofzang op het dualisme ten spijt.

Nederland verslonst, zo consteert minister Van Boxtel in NRC Handelsblad van 29 december. Dat geldt ook voor het bestuur, kan men daar aan toevoegen. Nu de markt tot in alle hoeken van de samenleving zijn invloed doet gelden, van sociale zekerheid tot openbaar vervoer, van universiteit tot musea, van voetbal tot omroep, kan de vraag wie zich nog bekommert om de publieke zaak, met evenveel recht aan de politiek worden gesteld.

Het afgelopen decennium zijn veel taken van de staat overgenomen door de markt. Daardoor kan de indruk ontstaan dat het particulier belang voortaan samenvalt met het algemeen belang. Zeker, het algemeen belang is een politiek bepaald begrip dat zich moeilijk laat afbakenen. Kok is er ongetwijfeld heilig van overtuigd dat wat goed is voor Schiphol, goed is voor Nederland. De Betuwelijn idem dito. Werk, werk en nog eens werk, hoe kan de publieke zaak beter worden gediend?

Veeleer echter is het beleid symptomatisch voor een overheid die het zicht op zijn taken kwijt is, en zich in het tijdperk van de ontideologisering door niets meer weet geleid en daarom maar voortgaat op de eenmaal ingeslagen weg. Zoals minister Pronk het in een interview met de Volkskrant (24 december) uitdrukte: 'De verbeelding is achter de horizon verdwenen.'

Wat nog op de agenda staat is vooral meer van hetzelfde. Meer wegen, vliegvelden, spoorlijnen, zeehavens. Paars bouwt gestaag door aan de toekomst, al heeft het er veel weg van dat men zelf ook niet meer zo goed weet hoe die toekomst er uit ziet. De angst de boot te missen in de Europese concurrentieslag lijkt een minstens zo belangrijke drijfveer, als de veronderstelling dat Schiphol en de Betuwelijn onmisbaar zijn voor onze welvaart.

Wie geen strategie heeft die verder reikt dat 'werk, werk en nog eens werk', wie geen politiek doel, laat staan ideaal voor ogen heeft, verliest zich al snel in details of wordt een speelbal van belangengroepen, zoals Schiphol en Betuwelijn demonsteren, en niet te vergeten de media.

Bijzaken worden hoofdzaken, advies volgt op advies, in de hoop een oplossing te vinden die alle tegenstrijdige belangen met elkaar verzoent. Meer vliegen en toch een beter milieu. Win-win, de grootste succesformule sinds jaren. Lopen de gemoederen te hoog op, dan is er nog de uitweg van het discussieplatform of het maatschappelijk debat.

Het veelbezongen poldermodel, synoniem geworden voor de verschillende uitingsvormen van de Nederlandse consensuscultuur, wordt zo steeds meer zelf een probleem, een obstakel om knopen door te hakken en tegelijk een welkom middel om vraagstukken te depolitiseren en terug te brengen tot praktische problemen waar met een beetje goede wil toch uit te komen moet zijn. Desnoods gooien we er een extra tunnel tegenaan, want voor een 'Paars kwaliteitsbesluit' wil Kok op zijn tijd best in de buidel tasten.

Al sinds de dagen van het no nonsense beleid van Lubbers is sprake van een verzakelijking van de politiek, van een afscheid van grootse concepten en wijdse vergezichten. Paars is de bevestiging van een trend die na de val van de Muur zijn definitieve triomf beleefde met het concept van de terugtredende overheid.

De déconfiture van het socialisme betekende, zo werd verkondigd, het einde van het tijdperk van de grote ideologieën en maakte voorgoed een einde aan de illusie van de maakbare samenleving.

In werkelijkheid werd het de triomftocht van een nieuwe ideologie met minstens zulke grote pretenties, verpakt in de ronkende beeldspraak van het groeiende leger organisatie-adviseurs, de welzijnswerkers van de jaren '90.

Links werd in de verdediging gedrukt en de tegen deze achtergrond paradoxaal ogende coalitie tussen sociaal-democraten en liberalen bevestigt in de eerste plaats de bekering van de PvdA, die, zoals Kok het vorig jaar formuleerde, nu ook zijn laatste ideologische veren heeft afgeschud.

De marktideologie mag over zijn hoogtepunt heen zijn, het virus van het marktdenken heeft zich inmiddels diep in de overheid genesteld, getuige het tempo waarmee ambtenaren en bestuurders tot in de kleinste gemeenten zich het jargon en de denkwijze van de markt hebben eigengemaakt. De burger is gereduceerd tot een afnemer van overheidsdiensten. Beleid is een 'product' geworden, de bestuurder een manager. Een baan bij de overheid is geen keuze meer voor de publieke zaak, maar een stap in iemands carrièreplanning. Politieke problemen zijn in de eerste plaats beheersproblemen, die om een praktische aanpak vragen, waarbij rekening wordt gehouden met ieders belangen. Win-win.

Maar wie zit nog op te wachten op visies en idealen? Moeten we ons niet gelukkig prijzen dat we in een land wonen waar, terwijl Bagdad in brand staat en Washington in de greep is van een waar koningsdrama, de aanleg van een spoortunnel het belangrijkste vraagstuk is? Overheerst niet te veel de somberheid die eigen is aan het fin de siècle?

De economische groei mag een procentje of wat tegenvallen, de meerderheid van de bevolking heeft materieel nog steeds niets te klagen en lijkt het gemodder vooralsnog op de koop toe te nemen. Voor zover Nederland een probleem heeft, is dat eerder de mateloze verveling waaraan de bevolking ten prooi lijkt te zijn gevallen, treffend gesymboliseerd in de zondagse file voor de Amsterdamse Bijenkorf.

Bovendien heeft de burger andere wegen gevonden om zijn zaakjes te regelen; de veelbesproken 'verplaatsing van de politiek'. Voor het overige geldt dat de middenklasse, en wie behoort daar tegenwoordig niet toe, bereid is de politieke elite in het zadel te houden, mits de politiek op zijn beurt de burger met rust laat.

In zijn Thorbecke-lezing hekelde voormalig VVD-leider Bolkestein onlangs de critici die zich zorgen maken over de politieke afzijdigheid van de bevolking. Een lage opkomst bij verkiezingen was juist een teken van tevredenheid. Het idee dat de zelfverwerkelijking van de burger ligt in zijn politieke betrokkenheid, is een idee van romantici en romantiek is, zo laat Bolkestein niet na te benadrukken, een dodelijke ziekte.

De vraag is of dit inderdaad reden tot tevredenheid geeft. Wanneer de partijen er in afnemende mate in slagen de kiezers ervan te overtuigen dat er iets te kiezen valt, dat het nog over iets anders gaat dan de geluidszones rond Schiphol, komt onherroepelijk de legitimiteit van de democratie in het geding.

Veel beleidsinstrumenten zijn door de politiek reeds uit handen gegeven, ook al zijn de kwade gevolgen van de privatisering vaak tegengesteld aan de goede bedoelingen. In het geprivatiseerde labyrint van de sociale zekerheid weten zelfs de bedenkers nauwelijks nog de weg. Geruisloos zijn daarnaast veel bevoegdheden van Den Haag weggevloeid naar Brussel, al zijn in het schier uitputtende regeerakkoord niet meer dan 20 regels aan Europa gewijd.

Natuurlijk, de roep om een nieuw elan, om visie, om daadkrachtige politici is van alle tijden. Velen hebben er reeds op gewezen dat de Nederlandse consensuscultuur van pappen en nathouden, van wisselende coalities en altijd gereedstaande doofpotten, zich ten ene male niet verdraagt met het verlangen naar openheid, debat en engagement. Zo bezien lijkt een pleidooi voor een nieuw idealisme in de politiek, op pleiten voor een verloren zaak.

De belangen van de Paarse coalitiepartners lopen in dit opzicht niet gelijk op. Waar de VVD de buit al grotendeels binnen heeft, is het vooral voor de PvdA van levensbelang dat zij een nieuwe inhoud weet te geven aan de publieke zaak en de kiezers een alternatief weet te bieden voor een samenleving waarin het economisch belang de maat van alle dingen lijkt te zijn geworden, waarin materieel gewin en individuele behoeftenbevrediging nog de enige drijfveren en doelen zijn.

Waarin de democratie is verworden tot een bestuurlijk-bureaucratisch complex waarin het parlement voornamelijk nog tot taak heeft een stempel te zetten op de compromissen die het poldermodel heeft voorgebracht. Waarin met de steeds verder vervagende scheidslijn tussen het publieke en private domein, ook de politieke verantwoordelijkheid uit het zicht verdwijnt.

Een eerste vereiste daarvoor is dat de PvdA zich bevrijdt van de angst voor discussie uit vrees dat getwijfeld gaat worden aan haar bekering tot de zegeningen van de vrije markt. Voor die vrees bestaat nog maar weinig reden. Het neo-liberale offensief is sneller dan menigeen verwachtte vastgelopen en in Europa zijn sociaal-democraten teruggekeerd in de regering.

Daarvoor is vaak wel een hoge prijs betaald. In de verdediging zijn veel oude ideeën overboord gezet, maar zijn er nog weinig nieuwe voor in de plaats gekomen. De vraag of de 'derde weg' hierin kan voorzien, kan pas worden beantwoord wanneer dit begrip wordt ontdaan van de clichés waarin Blair het heeft verpakt en het meer zal blijken te zijn dan een nieuwe win-win formule.

Een groter probleem is vooralsnog dat waar het Nederland betreft, het politieke en intellectuele debat al jaren wordt gekenmerkt door de rust van het kerkhof. Nu bijna alle partijen zich tot het midden hebben bekend, regeert de angst de burger voor het hoofd te stoten. Politieke partijen die echter nog slechts willen behagen en ten koste van alles tegenstrijdige verlangens met elkaar proberen te verbinden, vallen vroeg of laat onherroepelijk door de mand.

Democratie vraagt niet om bange mensen, niet om politici die slechts op zoek zijn naar de grootst gemene deler, maar die, tegen de ontideologisering in, op basis van een politiek idee eigen keuzen durven te maken, die nog durven te staan voor, inderdaad, de publieke zaak.

Een open deur wellicht, maar wie minister Van Boxtel hoort betogen dat de burger de democratische normen onvoldoende heeft 'verinnerlijkt' en er op straat maar een potje van maakt, zou zich, met alle gelijk dat hij heeft, ook kunnen afvragen wie de burger als voorbeeld moet nemen.

Wie zich zorgen maakt over de teloorgang van normen en waarden, wie wil dat de burger zich niet alleen beroept op zijn rechten, maar zich ook bewust is van zijn plichten, dient in de eerste plaats zelf de publieke zaak serieus te nemen.

Willem de Bruin is redacteur van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden