Een Papoea-volk in de herkansing

Maanden na de dood van een geliefde Kamoro kan het nog gebeuren dat treurende dorpsgenoten uitgebreid afscheid van hem nemen....

Een Feest van het Leven hebben de Kamoro ook. Dan memoreren zij vrouwelijke aspecten als vruchtbaarheid en voortplanting met zang, dans en stevige vrijpartijen. Vrouwen vereren beelden van oermoeders en voeren schijngevechten tegen mannen. Diezelfde mannen die tijdens het Kanofeest het mannelijk kunnen tonen met ceremoniële prauwbouw.

Kortom, het soort cultuur dat op de nominatie staat uit te sterven, zoals met diverse kleine, niet-westerse culturen in de wereld het geval is. Maar nee, Papua Leeft! heet de tentoonstelling die het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden aan de Kamoro wijdt. Een expositie in vier zalen die de recente geschiedenis van dit Papoea-volk toont, geïllustreerd met een veelheid van fraaie (rituele) objecten: maskers, lichaamstooien, peddels, gebruiksvoorwerpen en vooral: uitbundig bewerkte houten palen en panelen.

De achttienduizend Kamoro leven in het zuiden van West-Irian - vroeger Nederlands Nieuw-Guinea. Ze wonen in dertig dorpen in het kustgebied tussen de Etna-baai en de Otakwa-rivier. In 1828 deden Nederlandse wetenschappers voor het eerst hun nederzettingen aan, als onderdeel van een expeditie die deze streek bij Nederlands Indië moest trekken voordat de Engelsen het zouden annexeren.

Pas in 1903 kregen de Kamoro opnieuw westers bezoek, in 1910 gevolgd door vertegenwoordigers van de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek. Toen was al enkele jaren de militaire expeditie aan de gang die heel Nederlands Nieuw-Guinea in kaart moest brengen. Wat al deze expedities gemeen hadden, was de belangstelling van menige deelnemer voor de cultuur van de Kamoro in het algemeen en het Kamoro-houtsnijwerk in het bijzonder.

Die objecten kwamen voor een flink deel terecht in de collectie van het Rijksmuseum voor Volkenkunde. Knotsen bijvoorbeeld, met indrukwekkende punten eraan, trommels, een dansschort en een signaalhoorn in de vorm van een schelp horen bij de tentoongestelde voorwerpen, die begin vorige eeuw via de expedities in het museum terechtkwamen. De eerste expositiezaal staat er vol mee.

De tweede zaal is interessanter, want gewijd aan twee van de grote feesten die de Kamoro erop nahouden. Griezelige maskers voor het Dodenfeest staan er opgesteld, naast vele objecten voor een andere bijzondere gebeurtenis: de initiatie. Op het Initiatiefeest worden jongens tot mannen gemaakt, mogen zij hun rokjes afleggen en hun peniskokers aandoen om kracht te verzamelen. Bamboe peniskokers van circa tien centimeter lang en een vezelrokje voor jongens zijn in deze zaal te zien, tegen een achtergrond van, onder meer, ingewikkeld bewerkte, houten palen met vlag-achtige uitsteeksels. Dit zijn de palen die de geesten van overledenen verbeelden.

Ze worden nog steeds gemaakt, sterker nog, ze worden verkocht aan westerlingen. Dat is de fase waarin de Kamoro-cultuur nu kennelijk verkeert. En vermoedelijk is dat ook de redding van die cultuur.

Want de Kamoro hebben het moeilijk gehad, vooral sinds Indonesië de macht in Nieuw-Guinea van de Nederlanders overnam. De Indonesische politiek van transmigratie leidde ertoe dat migranten uit andere delen van de archipel (lees: Javanen) het Kamoro-gebied binnentrokken, waar ze intussen een meerderheid vormen. En sinds 1967 worden flinke delen van het gebied gebruikt (en deels verwoest) door de Amerikaanse kopermijnmaatschappij Freeport. In de jaren zeventig kwam de melding dat de Kamoro-cultuur zo goed als verdwenen was.

Maar zie: de Amerikaan Kal Muller, fotograaf voor National Geographic en adviseur van Freeport trok zich het lot van het Papoea-volk aan. Ieder jaar organiseert hij het Kamoro Art Festival in het dorp Pigapu, mede op kosten van Freeport. Van heinde en verre komen de Kamoro ernaartoe om de traditionele feesten te vieren en vooral om hun houtsnijwerk en andere voorwerpen te tonen en te verkopen.

In de vierde zaal van de expositie is dat te zien. Op een film bijvoorbeeld, die het feesten (kanoraces onder meer) en het loven en bieden tijdens het festival toont. En de objecten in die zaal, door het museum gekocht op het festival, bewijzen dat de moderne versie van de Kamoro-kunst in schoonheid niet onderdoet voor de oude kunstvoorwerpen.

Wie zulke voorwerpen ook wil bezitten, hoeft niet naar West-Irian te reizen, want in mei (de datum staat nog niet vast) komen enkele Kamoro naar Leiden met de nodige waar. De hoogste bieder mag die hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.