Een paardenman die het altijd druk heeft

Zijn voorgangers Johan Heins en Hans Horn grossierden in medailles. Nu is het aan Bert Romp, de voorman van de Nederlandse springruiters, om te oogsten tijdens de Europese titelstrijd op Papendal....

HET ZIJN beslist geen vrolijke flierefluiters, de mannen die de hippische sportbond ooit hebben gediend als bondscoach. Henk Nooren, Hans Horn en Johan Heins waren bedeesde, introverte plattelanders, steile Saksen die maar weinig oog leken te hebben voor de lichtheid van het bestaan. Alsof er geen serieuzere bezigheden te bedenken waren dan paardrijden.

En nu hebben zij die in dit land de kunst van het rijden en springen een beetje beheersen een superieur toegewezen gekregen die zijn voorgangers in bescheidenheid alleen maar lijkt te willen overtreffen. Bert Romp woont al jaren beneden de grote rivieren, maar wie hem ziet en wie hem hoort raadt zonder mankeren waar zijn wieg stond. Dat moet haast wel Veendam zijn geweest.

Romp is geen man van woorden, laat staan van grote woorden. Elke vorm van snoeverij is hem vreemd. Het liefst verricht hij zijn heilzame werk, waaronder hij in ernstige mate gebukt lijkt te gaan, in afzondering. Altijd druk, druk, druk en nooit tijd voor een interview.

In zijn arbeidscontract is een clausule opgenomen die bepaalt dat hij tachtig procent van zijn tijd dienstbaar moet zijn aan de bond. Een volkomen overbodige bepaling, want Romp is geen man die aangemoedigd moet worden om zijn functie plichtsgetrouw te vervullen. 'Ik ben al weken op sjouw. Hol van hot naar her. Ik denk dat ik de afgelopen drie weken mijn vrouw en drie zoons hooguit twee uur gezien heb.'

Dan hadden zijn voorgangers het beter voor elkaar. Heins, Nooren en Horn runden een eigen handelsstal en deden het werk voor de bond er naast het grote geldverdienen een beetje bij. Goedwillende parttimers die ondanks hun beperkingen buitengewoon succesvol waren. Horn schonk zijn werkgever een Europese landentitel (La Baule, 1991), olympische medailles van goud en zilver (Barcelona 1992) en een wereldbeker (Lansink, 1994). Heins leidde twee pupillen, Jeroen Dubbeldam en Albert Voorn, naar goud en zilver tijdens de Spelen van Sydney en gaf het stokje meteen daarna door aan Bert Romp.

Romp wist dat hij zijn voorgangers moeilijk zou kunnen overtreffen en toch nam hij de uitdaging aan. 'Tijdens de contractbesprekingen zijn geen moment deze gedachten bij me opgekomen: kan ik dit wel aan, valt er na Sydney door een bondscoach eigenlijk nog wel eer te behalen? Ik heb me door die vragen niet te lang laten kwellen. Natuurlijk zijn er door mijn voorgangers grote successen behaald, maar er waren ook tegenslagen. Juist in Sydney bleek hoe onvoorspelbaar onze sport is. Wie vandaag wint kan morgen de grote verliezer zijn. Dat maakt de sport aantrekkelijk en dat maakt mijn functie aantrekkelijk.'

Bert Romp is, menigeen zal er van opkijken, van huis uit geen paardenman. Hij groeide op in een arbeidersgezin en mocht de handen dichtknijpen dat hij zich kon verplaatsen op een fiets. Aan een paard viel niet te denken. Waar moet je zo'n beest laten in een rijtjeshuis.

Ten huize Romp had niemand wat met paarden. Voetbal was Bert Romp zijn lust en zijn leven. Hij ontwikkelde zich tot een aanvaller met dynamiet in zijn linkervoet. Zelfs Leo Beenhakker, de toenmalig trainer van de BV Veendam, was onder de indruk van de talenten van de jonge aanvaller. 'Ik mocht geregeld bij hem trainen.'

Een mooie toekomst in het veenkoloniale profvoetbal leek voor hem weggelegd. Maar het lot beschikte anders. Als jongen van twaalf ontdekte Romp de charmes van het paard, de verlokkingen van het springen. Dat leek hem een minstens even interessante sensatie als een bal effectvol in de kruising mikken. Hij moest en zou dus een paard, maar wie moest dat betalen? 'Mijn ouders hadden er het geld niet voor.'

Uiteindelijk kocht hij zo'n beest zelf maar, een pony voor honderd gulden. Op het voetbalveld werd de jonge Romp sindsdien nog maar zelden gezien. Al zijn vrije tijd bracht hij door in de manege ter plaatse. Leren rijden, leren springen, leren het op een akkoordje te gooien met zo'n beest. Zijn ouders waren er niet onverdeeld gelukkig mee. 'Zij wilden dat ik iets normaals zou gaan doen, een fatsoenlijk beroep zou leren.'

Het draaide uiteindelijk uit op een compromis. Na zijn mavo en na het verscheiden van zijn vader ging Romp toch in de paarden. Hij verliet Veendam en koos domicilie in Deurne, de Brabantse plaats waar sinds jaar en dag een hippisch opleidingsinstituut is gevestigd. Romp schoof aan in de schoolbanken en liet zich opleiden tot instructeur.

Romp werd niet alleen instructeur in zijn latere leven, maar hij werd ook ruiter. En wat voor een ruiter. Hij leerde gedurende drieënhalf jaar de fijne kneepjes van het vak bij Henk Nooren. Reed zes jaar voor zijn broodheer Cees van Opstal. Werd in 1992 een nationale beroemdheid omdat zijn teamgenoten Jos Lansink, Jan Tops en Piet Raymakers voor hun winnende optreden in de olympische landenwedstrijd van Barcelona met een gouden medaille werden beloond en hij als vierde man van de ploeg van het podium werd geweerd. Was tussendoor een kleine zelfstandige. Reed vervolgens voor stal Burg de kostelijkste paarden, Waldo, Samantha en de bijna legendarische schimmel Mr Blue. En bestierde tussen alle sportieve beslommeringen door al die jaren heen een trainingsstal in het wel erg ver van de veenkoloniën in Noord-Brabant gesitueerde Goirle.

Een trainingsstal en zeker geen handelsstal. 'Het is', zei NHS-directeur in de dagen rond Romps benoeming, 'niet meer de bedoeling dat de paarden boven de hindernis worden verkocht'. Romp zou als ruiter van net in de veertig nog jaren meekunnen, maar zijn contract verbiedt hem in actie te komen. Elke schijn van belangenverstrengeling dient te worden vermeden.

Hij zou het nog kunnen, een mooie sprong maken over een dubbele oxer, maar het is de vraag of hij dat nog wel zou willen. 'Toen ik deel uitmaakte van de nationale ploeg waren de eisen die aan ruiters werden gesteld onvergelijkbaar met de huidige eisen. De hippische sport is de laatste tien jaar enorm geëvolueerd. Ruiters werken vandaag de dag aan hun lijf, zorgen ervoor dat ze topfit zijn. Vroeger kon je met een normaal getraind lijf als ruiter met de toppers meedoen. Nu moet je superfit zijn. Vroeger konden drie ruiters een wedstrijd als de Grote Prijs van Aken winnen, nu zijn dat er wel tien.'

In zijn tijd was ook maar een enkeling in de wieg gelegd voor de Europese titel, vandaag de dag zijn de favorieten al niet meer op de vingers van twee handen te tellen. Desondanks ziet Romp bij de Europese titelstrijd die vandaag op Papendal ontbrandt een medaille aan de einder gloren. 'Een tragisch slecht resultaat lijkt mij op voorhand uitgesloten. Met Jeroen Dubbeldam/De Sjiem en Jan Tops/Roofs hebben we twee betrouwbare combinaties. Die kun je alvast intikken voor nul, hooguit vier strafpunten. Daarnaast beschouw ik Angelique Hoorn als een stabiele factor. Het zal van de vierde man afhangen of we in de medailles zullen vallen of niet.'

En als die beoogde medaille ook inderdaad wordt veroverd dan zal, zo hoopt Romp vurig, de springsport het weer winnen van die akelige dressuur. Een piaffe en passage zijn leuk om te zien, daar niet van, zeker als ze worden uitgevoerd door een paard met in het zadel een amazone als Anky van Grunsven, maar die kunstjes halen het niet bij een gewaagde sprong over een oxer van een meter of anderhalf.

De springsport, zegt Romp zeker te weten, ontwikkelt zich meer en meer tot een volkssport. 'Anky heeft haar sport grandioos aan de man gebracht, de dressuur gepopulariseerd, maar we zijn met onze springploeg druk doende de rollen weer om te draaien.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden