Een oplossing voor de rafels van het leven

In het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam werken 7.000 mensen en 2.400 studenten volgen er hun opleiding. Het ziekenhuis heeft 50 kilometer gang, 25 duizend opnamen per jaar, 29 duizend dagbehandelingen en 350 duizend polikliniek-bezoeken....

Dinsdag, 13.30 uur. Op de behandeltafel in de spreekkamer zit een meisje met zwabberende benen. Haar voorhoofd heeft een grote zwelling, net boven de neus. Haar blonde haar heeft ze er als een gordijntje overheen gekamd, zoals kalende mannen doen die hun schedel proberen te bedekken. En net als bij die kalende mannen, lukt het niet de afwijking onzichtbaar te maken. Pas als je het meisje iets langer aankijkt zie je dat haar neus donkerbruin is gekleurd. Haar hele gezicht is wit – haar wangen, haar kin – maar haar neus lijkt bedekt met een lawine van sproeten. De sproeten vormen samen een grote donkere moedervlek op de neusvleugels en daaromheen.

Chantal kent Sophie al jaren. Samen hebben ze bedacht wat de wenselijkste oplossing is voor het probleem. Iedereen die Sophie ontmoet ziet als eerste die opvallende vreemde neus. Niemand die haar vluchtig aankijkt wanneer ze haar passeren op straat, op het schoolplein. Iedereen kijkt haar een tweede keer aan, en soms nog een derde keer. Als zij zich aanmeldt bij een nieuwe sportvereniging is ze heel lang het kind met de bruine neus, voor ze zich kan onderscheiden in hard rennen en scoren. Dat verveelt. Dat maakt onzeker. Over een paar weken wordt Sophie geopereerd. De zwelling boven de neus is veroorzaakt door een ballon die Van der Horst onder de huid heeft aangebracht en telkens van iets meer vloeistof heeft voorzien. Met het opblazen van de ballon rekt de huid op, waardoor er genoeg weefsel wordt gecreëerd om straks de hele neus mee te bedekken.

‘Ben je al zenuwachtig?’, vraagt Chantal. Het meisje slaat haat ogen neer en knikt.

‘Zal ik het ook zijn?’ Nee, schudt ze. Elk moment lijkt ze in snikken te kunnen uitbarsten, maar meisjes van 8 huilen niet. Haar vader staat er al even afwachtend bij. Hij knikt ook – ja, nou en of – zenuwachtig en het is niet duidelijk of hij zichzelf bedoelt of zijn dochter. Plastisch chirurg Chantal van der Horst weet dat ouders zich vaak drukker maken om de aandoeningen van hun kinderen dan de kinderen zelf. De ouders moeten steeds uitleg geven aan buren, familie, en willekeurige passanten. Het kind zelf weet vaak niet beter, maar niemand heeft graag een kind dat anders is.

Sophie weet wel beter. Daarvoor is haar neus te opvallend. Zij ziet eruit of ze enorm uitkijkt naar het moment dat ze verlost is van die vreemde huidkleurige ballon op haar hoofd, en dat ze een gewone neus heeft, net als alle andere kinderen uit de klas. Toch heeft ze er maar matig vertrouwen in. Hoe kan iets dat je je leven lang al tegen je zin meezeult, zomaar van de ene op de andere dag verdwijnen? Zou de dokter dat echt kunnen? Haar moeder lacht.

Moeders zijn op het spreekuur van de plastisch chirurg altijd degenen die monter de vragen stellen. Vaders friemelen wat aan hun broek, zien er vaak wat aangeslagen uit, maar moeders zijn strijdbaar en opmerkelijk vrolijk en alert. Vaders in spreekkamers kijken of ze zich schamen, niet voor hun kind, maar omdat het ze niet lukt de rafels in hun leven te verbergen. Vaders in spreekkamers hebben iets eenzaams, moeders zijn strijdbaar tot in hun vingertoppen. Moeders op het spreekuur bij de dokter zijn blij hun zorgen met de dokter te kunnen delen; blij om dat wat hen het meest bezighoudt, de gezondheid van hun kind, zonder schroom te kunnen delen met iemand die er alles van weet. Moeders in de spreekkamer van Chantal doen wonderlijk veel denken aan zwangere vrouwen bij de vroedvrouw. Eindelijk iemand die antwoord heeft op al je vragen en niets gek vindt, iemand die snapt waarover je je zorgen maakt, die je niet verbaasd aankijkt als je bijvoorbeeld zegt dat het net is of er de laatste weken blauwe puntjes in de rode wijnvlek van je kind gekomen zijn. Sophies moeder wil weten of ze haar een neusspray mag geven omdat ze een beetje verkouden is geworden. Ze informeert wanneer Sophie weer aan haar neus mag zitten, want heeft de dokter wel eens opgemerkt hoe vaak kinderen dagelijks aan hun neus zitten? ‘Niet peuteren!’, zegt Chantal en heft bezwerend haar vinger op. En Sophies moeder wil meer weten. Hoe ze haar dochter aantreft na de operatie. Want de laatste keer was ze zich doodgeschrokken van al dat geronnen bloed. Ze wil weten of haar neus in het verband zal zitten of niet, of Chantal een drain zal aanbrengen of niet. Ze wil haar kind voor zich zien, hoe ze eruit ziet na de ingreep, zodat ze zich kan voorbereiden en ze de schrik in haar ogen niet zal zien, zoals de vorige keer. Ze wil weten hoe lang haar dochter in het ziekenhuis moet blijven.

De ouders staan allebei aan een kant van het kind en Van der Horst, die bewust steeds het woord tot het meisje richt, staat recht tegenover haar en kijkt haar in de ogen. Zonder die bult en die neus heeft ze een normaal Hollands gezicht, met blauwe ogen en een paardenstaart. ‘Hebben ze je geplaagd op school met die rare bult?’ Ze vraagt het luchtig, jolig bijna. Zelfs op de ernstigste aandoeningen reageert ze met een kwinkslag, een relativering, een lach. Chantal houdt het graag zo luchtig mogelijk en niemand die het haar kwalijk neemt. Iedereen voelt dat ze die luchthartigheid heeft verdiend met haar jarenlange ervaring en enorme kennis.

Wie er ook deze doorsneemiddag haar kamer binnenkomt, alles heeft Chantal al eens eerder gezien: een tweeling met aan elke voet zeven tenen, een meisje van 17 met vreemde witte stippen op de tong, een Indiaas jongetje met een goedaardig gezwel op zijn tong die opzet in de Hollandse vrieskou en opzet in de hitte van Mumbai, een baby met een hemangioom op haar ooglid, dat goed in de gaten gehouden moet worden omdat het gezwelletje wel eens op de oogbol zou kunnen drukken, een baby van 9 maanden bij wie de naden van de schedel wel erg vroeg en met een richel aan elkaar gegroeid zijn, of een meisje van 8 met blauwe spataderen in de borst die je wel weg kunt halen maar dan zou je de borstgroei later in gevaar brengen. Ze kijkt, denkt, en zegt: ‘Luister, ik ga je vertellen wat er aan de hand is. Wat jij hebt ben ik al veel vaker tegengekomen en meestal veel erger. Niet dat jij daar wat aan hebt, maar toch, het is maar dat je het weet.’ En dan lacht ze weer haar beminnelijke lach, een lach die verraadt dat ze ook thuis van lachen houdt.

Tegen Sophie zegt ze: ‘Ik ga zo goed mogelijk proberen om de huid soepel en strak om de neus te krijgen. Daarbij is het belangrijk de doorbloeding goed in de gaten te houden. Je houdt een litteken, maar hoofddoel is dat de neus en omgeving bedekt worden met nieuwe huid van je voorhoofd. Daar deden we het toch voor?’ Sophie kijkt bedeesd, zo vaak gebeurt het niet dat ze als volwassene wordt aangesproken. Haar moeder stelt nog een laatste vraag en dan is de sessie, de voorbereiding op de grote operatie van vrijdag over twee weken, ineens voorbij. Sophie springt van de behandeltafel. De ouders lopen een voor een de deur uit, elk met hun eigen gedachten. Chantal zegt gedag en verdwijnt door een tussendeur naar een andere kamer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden