Een onverbeterlijke knuffelmoralist

Midas Dekkers, auteur van het Boekenweekessay, is een graag geziene gast in de media, dankzij zijn combinatie van voorkomendheid en vrolijke recalcitrantie.

‘Wat zegt u, u wilt een lezing? Is Midas Dekkers ziek?’ Een bekende telefoongrap van collega-bioloog en schrijver Tijs Goldschmidt.

Collega-(natuur)schrijver Koos van Zomeren zat vorig jaar in de zaal bij de bekendmaking van het Boekenweekthema Tjielp Tjielp door CPNB-directeur Henk Kraima. ‘Kraima zei: er is maar één schrijver die in aanmerking komt voor het schrijven van het boekenweekessay en dat is Midas Dekkers. Dat vond ik wel een beetje pijnlijk. Ik bedoel: ik was daar, Tijs Goldschmidt zat in de zaal... Later begreep ik het wel. Want voor optredens in de media is Midas veel beter geschikt. Hij is erg getapt. En dat is voor de CPNB belangrijk.’

Boekenmaand
Inderdaad draaft Midas Dekkers dezer dagen, weken, maand (‘Het is eigenlijk boekenmaand’, zegt hij zelf) in zowat alle media op, onder vakkundige regie van de CPNB. Daarbij verkondigt hij de centrale stelling van zijn Boekenweekessay Piep; een kleine biologie der letteren. Die stelling luidt: er zijn in Nederland nauwelijks romanschrijvers die zich kunnen inleven in dieren, laat staan dat er schrijvers zijn die een dier tot hoofdpersoon maken in hun werk. Maar daarnaast is Dekkers niet te beroerd om over vele aanverwante zaken in de contramine te gaan. Zo had WNF-directeur John van der Gronden helemaal geen makkelijke avond afgelopen vrijdag bij Het Gesprek. Dekkers verweet hem dat de natuurorganisatie er een handje van heeft om samen te werken met ‘boeven en oplichters’ als prins Bernhard, de Rabobank, de KLM en energiebedrijf Essent.

Een paar dagen eerder was het raak op de radio, bij Vroege Vogels. Het gesprekje kabbelde aanvankelijk aangenaam voort, over dieren die alleen in kinderboeken voorkomen – poffertjes bakkend in rare jurken – of in kookboeken, onherkenbaar verminkt ‘op een bedje van het een of ander’. Tot, opeens, die ene grimmige opmerking. Over Jan Wolkers, in dit geval, ‘die op zijn oude dag als een demente oude zeur gaat teuten over de egel in zijn tuin’. En Dekkers imiteerde Wolkers: ‘Ohohoh, kijk nou, kijk nou toch eens die egel, zo mooi, dat moet wel door iemand gemaakt zijn. Hè!?’ Ja, vond Dekkers, daar mocht hij zich in het Darwin-jaar wel over opwinden.

Op de achtergrond hoorden we tafelgenoot Koos van Zomeren gniffelen. Van Zomeren: ‘Ik vond dat heel geestig. Rechttoe, rechtaan. Dit soort dingen zeg ik hoogstens voorzichtig tegen mijn vrouw. Maar Midas heeft helemaal geen ontzag voor de heilige status van wie dan ook.’

CV
1946 - geboren te Haarlem op 22 april.
1973 - studeert af aan de UvA als bioloog.
1974 - redacteur biologie bij Spectrumencyclopedie.
1975 - 1980 schrijft columns en artikelen voor diverse kranten en tijdschriften.
1980 - 2007 wekelijkse column bij Vroege Vogels-radio
1982 - Schrijft zijn eerste jeugdboek.
1985 - Houden beren echt van honing, kinderboekenweekgeschenk
1990 - diverse tv-series, waaronder Midas en Eerste druk met Midas
1992 - Lief Dier
1997 - De Vergankelijkheid
2002 - De Larf
2006 - Lichamelijke Opvoeding
1980 tot nu - Bundelingen van columns
2009 - Piep; Een kleine biologie der letteren. Boekenweekessay

Midas Dekkers woont samen.

]]>

Die combinatie van voorkomendheid en vrolijke recalcitrantie maakt Midas Dekkers tot een graag geziene gast. Waar Herman Brood bij leven de nationale knuffeljunk was, is Midas Dekkers ’s lands knuffelbioloog of, beter misschien, onze knuffelmoralist. Hij vertelt ons (vaak) de harde waarheid (‘Er bestaat geen vooruitgang, er bestaat geen achteruitgang, er bestaat alleen maar gang’), maar altijd met een kwinkslag, dus doet het nauwelijks pijn.

Brombeer
‘Midas is een oude brombeer, een lieve, oude brombeer’, zegt vriendin en schrijfster Yvonne Kroonenberg. Van Zomeren: ‘Zijn werk is heel geestig en soms ook onvriendelijk. Maar van dat laatste blijkt in de dagelijkse omgang niets.’

‘Hij is cynisch en aardig, een zeldzame combinatie’, aldus Romke van der Kaa, bioloog, oud-studiegenoot en schrijver over flora.

‘En hij kletst nooit uit zijn nek’, weet Louki Stassen, die jarenlang als producent en redacteur met Dekkers samenwerkte voor zijn tv-programma's. ‘Als hij beweert dat een mens gemiddeld 40.000 liter plast, dan klopt dat ook.’

‘Het mooiste van Midas is’, vindt Stassen, ‘de intense tevredenheid waarmee hij achterover leunt als je een borreltje voor hem inschenkt.’

Vijanden heeft hij, ondanks zijn scherpe tong, nauwelijks. Ja, die ene bevriende bioloog dan, die zich van hem afkeerde toen Dekkers beweerde dat homoseksualiteit niet of nauwelijks – als positieve keuze – voorkomt in het dierenrijk.

Midas Dekkers heeft zo zijn stokpaardjes: Hij is pro-kat en anti-hond, hij is tegen kinderbijslag en voor boetes op het krijgen van kinderen, hij houdt niet van sport. Wel is hij een liefhebber van klassieke cafés en van jenever (een familietrekje) en is hij vleeseter tegen wil en dank. Dat schaart hij onder ‘de grote noemer van het menselijk tekort’.

Lazarus
Als kind was Midas (echte naam Wandert) Dekkers nog niet zo gevat en onvervaard. Zijn ouders hadden een café in Haarlem en later een hotel-café-restaurant (De Munttoren) in Amsterdam. ‘Een keurige zaak’, zegt Dekkers zelf. ‘Mensen werden er op keurige wijze lazarus.’

‘Midas was verlegen’, zegt zijn oudste zus Lia. ‘Hij liep altijd met een grote boog om sommige klanten heen. Van opdringerige, zijige, slijmerige mensen moest hij niets weten. Dan liep hij meteen door naar boven, naar zijn kamertje. Daar speelde hij professortje.’

Hij had, zoals hij zelf zegt, een aardige moeder, zijn biologische vader was een ‘dunne rotzak’, zijn tweede vader, ‘oom Piet’, was een ‘dikke goedzak’. Beide vaders werden geveld door de drank.

De zes kinderen in het gezin hadden vooral ‘veel vrijheid’, zegt Lia. ‘Van dwang herinner ik me niets. Vader en moeder werkten en wij gingen onze eigen gang. We waren vrij snel zelfstandig.’

Midas heeft het karakter van zijn moeder, aldus Lia. ‘Standvastig, overheersend, zelfbewust.’ Het was ook hun moeder die de kinderen af en toe mee naar de duinen nam. ‘Moeder en Midas bleven dan heel lang bezig met de beestjes en de bloemetjes. Bij onze grootouders in Soestdijk vond Midas het geweldig. Hij verdween het bos in en was de hele tijd in de weer met de torretjes, de miertjes en de kevertjes in het bos. Hij werd kwaad als opa een kevertje doodmaakte.’

Wolf
Margot de Waal, Dekkers eerste serieuze vriendin, ontmoette Midas bij de linkse Amsterdamse studentenvereniging Olofspoort. Het was ook daar dat Dekkers, inmiddels biologiestudent, zich Midas ging noemen, naar Midas de Wolf. ‘Een vrolijke, onbezorgde, romantische tijd. Na vier jaar zijn we, als een soort grap, getrouwd, omdat we een mooi appartement alleen als getrouwd stel konden huren. Ik herinner me hoe we vaak ’s nachts door de stad liepen, want Midas had een hekel aan fietsen. We vonden dan van alles op straat en dat namen we mee naar huis.’

De Waal ging ook met Midas mee naar het Noord-Franse Ambleteuse waar de universiteit een laboratorium had. ‘Zo’n laboratorium uit 1890 met lampetkannen. Met uitzicht op zee. Midas stond dan midden in de nacht op om zoetwatergarnalen te vangen.’

Dekkers – hij studeerde af op de wants, een aan de bladluis verwant insect – was niet voorbestemd om op de universiteit te blijven, bedacht hij. Zijn lichtend voorbeeld was Dick Hillenius. ‘Hillenius zag biologie als een soort levenshouding, als een visie op de wereld’, vertelt Dekkers. ‘Hij heeft ontzettend veel gedaan voor de bekendheid van de biologie. Zijn collega’s zagen vaak groen en paars. Hij kreeg vaak te horen: schrijf eens wat minder stukjes en pas eens wat beter op de kikkers. Maar Dick had een veel te leuke winkel: praatjes, stukjes, telefoontjes. Hij was een levensgenieter.’

De bewondering was niet geheel wederzijds. Hillenius vond Dekkers maar een idealist. ‘Idealisme vond hij een vorm van verziendheid.’ Idealist is Dekkers tot op de dag van vandaag. Want al noemt hij de biologie nihilistisch en de mens onverbeterlijk, tegelijkertijd windt hij zich op over ‘het Libelle-geleuter’ van de late Jan Wolkers, en over het ‘absolute geloof in economische groei’.

Over dat laatste: ‘Een kind van 3 begrijpt dat de bomen niet tot in de hemel groeien. De milieubeweging zou nu de vlag moeten uithangen, in plaats daarvan zijn ze bang dat mensen hun lidmaatschap niet betalen.’

Vroege Vogels
Midas Dekkers brak door toen hij in 1980 gevraagd werd om zijn columns voor te lezen in het Vara-programma Vroege Vogels. Zijn lijst gepubliceerde boeken en boekjes is inmiddels onafzienbaar, voor sommige boeken kreeg hij internationale waardering. ‘Te groot voor Nederland? Ik weet het niet hoor’, zegt Romke van der Kaa. ‘Midas is briljant op de korte baan. Maar bij zijn boeken haak ik vaak halverwege af, net als bij de boeken van Geert Mak.’

Daar komt bij, vindt Van der Kaa: ‘De humor van Midas is erg Nederlands. Om maar even te generaliseren: Angelsaksische humor is absurdistisch. Het belachelijk maken van vastgeroeste meningen, het belerende, dat is Nederlands. En dat heeft Midas ook.’

Waar hij wellicht last van heeft, meent menigeen, is dat de werkelijke waarde van zijn werk aan het zicht wordt onttrokken door de hoge grapdichtheid. Terwijl hij, zoals hij zelf ooit schreef, een binnenbioloog is.

‘Een kamergeleerde’, zegt Yvonne Kroonenberg. Zijn werkkamer van de oude burgermeesterswoning van Weesperkarspel zal hij niet snel verruilen voor een veldexpeditie.

Kroonenberg: ‘Hij vindt niets heerlijker dan studeren, kennis vergaren en kennis uitdragen. En hij weet zo ontzettend veel. Wat hij te zeggen heeft, is nooit zomaar lichtzinnig. Het wordt weleens vergeten dat grappenmakers ook wat te vertellen kunnen hebben.’

Humor
Koos van Zomeren: ‘Er zit zoveel humor in zijn werk dat soms niet helemaal duidelijk is waar hij zelf staat. De mens behoort zelf ook tot de natuur, heeft hij weleens beweerd. Waarop kennissen van mij zeiden: dan kan ik dus met mijn Mercedes een brief gaan posten. Want ik ben ook natuur.’

‘Het is een dilemma’, vindt Dekkers zelf. ‘Ik wil zo graag dat mensen lezen wat ik geschreven heb dat ik alle trucs toepas om de aandacht vast te houden. Niet te lange zinnen, onverwachte wendingen, humor. Het probleem met humor is dat veel mensen denken: ik moet lachen, dan kan het nooit waar zijn. Ze wenden zich na afloop dus weer lachend van je af. Aan de andere kant: bij lezingen doe ik er vaak nog een schepje bovenop. Na de pauze is dan meestal de eerste vraag: meent u dat nou allemaal? Mensen gaan dus zelf denken. Dat is mijn doel; mensen nieuwsgierig maken, vastgeroeste meningen ontroesten, maar niet om ze te vervangen door andere vastgeroeste meningen.’

Volgens Koos van Zomeren voelden veel veldbiologen zich in het verleden wat geridiculiseerd door opmerkingen van Dekkers. ‘Ik heb eens gezegd dat de waardering voor Midas zich niet helemaal uitstrekte naar die wereld. Daar was hij toch een beetje door geschokt. Zo zie je maar: achter die grimmige zinsneden schuilt een gevoelige persoon.’

‘Ach’, zegt Yvonne Kroonenberg, ‘Als er wat te klagen valt, slaat Midas niet over. Maar hij weet niet wat ik wel weet: hij wordt wel degelijk heel serieus genomen.’

Midas Dekkers (Guus Dubbelman / de Volkskrant)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden