Een ontstoken gemoed

Tussen geest en lichaam bestaan meer dwarsverbanden dan werd gedacht. Misschien is depressie wel een ontsteking van het brein.

Wie met een stevige griep op bed ligt, voelt zich niet alleen lichamelijk belabberd maar heeft ook een katterig gevoel in het hoofd: nergens zin in, bedrukt en snel geïrriteerd. Dat is geen chagrijn omdat we een week tegen onze zin zijn uitgeschakeld - nee, het is een handigheidje van het immuunsysteem.


De stoffen die afweercellen ertoe aanzetten om het griepvirus onschadelijk te maken, beïnvloeden ook het gemoed. Dat brengt ons, paradoxaal genoeg, sneller weer op de been: doordat we minder plezier ervaren, hebben we geen zin om naar de sportschool te gaan waardoor het lichaam alle energie kan gebruiken om te herstellen. Is het griepvirus eenmaal bedwongen en het immuunsysteem weer tot bedaren gebracht, dan keert de levenslust terug.


Maar wat als het immuunsysteem niet bedaart? Denk aan auto-immuunziekten, waarbij immuuncellen verkeerd staan afgesteld en per ongeluk het eigen lichaam aanvallen. Bij reuma zijn dat bijvoorbeeld de gewrichten, bij diabetes de insuline-producerende cellen. Denk ook aan chronische stress, waarbij het afweersysteem uit balans is, omdat er een constante dreiging lijkt te zijn. Hebben de hersenen er last van als het immuunsysteem onstabiel is? Kan het zijn dat mensen in hun hoofd dan voortdurend 'de griep hebben'?


Dat lijkt er wel op. Het bewijs stapelt zich op dat het immuunsysteem onze psychische toestand kan beïnvloeden. Vooralsnog gaat het vooral om intrigerende dwarsverbanden. Patiënten met een auto-immuunziekte hebben veel vaker een depressie. En omgekeerd: bloedonderzoek bij mensen met een zware depressie toont aan dat hun immuunsysteem soms volop aan het werk is, terwijl nergens in hun lichaam een infectie te bekennen is. Patiënten met een ernstige stemmingstoornis (zoals een depressie) hebben drie keer zo vaak diabetes, patiënten met een bipolaire stoornis lijden drie keer zo vaak aan een auto-immuunziekte van de schildklier.


Zou het kunnen dat een mentale ziekte niet louter een ziekte van het brein is, maar dat psychiatrische ziektebeelden in feite lichamelijke stoornissen zijn? Het is een forse omslag in het denken: moet je met je depressie straks naar de immunoloog? En heb je dan misschien meer aan een ontstekingsremmer dan aan een antidepressivum of psychotherapie?


Vijftien Europese universiteiten buigen zich sinds een paar jaar onder leiding van het Rotterdamse Erasmus MC over die reeks vragen. MoodinFlame heet hun gezamenlijke onderzoeksproject, dat wordt gefinancierd door de Europese Unie. Ook het Groningse UMCG werkt mee. De onderzoeksresultaten zijn zo veelbelovend dat er onlangs opnieuw extra geld voor is vrijgemaakt.


Langzaamaan wordt duidelijk hoe de verbinding tussen brein en immuunsysteem eruitziet. Er is een rechtstreekse route, die we kennen van de griep. Zodra zich ergens een infectie voordoet, maken immuuncellen cytokines aan, een soort chemische boodschapperstoffen die hun onderlinge communicatie bevorderen.


Slotgracht

Lang werd gedacht dat cytokines de hersenen niet kunnen bereiken door een blokkade van de bloed-breinbarrière, een soort slotgracht die kwalijke stoffen op afstand houdt. Maar recent onderzoek wijst uit dat de cytokines door de barrière heen kunnen glippen. Het idee is dat die boodschapperstoffen daar de werking van belangrijke centra ontregelen waardoor abnormale gevoelens van neerslachtigheid kunnen ontstaan. Patiënten met een auto-immuunziekte vormen in hun lichaam voortdurend heel veel cytokines, die vervolgens in de hersenen hun deprimerende effect kunnen uitoefenen.


Psychiater Robert Schoevers, hoogleraar in het UMCG, kent depressieve patiënten die mentaal enorm opknapten nadat hun schildklieraandoening met medicijnen was verholpen. Hij vertelt ook dat patiënten met veel ontstekingseiwitten in hun bloed minder goed reageren op antidepressiva of op therapie.


Maar dat directe traject - van ontsteking in het lijf naar depressie in het brein - kan lang niet alle ziektegevallen verklaren. Hoogleraar immunologie Hemmo Drexhage heeft op zijn werkkamer in het Erasmus MC even tijd nodig om de tweede verbindingsroute te duiden.


Het begon hem pas te dagen, vertelt hij, nadat hij de resultaten bestudeerde van het langlopende Rotterdamse onderzoek naar kinderen van ouders met een bipolaire stoornis. Veel kinderen krijgen, eenmaal volwassen, ook een psychiatrisch ziektebeeld en bij veel van hen komt bovendien een auto-immuunziekte aan de schildklier voor. Maar opmerkelijk genoeg staan die twee aandoeningen niet met elkaar in verband, zegt Drexhage. Er zitten eeneiige tweelingen tussen van wie de één een bipolaire stoornis heeft maar geen schildklierafwijking, en de andere precies andersom.


'Toen besefte ik dat er een onderliggende stoornis moest zijn, een kwetsbaarheid die óf een probleem in het hoofd geeft óf een fysiek immuunprobleem, óf allebei. Of helemaal geen gevolgen heeft.' Dat onderliggende probleem tekent zich nu af, vertelt Drexhage. Vermoedelijk is sprake van een verkeerde ontwikkeling van een specifiek type immuuncellen - opruimcellen die overal in het lichaam voorkomen.


Die aanlegfout heeft tot gevolg dat de opruimcellen veel te scherp staan afgesteld. Gebeurt dat in bijvoorbeeld de schildklier of de alvleesklier, dan valt de opruimploeg het eigen lijf aan. In de hersenen heeft die fout een ander gevolg. De opruimcellen - zogeheten microglia - hebben daar een dubbelfunctie: ze zijn niet alleen alert op ongewenste binnendringers maar spelen ook een essentiële rol bij de opbouw en het onderhoud van het brein.


De cellen kunnen die twee taken afwisselen maar ze kunnen ze niet tegelijk uitvoeren, vertelt Drexhage. 'Ik vergelijk ze met de soldaten in Afghanistan, die werden uitgezonden om het land weer op te bouwen. Maar als de taliban aanviel, moesten onze soldaten opeens vechten en dan lag de wederopbouw tijdelijk stil.'


Als de microglia niet goed zijn aangelegd, missen ze die balans tussen vechten en wederopbouw. Ze staan voortdurend in de aanslag om op te ruimen en hebben daardoor geen aandacht voor de verzorging van het brein. Omdat ze hun afweerfunctie zo overdrijven, produceren ze almaar nutteloze cytokines. Het brein verkeert daardoor in een soort permanente staat van ontsteking. Met mogelijke gevolgen voor de gemoedstoestand.


Die ontwikkelingsstoornis zou weleens erfelijk kunnen zijn, zegt Drexhage. Hij ziet soms patiënten met een psychiatrisch ziektebeeld van wie de moeder een schildklierprobleem heeft, terwijl ze zelf nergens last van hebben. 'Vaak kan dan bij beiden de onderliggende stoornis worden gevonden. Die uit zich bij de moeder fysiek en bij haar kind mentaal.'


Als een chronisch ontstoken brein de oorzaak is van een psychiatrische aandoening, dan moeten psychiaters blijkbaar massaal ontstekingsremmers gaan voorschrijven. 'Zo eenvoudig is het niet', zegt Schoevers, 'het immuunsysteem is buitengewoon ingewikkeld.' Drexhage: 'Er wordt nu veel onderzoek gedaan met ontstekingsremmers bij mensen met psychiatrische ziekten, maar ik denk dat die behandeling niet altijd werkt. Door de ontsteking te remmen haal je niet de oorzaak weg, en dat is de ontwikkelingsstoornis van de immuuncellen.'


Pasklare medicijnen om die stoornis te corrigeren, zijn er nog niet. Toch verwachten beide hoogleraren dat de nieuwe kennis over het brein en het immuunsysteem de psychiatrie zal veranderen. 'Als je met een gele huid bij de dokter komt, kan sprake zijn van alvleesklierkanker maar ook van galstenen', zegt Drexhage. 'De symptomen zijn hetzelfde maar de oorzaak maakt nogal uit voor je behandeling. Die kant gaat het in de psychiatrie ook op. Er zijn nog geen testen waarmee de psychiater bij een depressie eenzelfde onderscheid kan maken, maar die komen eraan.'


Een depressie tengevolge van de bekende psychosociale factoren kan dan worden onderscheiden van een depressie die is terug te voeren op een defect immuunsysteem. 'We werken er hard aan om verschillende subtypes van die ziekte te onderscheiden', aldus Schoevers.


Psychiatrie op maat, dat wordt de toekomst, denkt hij. Dan krijgt de ene depressieve patiënt een medicijn dat het brein opwekt terwijl de ander beter af is met een middel dat het immuunsysteem tot rust maant.


ERVARINGSDESKUNDIGE: ER BEGON IETS OP TE VALLEN

Al ruim 25 jaar begeleidt Jannie Schuit-Lemstra uit Koog aan de Zaan nabestaanden van mensen die zelfdoding hebben gepleegd. Ze weet waarover ze praat; haar zoon Rob maakte op jonge leeftijd een einde aan zijn leven. In de loop van de tijd heeft ze een bijzonder documentatiesysteem opgezet: kaartjes waarop ze in haar keurige handschrift zoveel mogelijk gegevens heeft genoteerd.


De metalen bak op haar bureau bevat meer dan zevenhonderd van die mini-dossiers. Gaandeweg viel haar iets op, vertelt ze: in veel families waar een gezinslid zelfdoding pleegt, is sprake van een auto-immuunziekte. Schildklierproblemen vooral (zoals bij haarzelf), maar ook diabetes.


Immunoloog Hemmo Drexhage van het Erasmus MC kijkt er niet van op. Hersenonderzoek onder jonge mannen die zelfdoding hebben gepleegd wijst uit dat de microglia - de immuuncellen in hun hersenen - in de 'vechtstand' staan: de cellen denken voortdurend dat er een vijand in de buurt is, waardoor het brein als het ware permanent licht ontstoken is. Vooral de hippocampus, het gebied dat de stress reguleert, raakt daardoor ernstig ontregeld.


Moeten patiënten met een psychiatrisch ziektebeeld niet standaard lichamelijk worden onderzocht, vraagt Jannie Schuit zich af, en moet er niet altijd worden geïnformeerd naar de familiegeschiedenis? Bloedtesten zijn in de maak. Daarmee kan worden gemeten of mensen met een stemmingsstoornis last hebben van een chronische ontsteking, dus een probleem van het immuunsysteem.


Maar een medicijn om dat probleem aan te pakken is er nog niet. En de vraag is bovendien of volwassenen met een ernstige depressie daarmee geholpen zijn, zegt Drexhage. 'Bij hen is mogelijk al te veel schade aangericht.' Hij ziet vooral mogelijkheden voor preventie, bijvoorbeeld bij kinderen van ouders met een bipolaire stoornis. 'We moeten proberen in te grijpen voordat het misgaat, zodat we de immuuncellen nog de juiste kant op kunnen sturen.'


Nieuwe medicijnen

De meest gebruikte antidepressiva richten zich in de hersenen vooral op de boodschapperstof serotonine. De Utrechtse farmaceutisch wetenschapper Floor van Heesch toont in haar proefschrift aan dat bij een lichamelijke vorm van een depressie ook sprake is van een tekort aan dopamine en noradrenaline. Zij pleit ervoor om voor dat type depressie nieuwe medicatie te ontwikkelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden