Een ongewenste jongen

Frans Wong (75) wordt nooit gekweld door spijt of beelden van geaborteerde vruchtjes. Als eerste in Nederland begon hij in 1970 een abortuskliniek....

FRANS WONG had een meisje moeten zijn. Dat wilde zijn moeder. Toen de werkelijkheid anders bleek te zijn, greep ze in. Tot zijn vijfde liep Frans in jurkjes en had hij lange krullen. Zijn oudere zus en broers wisten dat hij een jongen was, maar ze vonden het normaal dat hij eruit zag als een meisje. Anderen uit zijn geboorteplaats Roermond vroegen hem: 'Ben je nou een jongen of een meisje?'

Wong: 'Ik ben een ongewenste jongen.' Ironisch: 'Ik had eigenlijk geaborteerd moeten worden.' Hij refereert aan de rel vorig jaar rond minister Borst van Volksgezondheid, die een abortus vanwege het geslacht in sommige gevallen billijkte. 'Ik zou daar denk ik niet aan meewerken. Als ik mijn eigen geval bekijk: ik ben blij dat ik er ben. Dat is geen argument om een abortus te weigeren, maar toch. Door deze situatie, doordat ik als meisje wel aanvaard werd en als jongen niet, heb ik mijzelf geëmancipeerd.'

De 'abortuspionier' werd hij genoemd. Als eerste in Nederland richtte hij in 1970 een abortuskliniek op, aan het Oosterpark in Amsterdam. Het waren heftige jaren. Met een publicatie over abortus veroorzaakte hij in 1971 een hoorzitting in de Tweede Kamer. Tegenstanders posteerden zich voor de deur van zijn praktijk, er vlogen bakstenen door de ramen, zijn kinderen werden bedreigd. 'De ongeëvenaarde abortuskoning', schreef De Telegraaf. Wongs naam dook in alle media op. Een kop in 1972 in Het Parool: 'Een vernield kinderleven is erger dan abortus.' Daaronder stond: 'Kinderen die niet gewenst zijn, die niet uit liefde zijn geboren, worden bijna altijd ongelukkig.'

Het zou allemaal voorgoed en vooral behoren tot de annalen van de vrouwenbeweging, als niet deze week een boek was verschenen waarin Wong terugblikt op zijn leven. Zijn kliniek leeft in de volksmond voort als 'de kliniek van dokter Wong', maar wie die dokter Wong dan wel zou mogen zijn, zou gaandeweg bekend zijn bij steeds minder mensen.

Het boek geeft hem opnieuw een gezicht, dat je aanstaart vanaf de achterflap. Verdwenen is de jaren-zeventig-look van oude krantenfoto's: niet langer valt het haar springerig over de oren, het is kort en grijs. Ook het mouwloze vest, de brede riem en de cowboylaarzen blijken te zijn vervangen, door een stijlvolle broek en jas.

Wong is 75, en hij lacht als hij dat zegt. 'Ja, god, u bent zo'n jonge vrouw', lijkt hij zich te verontschuldigen. 'Mijn vrouw Fenna is dertig jaar jonger dan ik.' Hij zou zelf evengoed kunnen doorgaan voor tien, vijftien jaar jonger, maar natuurlijk: die man uit de jaren zeventig bestaat niet meer. Zelfs zijn vroegere uitspraak over een 'vernield kinderleven' kreeg een ander gezicht - maar dat komt door het boek. In Engeltjesmaker vertelt hij over de travestie uit zijn jonge jaren, waarop hij zichzelf de vraag stelt: 'Wilde ik daarom niet zindelijk worden, kloof ik daarom mijn nagels af tot op de bloederige nagelriemen en was ik daarom een stotteraar geworden?'

Deze keer gaat het over zijn eigen kinderleed, in plaats van dat van duizenden kinderen die er nooit kwamen. Wat hem betreft, was het helemaal een persoonlijk verslag geworden, waarin abortus minimaal ter sprake zou komen. Hij wilde orde op zaken stellen: 'Dat was een behoefte die ik had.' Wel vroeg hij zich even af of alle intieme details die hij verschaft over zijn ouders, zijn huwelijken en zijn seksleven, geschikt zijn voor publicatie.

'Ach', dacht hij toen, 'het kan me niet schelen.' Hij schreef het boek voor zichzelf, voor niemand anders. Mocht er commentaar komen, het laat hem koud. 'Ik heb zoveel commentaar gekregen over mijn abortuspraktijk. Aanvankelijk was ik een paria.'

Zijn uitgever raadde hem aan toch dieper in te gaan op zijn werk als abortusarts: 'Omdat ze mij aan die kapstok wilden ophangen.' Het leven van een abortuspionier is dan ook de ondertitel van het boek. Het was een gevecht van zeven jaar. Voor het eerst liet hij zich uit over de kift in het abortuswereldje. Had hij hele passages ingevoerd in de tekstverwerker, vond hij het toch te veel geroddel en werd een groot deel weer geschrapt. Zijn redacteur bij Nijgh & Van Ditmar, Lidewijde Paris, zat hem op de huid. Hij moest duidelijker zijn, ook over persoonlijke zaken, en als hij dan duidelijker was geworden, zei ze: 'Nu snap ik het nog niet' Ze wilde meer emotie.

En nog is Engeltjesmaker vrij onderkoeld, is het vooral anekdotisch. Wong: 'Dat is heel duidelijk de opzet, dat onderkoelde. Een beetje de observer-style, hè. De lezer moet er maar zijn eigen gevoelens in leggen. Kijk, als ik práát, kan ik wel eens overdrijven, dat is een rest van mijn Surinaamse afkomst.' Wongs vader was een Chinese Surinamer die huisarts werd in Roermond, zijn moeder een katholiek meisje uit dezelfde plaats. 'Surinamers overdrijven altijd zo, dat hou ik bij mezelf zoveel mogelijk terug. Ik hou niet van mensen die te koop lopen met hun gevoelens. Veel schrijvers dringen het gevoel te veel op. Dat doe ik niet, niet om mezelf te beschermen, ik hou niet van die stijl.'

Zijn emoties halen zijn woorden in. 'Toen ik schreef over de dood van mijn vader heb ik moeten stoppen. Ik moest er zo verschrikkelijk om huilen, dat ik ben gestopt en opnieuw ben begonnen.' In zijn ogen komen weer de tranen. 'Het heeft mij ontzettend aangegrepen.' Zo ook die keer dat zijn moeder hem een bord eten bracht toen hij naar bed was gestuurd na een ruzie met zijn broer. 'Ja, dan ga ik vliegen. Toen was ik ontzettend gelukkig. Ik denk dat dat er toch wel uitkomt, niet?'

Hij zegt 'sorry', en snuit zijn neus. Even later staat hij op en zet thee en koffie in de keuken van zijn crèmekleurige huis in Baarn, van de buitenkant een miniatuurkasteeltje, van binnen sober en sereen. Aan de muur twee Cobra-stukken. 'Ik heb er meer gehad, maar die heb ik moeten verkopen.'

Het jarenlange schrijven bleek uit te werken als een therapie. In de rede die hij vrijdag uitsprak tijdens de presentatie van Engeltjesmaker, steekt hij er de draak mee. Zijn twijfel: 'Wie was er nou geïnteresseerd in het leven van een allochtone jongen met een zachte g?' Zijn doel: 'Ik moest het leven neerschrijven van de hardnekkige neuroot die ik was. Toen dat zes jaar later was gebeurd, lag ik bij Lidewijde op de couch.' Het resultaat: 'Het medische rapport van mijn genezing wordt ondanks mijn tegenstribbelen vandaag gepresenteerd.'

Het belangrijkste inzicht dat hij kreeg, betrof zijn ouders. Jarenlang had hij de tic een 'M' te tekenen in zo'n ogenblik waarin de pen een eigen leven leidt. 'Steeds maar weer een M, zo gek. Die M was natuurlijk mijn moeder. Met haar zat ik enorm in de knoop. Mijn moeder heeft heel lang geleefd, ze is bijna 91 geworden. De laatste jaren had ik met haar een goede relatie, ik zocht haar op, toen ik rijk was heb ik haar geholpen met dingen. Ik heb haar verwend.

'Maar ik was de volwassene, de moeder-kind-relatie is nooit hersteld. Door dit boek merk ik dat ik veel meer gehecht was aan mijn vader. Dat had ik nooit gedacht, een belangwekkende vondst. Als iemand mij nu zou vragen: van wie heb je het meest gehouden, dan zeg ik: van mijn vader. Ik vond zijn diepgang groter, er was meer warmte bij hem. Die was er bij mijn moeder niet.' Nooit heeft ze haar zoon gekust. Haar koelte ontnam hem het zicht op zijn vader.

Dat hij een 'hardnekkige neuroot' werd, wijt hij niet alleen aan de verhouding met zijn moeder. 'Ik heb het ook sterk gezocht in het gezin waarin ik opgroeide, ik was de middelste van negen kinderen. Ik ben altijd voor de gek gehouden; kromme beentjes had ik, ik stotterde. Iedereen zei altijd dat ik van die grote ogen had, dat ik nooit wat zei - omdat ik bang was dat ik weer ging stotteren - en dat ik altijd zat te kijken. Ik was toeschouwer, dat ben ik gebleven, mijn leven lang. Ik werd niet serieus genomen en ik kon ook niks.'

Zijn moeder speelde piano, zijn vader cello. Vaak hoorde hij 's avonds Schubert via de tuin en de open ramen van zijn slaapkamer naar binnen zweven. 'Ontzettend mooie herinneringen.' Minder leuk was het dat hij overdag werd uitgescholden, 'bruine neger' noemden ze hem op school. Tegenwoordig moet je lang kijken om te zien wat er werd bedoeld, maar zegt Wong: 'Ik ben duidelijk bruin en de structuur van mijn gezicht is toch meer negroïde dan Chinees.' Zijn oma van vaders kant was 'volbloed negerin', een feit dat bij hem thuis werd doodgezwegen. Het waren de jaren twintig, dertig, in katholiek Limburg.

Ach, aan dat schelden raakte hij gewend. Pijnlijker was het wanneer hij niet langer met een vriendinnetje mocht spelen omdat hij bruin was. Later, na de oorlog, werd hij aan de deur geweigerd bij een partijtje van de Franse consul, wiens dochter hij kende. De man had slechte ervaringen met 'indo's'. In de jaren vijftig zat hij acht maanden in de gevangenis, na een akkefietje op de kunstenaarssociëteit Oud-Boymans in Rotterdam. Tijdens een vechtpartij spatte een cognacglas in zijn hand uit elkaar, een scherf trof een agent, die zijn oog kwijtraakte. Wat zei de openbare aanklager tijdens de rechtszaak? 'Indo's' hadden wel vaker van die woede-uitbarstingen.

Toen kon het hem al niet meer schelen, hoewel hij altijd op zijn hoede is gebleven voor mensen die dingen kunnen zeggen als: 'U bent zeker een halfbloedje?' Zijn 'neurose' voer er wel bij. 'Ik geloof dat ik er nog steeds een beetje last van heb. Een echt minderwaardigheidsgevoel kun je het niet noemen, daar ben ik toch overheen, dacht ik. Maar er is een tijd geweest, zo in de jaren zestig... Het was als die titel van dat boek dat ooit is gepubliceerd, Be glad you are neurotic. Natuurlijk weet ik wel dat ik niet minder waard ben dan andere mensen. Maar als ik bij van die geslaagde mensen, die geslaagde middenstanders ben, voel ik me vaak een beetje nietig. Tegen hen kan ik toch niks zeggen. Ik heb iets tegen dat soort mensen die een cursus retoriek hebben gedaan.'

Moest hij zichzelf en de mensheid iets bewijzen met het proefschrift over prostituees waarmee hij in 1961 in één klap beroemd werd? Met de andere, voor die jaren controversiële activiteiten die hij ontplooide als seksuoloog, als arts die gratis drugs ging verstrekken, als abortusarts? Geblesseerd kon je hem immers wel noemen. 'Ik denk dat er een zekere drang van uitgaat om te laten zien dat je het best kunt, dat je d'r bent. Maar zo heb ik het nooit ervaren. Ik zeg dat in zijn algemeenheid. Ik ben soms wars van psychologie, je kunt niet alles psychologisch verklaren. Daarmee maak je alles stuk.'

In Rotterdam, waar hij zich na zijn studie medicijnen begin jaren vijftig vestigde als huisarts, wilde het toeval dat zijn achternaam veel Chinezen trok. De Chinezen namen hun bijvrouwen mee, en zo kwam ook half Katendrecht bij hem in de praktijk. Hij begon zich af te vragen waarom die vrouwen zich prostitueerden: deden ze het voor het geld? De observant in hem had al een kaartsyteem met psychosociale achtergronden van patiënten aangelegd, en toen hij besloot zijn proefschrift aan het onderwerp te wijden, waren de gegevens daarvoor vrijwel klaar.

Naar aanleiding van de dissertatie vroeg de Amsterdamse psychiater-seksuoloog Conrad van Emde Boas hem een lezing te houden voor het Nederlands Seksuologisch Genootschap. Later werd hij diens assistent. Zo kwam hij in aanraking met vrouwen die hun zwangerschap wilden afbreken. In die vroege jaren zestig richtte hij de eerste abortuscommissie op. Na een paar jaar Liberia, waar hij werkte als arts op allerlei gebied, was hij van plan psychiater te worden, maar door zijn strafblad mislukte dat. Hij werd huisarts in het Oosterpark, en ook daar kreeg hij steeds meer vrouwen op het spreekuur die vroegen om de pil of een abortus.

Hij wil maar zeggen: 'Het leven hangt van toevalligheden aan elkaar.' Dat neemt niet weg dat hij zich specifiek het lot van vrouwen aantrok. 'Ik was altijd sterk voor de vrouw. Mijn proefschrift was al feministisch getint, daarin heb ik al in bedekte termen over abortus geschreven. De maatschappelijke positie van vrouwen bleef ver achter bij die van de man. Dat wilde ik aan de kaak stellen. Kijk, ik heb het altijd erg gevonden dat mijn moeder aan de lopende band kinderen kreeg en geen tijd had voor zichzelf.'

Als kind al had hij iets met vrouwen. Van zijn moeder kreeg hij immers geen omhelzingen en zelfs geen moedermelk, omdat een speenbroer haar borsten had leeg geschrokt. Al heel jong zocht hij compensatie bij de mollige Juf, het kindermeisje dat hem tijdens het wassen zijn eerste zaadlozing bezorgde, en bij kokkin Cató, die hem in haar volumineuze borsten liet knijpen. 'Ik hield van die volslanke types, waar veel aan zat.' In zijn boek zijn de beschrijvingen van vrouwen fenomenaal in hun gedetailleerdheid. 'Ik ben misschien wel oversekst', zegt hij lachend. 'Nee, ik denk dat ik er eerlijker in ben dan andere mannen. Ik heb erg veel vriendinnen gehad.'

In zijn werk kon hij zijn professionele en privé-belangstelling voor vrouwen scheiden. Als een vrouw bij hem in de spreekkamer wijdbeens in de stoel lag, vond hij dat verre van 'sexy'. 'Een beetje beschamend zelfs.' Dat hij dit werk deed, kwam louter voort uit zijn geweten. Keer op keer zegt hij dat: het was zijn geweten dat hem ertoe aanzette zich al in de jaren vijftig in te laten met euthanasie en abortus. Het katholicisme had hij afgezworen. Mede onder invloed van de schrijfster Anna Blaman, met wie hij bevriend raakte, had hij zich bekeerd tot het humanisme. Hij erkende geen hogere macht, hij was zijn eigen toetssteen.

Dat hij daarop afgerekend werd door conservatievere collega's en confessionele politici, deerde hem niet. 'Ik was het gewend op straat uitgescholden te worden. Ik was gewend aan de rol van buitenbeentje. En de wereld hangt aan elkaar van huichelachtigheid. Toen abortus in het ziekenfonds zou komen, waren de christelijke partijen daar op tegen. Maar hun vrouwen waren onze beste klandizie omdat ze geen anticonceptie gebruikten.'

Toen hij miljonair werd, en dat werd hij al snel met zijn Polikliniek Oosterpark, werd over hem gezegd dat hij 'het voor het geld deed'. Een beetje een louche imago begon hem aan te kleven: hij had een landgoed, hij ging paarden fokken, hij kocht zijn eigen vliegtuigen. Hij vond het prachtig, al dat geld, maar: 'Als ik het dáár voor had gedaan, had ik het slimmer aangepakt. Dan was ik al die miljoenen niet kwijtgeraakt.'

Hij leefde op te grote voet. Hij werd belaagd door 'uitvreters' die hij een halve ton gaf omdat hij toch genoeg had. Hij werd opgelicht in de wereld van paarden en vliegtuigen. Met de financiën ging het na een paar jaar bergafwaarts. 'Ik ben nu niet arm, maar ik woon tussen mensen die veel rijker zijn, lage middenstanders die een slimmigheidje hebben uitgehaald. Ik heb een forse hypotheek op dit huis.'

Nog steeds heeft hij een inkomen uit zijn praktijk, waarvan hij tot op de dag van vandaag directeur is. Maar alle andere werkzaamheden heeft hij op zijn 70ste gestaakt. Alleen twijfelgevallen worden naar hem doorgestuurd, zoals de dame die in 1996 namens de EO de kliniek bezocht. Ze gaf zich uit voor iemand die van haar ongeboren kind af wilde omdat ze op wintersport ging. De vrouw kwam nooit bij hem opdagen en de EO-documentaire werd verboden door de rechter, maar in voorkomende gevallen weet Wong zeker dat wintersport nooit de echte reden is voor een abortus, altijd een reden die het ware motief camoufleert.

Een arts moet daarover doorvragen. 'Het komt er altijd op neer dat een vrouw het kind niet wil: ik wil het niet, ik kan het niet, ik wil het niet nu, ook niet van hem. Als een vrouw die stellige overtuiging heeft, heeft zij daar het volstrekte recht toe.' De rel rond de EO-documentaire en het gedoe rond een aflevering van Zembla, waarin twee artsen verklaarden dat ze elke reden voor een abortus accepteerden, wekten de indruk dat de Nederlandse abortuspraktijk niet helemaal deugt. 'Een heel ernstige verdachtmaking, er wordt in abortusklinieken denk ik nauwkeuriger gewerkt dan in de meeste ziekenhuizen.'

Nooit wordt Wong gekweld door spijt of beelden van embryo's te midden van een hoopje slijm. Een zwangerschap van 22 weken afbreken, ja, daarvan kon hij onpasselijk worden, omdat de vrucht dan in stukjes uit de baarmoeder moet worden gehaald. 'Ik heb het nooit graag gedaan. Maar mijn geweten zei me dat ik het moest doen. Als de vrouw het wil...'

Spijt heeft hij van niets, ook niet van het van het feit dat hij zeven kinderen heeft bij vier vrouwen. Met zijn nageslacht heeft hij een goede relatie, met kerst kwam de hele club tot voor kort langs. Wong zucht diep. 'Maar ik ben natuurlijk geen voorbeeld.' Twee van zijn kinderen kwamen na de echtscheiding in Spanje terecht met hun moeder, ze keerden terug met zweren en onder de luis. Wong nam ze bij hem in huis.

Met zijn huidige vrouw Fenna kreeg hij Eveline. Ze is nu 9. Plotseling komt hij aanzetten met een schoolrapport. 'Van mijn dochtertje.' Groep zes en alleen maar achten, achtenhalven en negens. Hij is zo trots. Hij legt het rapport terug. Hij haalt een sigaar uit de doos. Vanaf een afstand mompelt hij: 'En nu zie ik ook helemaal het vervolg van haar hè? Tenminste als ik lang genoeg leef.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden