'Een nuttig instrument'

Is tegen het einde van de twintigste eeuw de mogelijkheid tot kwekken het voornaamste verkoopargument van de diverse telefoonaanbieders, zeventig jaar geleden viel het Kamerlid Kortenhorst tijdens een debat over de wijziging van de telefoontarieven uit naar 'dames die de onhebbelijke gewoonte hebben om kwartieren lang te telefoneren'....

Kortenhorst pleitte voor een tarief dat was gebaseerd op de duur van een gesprek, maar kreeg niet zijn zin. De discussie in de Kamer leidde op 1 januari 1930 tot de invoering van een verlaagd abonnementsgeld in combinatie met een gesprekstarief van aanvankelijk 2,5 cent en even later 2 cent, ongeacht de duur van het gesprek. Tot die datum betaalde iedere aangeslotene een vast abonnementsbedrag; het telefoneren werd niet apart in rekening gebracht.

Met de nieuwe tarieven hoopte de PTT tevens de weinig bellende particulier warm te krijgen voor de telefoon. In 1932 verschenen in Amsterdam de eerste advertenties die reclame maakten voor de telefoon, die overigens ook dan nog veel meer als 'een nuttig maatschappelijk instrument' dan als conversatiemiddel werd beschouwd.

In zijn proefschrift Telefonie in Nederland 1877-1940 - Opkomst en ontwikkeling van een grootschalig technisch systeem (Otto Cramwinckel; * 59,50.) beschrijft Onno de Wit de start en de groei van het populairste communicatiesysteem van de moderne tijd.

De uitvinding van (vermoedelijk) de Amerikaan Graham Bell was in Nederland niet meteen een succes. De eerste proefnemingen in Amsterdam via bestaande ondergrondse telegraaflijnen veroorzaakten een 'oorverdovend geknetter' in het telefoontoestel. Met de komst van de koolmicrofoon - microfoon en telefoon worden gescheiden - en de telefooncentrale verbeterde de kwaliteit aanzienlijk. Amsterdam kreeg in 1881 een telefoonnet met 49 abonnees; de aanleg kostte vierhonderdduizend gulden.

Tegen het einde van de vorige eeuw telde Nederland 32 particuliere telefoonnetten met zo'n zevenduizend abonnees. De Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij (NBTM) verkreeg gaandeweg een monopolie op de exploitatie, maar in 1897 nam het rijk voor een bedrag van enkele tonnen de interlokale verbindingen over van de NBTM. De Rijkstelefoon zou de derde poot van PTT worden.

Nu de staat de exploitatie naar zich toetrok, ontstond een wijdvertakte infrastructuur al bleef de telefoonverziening op het platteland tot in de jaren twintig ver achter bij die in de steden. De invoering van party-lines, waarbij twee percelen tegen een gereduceerd tarief werden aangesloten op één netlijn, kon de animo nauwelijks stimuleren; buurman kon immers meeluisteren. In 1922 beschikte Amsterdam als eerste over een deels automatische centrale. 'Telefoonjuffrouwen' raakten overbodig en abonnees maakten kennis met toestellen met een kiesschijf.

Telefonie in Nederland 1877-1940 behandelt tot in detail de technologische en organisatorische problemen waarmee de verbreiding van de telefoon gepaard ging. Daarnaast gaat De Wit in op de vormgeving en werking van telefoontoestellen, de structuur en bediening van telefooncentrales, het beleid van de overheid, de reclameuitingen en niet te vergeten het gedrag van de abonnees. Bij dit alles doet de auteur ook nog verslag van zijn speurtocht naar telefoongesprekken in de literatuur.

Hub. Hubben

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden