Een nummer waarop je pijn leert lijden

Olympisch kampioene Ellen van Langen wordt bij de Europese atletiekkampioenschappen in Helsinki geflankeerd door twee andere 800 meter-loopsters, Ester Goossens en Stella Jongmans....

IN DIE vergeelde dagen was de aantrekkingskracht van de 800 meter nogal evident, tenminste voor vrouwen. Ze mochten eenvoudig niet verder. Ilja Keizer-Laman, die als natuurkind geen groter plezier kende dan zo lang mogelijk hardlopen, werd door de reglementen en regenten bij 600 meter tegengehouden. Want de heren wisten wat goed en gezond was. Voor atletes in het algemeen en juniores in het bijzonder: 'Je was zo gelimiteerd in je mogelijkheden. Zelfs de 400 meter vonden ze al slecht voor je.'

Veel was er dus niet veranderd sinds 1928. De 800 meter werd in dat jaar ijlings van het Olympisch programma afgevoerd, toen in Amsterdam de Duitse Lina Radtke en de Japanse Hitomi onbeschaamd moe op het gras waren neergezegen. Geen gezicht, oordeelde zelfs een meerderheid van de medici die het Internationaal Olympisch Comnité adviseerde. Vrouwen dienden na de finish vrolijk keuvelend een kushand naar het publiek te werpen. Hijgen en transpireren was verboden.

Het duurde tot 1954 voordat het onderdeel weer aarzelend werd toegestaan en nog zes jaar langer alvorens het opnieuw op de Olympische agenda prijkte. Nederland was eigenwijs en vooruitstrevend. Het hield nog betrekkelijk lang vast aan de 800 meter en stoorde zich niet aan de internationale banvloek. Tot het zich al te zeer dreigde te isoleren.

Nog in 1935 werden er wedstrijden gehouden. Het is vanzelfsprekend vergeten dat in dat jaar het aloude nationale record van Jeanne Malon (2.34,2) werd verbeterd door een zeventienjarig meisje dat dertien jaar later in Londen een onvergetelijke reeks Olympische triomferen zou vieren. Die piepjonge recordhoudster op de 800 meter was Fanny Koen.

In de vijftiger jaren kwam ook in Nederland de 800 meter terug en aan het eind daarvan verbaasde een pronte politie-agente de wereld met steeds betere prestaties. Gerda Kraan kwam in 1958 voor het eerst op de recordlijsten, vier jaar later, op een gedenkwaardige septemberdag in Boedapest, veroverde ze de Europese titel. 2.02,8 liep ze, een Europees record. Het is een tijd die inmiddels niet meer prijkt op de Nederlandse toptien. Maar dat zegt meer over die toptien dan over de politie-agente. Want 32 jaar na dato dwingt die tijd van Gerda Kraan nog steeds respect af.

Janny van Eyk-Vos leek de gedoodverfde opvolgster van de doordouwster Kraan, maar twee anderen verdrongen haar: Maria Gommers en Ilja Laman. De laatste verbeterde in de aanloop naar de Olympische Spelen van 1968 het Nederlands record tot 2.02.2. Laatbloeister Maria Gommers liep 2.03,1, Er was toen trouwens al een derde, zoals ook nu bij de EK van Helsinki drie loopsters zullen aantreden. Die derde was Tilly van der Made. 2.04.4 liep ze, een bewonderenswaardige tijd, maar een rol in de schaduw was natuurlijk onontkoombaar.

Gommers haalde brons in het zuurstofarme Olympisch Mexico, met een persoonlijk record van 2.02,63. Later dat jaar verbeterde ze in een speciaal gearrangeerde wedstrijd het wereldrecord op de mijl. Ilja Keizer, nog steeds jeugdwereldrecordhoudster op de 600 meter, stelde teleur in Mexico. Hetzelfde gold voor Tilly van der Made. Maar Laman stond dat jaar met haar Nederlands record wel vierde op de seizoenranglijst.

Van een verflauwing in de traditie was nooit echt sprake. Ilja KeizerLaman en Bernie Boxem stonden in de Olympische finale van 1972 op de 1500 meter; ze werden zesde en achtste. Keizer had een ontoereikende voorbereiding, ze miste de tempo-hardheid. Maar drie jaar later was Olga Commandeur Europees jeugdkampioene op de 800 meter. 2.01,6 Liep ze luttele weken later in het Belgische Aalst. Een jeugdwereldrecord. Ze nam het af van de Amerikaanse Mary Decker wier naam als wonderkind toen al gevestigd was.

Elly van Hulst werd de eerste die de barrière van twee minuten nam, tijdens een van die zeldzame wedstrijden waarin de Nederlandse ploeg onverdeeld was. Een verdienste van de toenmalige trainingscoördinator Herman Buuts. Nog steeds staan enkele records van 1981 (Pescara) overeind.

Daar was het ook dat Van Hulst zichzelf overtrof. De vergelijking drong zich op met 1968 toen ondanks een reeks van voorafgaande conflicten de complete Nederlandse equipe op scherp was gezet. Het is de kunst van vaardige coaches om die aparte alertheid op te wekken die nodig is voor topprestaties. Een kunst die in later jaren helemaal in het museum van de bond leek opgeborgen.

Het is karakteristiek hoe groot de scepsis van de huidige coaches is, ook ten opzichte van die vermeende mooie traditie op de 800 meter. 'Elk succes in de Nederlandse atletiek is toch toeval.' Zo ongeveer luidt de analyse. Haico Scharn, ooit zelf een succesvol midden-afstander en geducht om zijn compromisloos harde aanpak bij pupillen als Jongmans, Van der Kolk en Vriesde: 'De 800 meter is geen succesnummer als je kijkt naar het buitenland. We steken er internationaal echt niet wezenlijk bovenuit. Dat geldt alleen nationaal, omdat de technische nummers in ontwikkeling achterblijven. Daarom lijkt het heel wat dat we drie vrouwen hebben die op de 800 meter een woordje meespreken.

'Maar het is van oudsher wel zo gegroeid dat de beste trainers te vinden zijn op de middenlange afstand. Een gevolg van een structurele aanpak is het niet. Aan het opvangen van talenten wordt ook op de 800 meter niet structureel gewerkt, dat is de kardinale fout in Nederland. De loopnummers, zeker op de middenafstand, hebben één groot voordeel: de atleten die later instappen kunnen nog de top halen. Zie Kamiel Maasse die op zijn 22ste begon. Dat is bij de technische nummers ondenkbaar.'

OOK ELLEN van Langen is een voorbeeld van Scharns constatering. Het gold evenzeer voor Anneke Schutte en Heidi van der Plas, twee talenten die het mentaal niet redden. Yvonne van der Kolk, die ook bij Scharn trainde, was op jeugdige leeftijd al een belofte, maar verdween even snel weer als ze was doorgebroken.

Scharn: 'Met dat afhaken moet je rekening houden, dat is inherent aan de atletiek als je die op niveau wilt bedrijven. Het voordeel van de middenlange afstand is dat je met een paar jaar gerichte training goed kunt worden op minstens nationaal niveau. Voorwaarde is natuurlijk dat je genetische aanleg hebt.

'Bovendien zie je op de middenafstand clustervorming. Theo Joosten, de trainer van Marko Koers, heeft er een hele zwik, waar dan een aantal geblesseerd van afhaakt. Maar dat gebeurt bij mij ook. Een enkeling stoot door, de helft raakt geblesseerd. Daar houd ik rekening mee, je balanceert nu eenmaal op de rand van de afgrond met die mate van trainen.

'We hebben op de middenafstand goede opleidingsvormen. En een stel goede trainers, Carel van Nisselroy, Bram Wassenaar, Theo Joosten, Peter Verlooy, noem maar op. We hebben regelmatig contact en we weten van elkaar wat we doen.

'Nederlanders zijn te traag voor de sprint en het uithoudingsvermogen is onvoldoende om goed te blijven draven. De 800 en 1500 meter zijn het meest geschikt, omdat Nederlanders wel bereid zijn anaerobe trainingsvormen aan te gaan. Ellen van Langen en Ester Goossens zijn daarvan de beste voorbeelden.'

Dus toch die Nederlandse neiging naar de middenweg? Het schipperen tussen de uitersten van sprint en marathon? Peter Verlooy, de trainer van Ester Goossens, een van de drie 800 meter-loopsters in Helsinki, gelooft er geen snars van. Volgens hem is het allemaal toeval op die 800 meter. Het is tenslotte niet zo 'dat de bond een beleidsrapport heeft liggen waarmee succes op de 800 meter wordt gegarandeerd.'

'Het is meer de aanwezigheid van talent en vooral het initiatief van maffe coaches die er vreselijk veel tijd en energie in steken. Gedragen door een filosofie wordt de Nederlandse atletiek niet. We zijn eilandjes met ieder een eigen wijkje. Echte samenwerking is er niet, vind ik, er is hooguit sprake van overleg. De bond speelt geen bemiddelende rol, terwijl dat wel het geval zou moeten zijn. De kennis zou eigenlijk geclusterd moeten worden, maar een platform voor kennisoverdracht is er niet. Noch van boven- noch van onderaf zijn er voldoende stimulansen.'

Het verwijt lijkt rechtstreeks gericht aan Bob Boverman, de huidige KNAU-coach. Hij staat voor een zware opdracht. In Helsinki draaft een zo omvangrijke ploeg op dat alleen de vergelijking met Praag 1978 op lijkt te kunnen gaan. Het werd toen een compleet fiasco. Niet dat de afgang van destijds alleen Boverman aangerekend kon worden, maar hij had wel een soort volmacht van de KNAU.

Boverman heeft niets te duchten, als Ellen van Langen gewoon Europees kampioene wordt. Dan mag bij wijze van spreken ieder ander door de zijdeur afgaan. Maar zelfs als Van Langen door haar laatste blessure zou moeten afhaken, zou hij van een negatief eindsaldo niet ontregeld raken. Het valt tenslotte niet die ene trainer te verwijten dat de Nederlandse topatletiek niet meer is dan 'een speeltuinvereniging'.

'In Nederland gaan we uit van het meerkamp-principe. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Kenianen die hun hele leven lang lopen. Het is tekenend dat er bij het NK op de halve marathon geen junioren waren. Er wordt veel te weinig gelopen. Toch is de Nederlandse jeugd qua bouw geschikt voor de middenafstanden. Ze zitten hoger in de heupen, hebben langere benen. Rob Druppers was een goed voorbeeld, Marko Koers en zeker Ellen van Langen ook. Ze kunnen lange passen maken.'

Peter Verlooy, trainer van het Utrechtse Hellas waar onder leiding van Jon Wellerdieck Rob Druppers groot werd: 'Zoals de 800 meter zich ontwikkelt wordt het bijna een sprintnummer en Nederland heeft geen sprinttraditie. Snelheid is een moeilijk begrip. De scouting zou veel beter moeten, dat kan de bond zich aanrekenen. Aanleg is belangrijk. Bij langere afstanden komt het veel meer aan op training.

'Het gezondheidsbegrip, het fitheidsidee in de samenleving zorgt ervoor dat lang hardlopen, het afleggen van een Cooper-test, meer waardering oplevert dan wanneer iemand hard kan sprinten. Dat is mijn praktijkgevoel. Ik geef gymnastiek op een mavo, en ik merk dat iemand die lang hard kan lopen veel stoerder is dan iemand die sprint. 't Heeft waarschijnlijk te maken met het jogging-ideaal. Het kunnen lopen van een marathon zegt heel veel in Nederland.

'Het is duidelijk dat sport een ondergeschoven kindje is in deze maatschappij. De bezuinigingen van overheidswege zijn goed merkbaar. Op de lagere school is er amper meer sport. De klassedocent doet een uurtje trefbal in de week. Als ik zie hoe jongens en meisjes van twaalf er lichamelijk voorstaan, dat is gewoon bedroevend. Mentaliteit en inzet nemen ook af. Het karakter wordt steeds slapper, noem het de consumptiemaatschappij, de patat-generatie.

'De 800 meter is bij uitstek een nummer waarop je pijn leert lijden. Het gaat misschien te ver om te zeggen dat die 800 meter gaat lijden onder die maatschappelijke ontwikkelingen. Maar dat er nu drie Nederlandse atletes hard lopen op die afstand, wil zeker niet zeggen dat er nog veel meer goed worden op dat nummer.

ILJA KEIZER-LAMAN, die nu namens het NOC topsporters individueel begeleidt: 'Voor elke topprestatie is karakter nodig, Maar wat ik toen al vond: je zag op de 800 meter vooral mensen die niets voor niets hadden gekregen. Die de bereidheid hadden ergens voor de vechten; die moeite voor zaken moesten doen; die in hun jeugd stukken moesten lopen of fietsen om ergens te komen. Naast de lol die je erin moet hebben en naast de fysieke aanleg, is waarschijnlijk juist op die afstand ook de opvoeding van belang.'

Bob Boverman: 'Voor een 800 meter moet je alles in huis hebben. De 100 tot en met de 400 kun je in principe uit je hoofd leren. Tijdens een 1500 kun je je nog tijdens de wedstrijd corrigeren. Op de 800 kan elk foutje fataal zijn. Je moet tot op de bodem kunnen gaan, zodat het zwart voor de ogen ziet.'

Rob Druppers, die bij de eerste wereldkampioenschappen, elf jaar geleden in Helsinki, niet in de laatste plaats zichzelf verbaasde met een zilveren medaille, herkent dat. Maar ook hij heeft nooit een samenhang kunnen ontdekken tussen die verbazingwekkende reeks Nederlandse atletieksuccessen op de 800 meter. Toeval was het wat hem betreft. Hooguit zou het (incidentele) succes een rol kunnen spelen. Want wie jong is en aarzelt tussen bijvoorbeeld de 400 en 800 meter, kiest al snel voor de laatste afstand, als daarop een Nederlander internationaal een grote reputatie geniet.

Haico Scharn bevestigt dat en is tegelijk somber over de toekomst: 'Het wordt moeilijker omdat de atletiek steeds harder wordt. De aankomende Nederlandse atleten komen nergens meer binnen en de atletiekunie doet er weinig aan, of zeg maar praktisch niets, om dat probleem het hoofd te bieden. Vooral de mannen hebben daar last van.

'De vrouwen hebben het in verhouding gemakkelijker omdat de prestatiedichtheid er veel geringer is. Kijk naar Grete Koens die bij internationale wedstrijden wel mag lopen, terwijl een Simon Vroemen wordt weggehouden. Ik vroeg aan Milfried Meert of hij bij de Ivo van Damme Meomorial in Brussel op de 1500 mag uitkomen. Dan moet hij eerst 3.37 lopen, was het antwoord, heel simpel. Dat kan hij dus nog niet, maar alternatieven zijn er niet.

'Op de middenlange afstanden heb je waarschijnlijk door het belang van de taktiek meestal te maken met atleten die een behoorlijk intelligentiepeil hebben. Vaak zijn het studenten. Als je dan steeds moeilijker wordt om ergens binnen te komen, haken ze toch snel af. Dan kiezen ze voor een baan, een beroep. Nog voor hun talent is uitgekristalliseerd.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden