Een nieuw leven voor Gogol

Vertaler Aai Prins heeft Gogols Dode Zielen op bewonderenswaardige wijze een nieuw leven gegeven. Ga er maar aanstaan: Gogols taal zit vol neologismen, archaïsmen, pleonasmen en kronkelende bijzinnen.

Dode Zielen is een meesterlijk boek, daarover zijn we het snel eens. Maar Nikolaj Gogol, de auteur, is een stuk raadselachtiger. Hij verkeerde eigenlijk met niemand op voet van vertrouwen, leek steeds weer een nieuwe identiteit aan te nemen en bleef nooit lang op dezelfde plek. Als Dode Zielen verschijnt in 1842, wordt hij op het schild gehesen als een voorvechter van de vernieuwing, een liberaal, die het patriarchale Rusland op de kritische pijnbank legt. Maar daar wordt hij even snel weer afgetrokken als hij het achterste van zijn tong laat zien, en de lijfeigenschap een genade noemt, de tsaar Gods vertegenwoordiger op aarde, en de orthodoxe kerk een haven van goedheid en barmhartigheid.


In Rusland werd hij beschouwd als een schrijver van een nieuwe generatie, die het 'echte Rusland' liet zien, de bouwer van een nieuw realisme in de literatuur. Poesjkin en Belinski vonden dat onder anderen. Later werd dat weer krachtig weersproken vooral door Vladimir Nabokov, die meende dat de romanwereld van Gogol niets met de Russische werkelijkheid van doen had, omdat Gogol de Russische provincie niet kende.


Volgens anderen bestaat Gogol helemaal niet, en is hij slechts een nom de plume, een verkleedpartij, waaronder een andere schrijver zich verbergt, de Oekraïner Mykola Hohol. Want al schreef hij in het Russisch, hij was een etnische Oekraïner en dus werd hij in 2009 door toenmalige president Joesjtsjenko toegezwaaid als het vlaggeschip van de Oekraïense cultuur tijdens de viering van Gogols 200ste geboortedag. Prompt belandde Gogol met zijn sensueel openhangende mondje en zijn dunne billetjes, midden in het Russisch-Oekraïense conflict.


Gogols Dode Zielen gaat over een oplichter, Tsjitsjikov, die gestorven lijfeigenen opkoopt bij landeigenaren. Die willen er graag vanaf, want ze moeten belasting betalen over die lijfeigenen, tot de nieuwe officiële revisie komt. En dat kan jaren duren. Tsjitsjikov wil vervolgens een hypotheek sluiten op die lijfeigenen, en de benen nemen. De plot is slechts een voorwendsel om Tsjitsjikov door de Russische provincie te laten reizen en hem in een reeks holderdebolderende literaire kronkels te plaatsen, zoals die sinds Cervantes en Rabelais niet meer in Europa waren gehoord.


Gogols taal is de moeilijkste van alle klassieke Russische schrijvers. Een gapend ravijn scheidt zijn taalgebruik van het vlotte, contemporaine taalgebruik van Tsjechov. Gogols taal is exuberant, hilarisch, het gaat alle kanten op 'zoals een stel krabben die uit een zak vallen'. Hij vermengt jargon uit de gekste sociale hoeken, strooit overdadig met neologismen en archaïsmen, is ongrammaticaal, gebruikt voortdurend en blijkbaar bewust pleonasmen en tautologieën, goochelt met voltooide deelwoorden, en bouwt daarmee kromme kronkelende bijzinnen. En alles bij elkaar werkt het toch, blijft het spannend, zinderend zelfs. Alsof twee draaiorgels luid tegen elkaar in staan te ratelen en er ineens iets fantastisch gebeurt: er ontstaat een nieuwe muziek, een hoger soort ketelmuziek die ontroert en begeestert. Probeer daar maar eens Nederlands van te maken.


Aai Prins doet dat erg goed, al ontkomt zij niet aan het euvel dat zoveel vertalingen uit het 19de-eeuwse Russisch kenmerkt: een neiging tot normalisering, een neiging om het excentrieke, hoogstpersoonlijke karakter van een tekst glad te strijken. Dat gaat bijvoorbeeld zo: Gogol schrijft een lange ontsporende vergelijking, over een mannengezicht: '...een mannengezicht dat rond en breed is als een Moldavische pompoen, ook wel flespompoen geheten, waarvan in Rusland balalaika's worden gemaakt, tweesnarige lichte balalaika's - de lust en glorie van een behendige twintigjarige knaap, een dandy en charmeur die knipoogt en fluit naar de meiden met hun blanke borsten en halzen als ze samendrommen om naar zijn kabbelend gepingel te luisteren.' Maar in het Russisch staat niet charmeur, maar 'migatsj', afgeleid van het werkwoord 'migat' = knipogen. Die charmeur die knipoogt, is dus een 'knipoger die knipoogt'. Die gogoliaanse tautologie gaat in de vertaling verloren. Een frase verder gebruikt Gogol een tweetal neologismen: 'blankborstige en blankhalzige meiden', dat wordt bij Prins 'meiden met blanke borsten en halzen'. Ik begrijp de overweging van Prins wel. Wat in het Russisch van Gogol werkt, werkt niet altijd in het Nederlands en zit de leesbaarheid van de tekst in de weg. Om die overdaad aan stijlmiddelen te handhaven, zul je soms afstand moeten nemen van betekenissen, of zinnen moeten opknippen en ook dan verlies je weer excentriciteit.


Desalniettemin heeft Aai Prins een bewonderenswaardige vertaling gemaakt, die Dode Zielen een nieuw leven geeft voor de volgende twintig jaar. Wat een boek. Kijk nog eens naar die vergelijking hierboven. Hoe dat hoofd verandert in een pompoen die in de handen belandt van die behendige knaap waaromheen de meisjes samendrommen. En in die hele fantastische associatiestroom wordt het meest hilarische detail bijna weggemoffeld: de suggestie dat men in Rusland balalaika's maakt van pompoenen. Een leeservaring zonder weerga.


fictie


Nikolaj Gogol


Dode zielen


5 sterren


Vertaald door Aai Prins


Van Oorschot; 464 pagina's; euro 39,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden