Een neurotische dwerg met een mes

IN DE NACHT van zaterdag 23 maart 2020 woedt een hevige brand in het Grand Musée, 's werelds grootste museum....

De roman L'origine du monde, 'de oorsprong van de wereld', van de Franse schrijver Rezvani - de auteursnaam van schilder en chansonnier Serge Rezvani - vertelt het verhaal van een kunstvernieler 'met een missie'. Het boek roept, zeker in Nederland, herinneringen op aan G.J. van B., die op een grimmige vrijdagmiddag - 21 maart 1986 - in het Amsterdamse Stedelijk Museum het schilderij 'Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III' van Barnett Newman met een stanleymes aan repen sneed. Hij vernielde het doek met vier horizontale en vier verticaal-diagonale sneden. Overal op het linnen zaten de draadjes los.

Naar eigen zeggen wilde Van B. 'een daad stellen' na het lezen van een passage in een boek over de schilder Carel Willink, die zich beklaagde over de tegenwerking die hij van de abstracte avant-garde ondervond. Van B., 'liefhebber in kunst', handelde uit woede en uit gramschap, 'tegen de dominantie van de abstracte kunst'. Elf jaar later sneed hij, alweer op een vrijdag, voor de tweede maal een schilderij van Newman aan flarden. Van B. deelde pamfletten uit: 'Ik, Gert, heb weer doeken stukgesneden in het Stedelijk Museum, want de kapotte doeken die ik maak genezen de wereld.'

In de roman van Rezvani heeft de obsessionele en ziekelijke dwerg Bergamme het gemunt op 'L'origine du monde', het voor sommigen nog steeds aanstootgevende schilderijtje van Gustave Courbet, een close-up van het vrouwelijk geslachtsdeel, een doek dat nu deel uitmaakt van de collectie van het Parijse Musée d'Orsay. Courbet maakte het in 1866 voor de erotische verzameling van de Turkse diplomaat Khalil-Bey, die de pikante voorstelling verborg achter een groen gordijntje. In 1955 werd het schilderij verkocht aan de beroemde Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, die het ook al ophing achter een gordijn, 'want dat wekt de nieuwsgierigheid op'.

Bergamme heeft al eerder schilderijen gestolen, ze zelfs overgeschilderd, en verstopt een La Tour, een kleine Degas, een Manet en ook een Van Gogh uit Amsterdam onder zijn bed in zijn mansardekamertje. Hij kan, zegt hij, ongemerkt en op klaarlichte dag schilderijen uit hun lijsten halen en mee naar huis nemen. De dwerg wil ze 'onttrekken aan de blikken van de blinde museumbezoekers', die in dichte drommen voorbij die honderden schilderijen lopen en nauwelijks nog kijken naar de doeken. Hij maakt ze kapot of 'onaf', want in zijn ogen heeft het museum weinig of geen respect meer voor de kunstwerken. Het zijn allemaal rekwisieten geworden in handen van op geld en succes beluste museumdirecteuren, cynische types als de Duitse professor Gerbraun, hoofdconservator van het megalomane Groot Museum.

De pathologische amokmaker in de Salle Courbet, die zegt het schilderij te willen stelen, wordt door suppoosten opgepakt en krijgt een museumverbod. Maar hij komt telkens weer op zaal en de directeur wil met hem praten. Gerbraun speurt naar de beweegredenen van Bergamme en langzamerhand ontspint zich een discussie over alle thema's van de kunst, over de onvoltooidheid van een schilderij, over de toeters en bellen waarmee musea schilderijen ophangen, over restauratie en ook over het dupliceren of klonen van doeken 'om ze tegen kidnappers en kunstvandalen te beschermen', over antikunstenaars, drollen en Duchamps pissoir, over de griezelige Ganzkörperplastinate van de Duitse patholoog-anatoom Gunther von Hagen of de rariteiten van Damien Hirst.

Een potsierlijke parade van museummedewerkers verschijnt vanachter de coulissen en uit de catacomben van het Groot Museum ten tonele: professor Gerbraun ('Elke kunstenaar is een Schwein, kunst is Schweinerei'), het hoofd van de beveiliging Ernesto Quevedo, de erotomaan Alf (bijgenaamd Le Crapaud, 'de pad') die de vochtigheidsmeters controleert en in het museum ratten kweekt, enkele museumassistentes en Roberte, chef 'klonen'. Het Groot Museum is een nogal promiscue gemeenschap, die op de zolders en in de depots na sluitingsuur met elkaar flikflooit en bizarre spelletjes organiseert. Er valt een eerste dode, de perverse Alf, die in de Salle Courbet de rokken optilt van de werksters. Het is een grote zooi in het museum. En Bergamme trekt ten oorlog.

De roman is geen verhaal. Er is geen ontknoping. Het is een enquête. Na de grote brand zag men een zwaar toegetakelde dwerg uit het gehavende museum vluchten, met Courbets 'L'origine du monde'. Het hoofdpersonage, de verteller, gaat geregeld bij de zieltogende Bergamme in de ziekenboeg van de gevangenis op bezoek en schrijft zijn verhaal op. Hij notuleert bladzijden lang de vreemde geschiedenis van de dwangmatig stelende dwerg, 'tout ce que m'avait dit Bergamme', alles wat de kleptomaan hem vertelt.

Rezvani's boek is een pamflet over kunst en musea, een grappig, maar bijwijlen ook met vitriool geschreven 'J'accuse'. Gerbraun vertelt, bij monde van de biechteling Bergamme, over zijn tentoonstelling Tout fait Art, over het aan de museumwanden wapperende gebruikte toiletpapier, over de prikkelende reukkunstwerken, de poep van Piero Manzoni, de doormidden gezaagde dieren in formalineoplossingen van Hirst en het weerzinwekkende mausoleum van in perfecte staat geconserveerde lijken die de medicus-kunstenaar Von Hagen ooit in het Landesmuseum für Technik und Arbeit in Mannheim exposeerde. Gerenommeerde musea en galeries tonen meer en meer van die bizarre body parts-kunst en anti-kunst. Alles kan, alles mag, maar is het ook bijzonder?

In de roman L'origine du monde (hij schrijft ergens: fin du monde) veegt Rezvani het allemaal op een hoop. Het boek is het slot van een trilogie. In La Traversée des Monts Noirs (1992) beschrijft hij het congres van Russische ornithologen over de trek van de vogels en heeft het over de diaspora; in La Cité Potemkine (1998) gaat het over genetische manipulatie en Russische wetenschappers na Tsjernobyl. Zijn boeken zijn anti-utopieën.

Rezvani, geboren in 1928 in Teheran, trok zich na een nogal chaotisch leven in het Parijse Saint-Germain-des-Prés terug in Garde-Freinet in de Var en in zijn tweede huis in Venetië. Hij is schilder, dichter, romancier, toneelschrijver en chansonnier. Rezvani componeerde de liedjes voor François Truffauts film Jules et Jim. Hij is een duivelskunstenaar.

Van zijn vader, een Perzische beroepsgoochelaar, erfde hij zijn onsterfelijke ironie; van zijn moeder, een joodse van Russische origine die stierf in een Pools vernietigingskamp, zijn angst voor de ondergang en - zoals hij het zelf zegt - zijn 'desastreuze poëtica'. Zijn burleske L'origine du monde is een honderden bladzijden lange biecht, geschreven in dialogen over kunst, die de dwerg Bergamme zich op zijn sterfbed herinnert. Rezvani schrijft in de stijl van Denis Diderot, zoals in Jacques le fataliste et son maître. Het gaat maar door, een oprisping hier, een beschouwinkje daar, een toespeling, een vergelijking, een klacht en een klucht.

Alle kunst is weerloos. En misschien ook reddeloos. De ondertitel van het boek is veelzeggend: Pour une ultime histoire de l'art à propos du 'cas Bergamme'. Voortdurend word je al lezend aan zulke verschrikkingen herinnerd, aan die man uit Papendrecht die in een anonieme brief aan het parket in Dordrecht aankondigt binnenkort een schilderij zodanig te vernielen dat 'een Rembrandt niet langer van een Picasso is te onderscheiden'.

Zeven maanden later slaat hij zijn slag en vernielt in het Dordrechts Museum tien zeventiende-eeuwse meesterwerken, een Bol, een Cuyp, een Maes. De lappen hangen erbij. Hij heeft geen spijt. 'Ik heb reden om alle musea in brand te steken', zegt de man tegen De Dordtenaar. 'Al brandt heel Dordt af, dat doet me niets.' Of neem de 29-jarige Josef Nikolaus Kleer, die in de Berlijnse Nationalgalerie met zijn vuisten tegen het canvas slaat en met zijn voeten tegen het spieraam schopt van een abstracte Newman, 'omdat iedereen zo kan schilderen'.

Hij is, verklaart hij later, een action artist, een hallucinante redenering die de advocaat mr C. Korvinus van G.J van B. uit Amsterdam ook al eens in de rechtszaal heeft verdedigd: 'De daad van Van B. moet beschouwd worden tegen de achtergronden van een verruimd kunstbegrip, waarin ieder mens een kunstenaar kan zijn en zijn sociale sculptuur kan maken.' Is de dwerg Bergamme een reus?

Tegen alle opdringerigheid van hypes en nieuwigheden en tegen het iconoclasme, dat van alle tijden is, wil de schilder zijn kunst beschermen. De drie delen van L'origine du monde kregen van Rezvani een motto dat ontleend is aan het prachtige Le Chef-d'oeuvre inconnu van Balzac. De schilder Frenhofer, het hoofdpersonage van Balzacs novelle, werkt aan zijn meesterwerk, een naaktstudie van de courtisane Catherine Lescault. In zijn ogen is het doek nooit voltooid, het is kwetsbaar, zoals ook zijn maker kwetsbaar is. Als hij het werk aan zijn bezoekers Pourbus en Poussin toont, zijn ze onthutst. Het schilderij is een weerloze en verwarde massa kleuren en grillige lijnen. Frenhofer sterft de volgende dag - maar niet voordat hij, om zijn oeuvre te beschermen, al zijn schilderijen heeft verbrand.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden