Een Nederlandse held in Albanië

Nu niet, zegt Kok, maar in 1914 gingen we wel degelijk naar Albanië. Twintig Nederlandse officieren traden bij Koninklijk Besluit 'voor den tijd van drie jaren in Albaneeschen dienst' om een gendarmerie te recruteren en op te leiden....

Zelfs een Hongaarse ritmeester solliciteert: '...bin vollkommen gesund, 38 Jahre alt, römisch-katholisch, verheiratet, habe einen 15 J. Sohn...' Hij heeft nog méér te bieden, beheerst Duits, Hongaars, Sloveens plus 'ein wenig' Russisch en Frans.

De Hongaar wil huurling worden. Maar het ministerie van Oorlog in Den Haag is onverbiddelijk: buitenlanders, hoe kundig ook, komen niet in aanmerking. Het is een Nederlandse zaak. Bij veel legeronderdelen arriveren brieven met als aanhef: 'Ik heb de eer UHoogedelgestrenge te verzoeken mij met spoed te doen toekomen eene opgave van een of meer onderofficieren, die geschikt en genegen zijn om voor den tijd van 2 jaren over te gaan in Albaneesche dienst.' Later wordt het dienstverband opgerekt tot drie jaar.

Het is 1914. Europa staat aan de vooravond van een strijd, massaler en bloediger dan ooit en die daarom Eerste Wereldoorlog zal heten.

Maar de eerste tekenen zijn er al. De Balkan-oorlogen van 1912 en 1913 zijn schermutselingen om de 'Europese erfenis' van het Ottomaanse Rijk en de Turken raken bij het Verdrag van Londen (30 mei 1913) alle Europees territoir kwijt, op een stukje bij Constantinopel (Istanboel) na.

Midden in die Balkantroebelen proclameert het kleine Albanië zich zelfstandig. De grote mogendheden staan er welwillend tegenover, maar zien ook de problemen: het landje kent stammenstrijd en bloedwraak. Een Internationale Controlecommissie zoekt daarom een koning van buiten. De keus valt op de Duitse prins Wilhelm von Wied, geen onbekende in Nederland. Voor de geboorte van prinses Juliana (1909) was deze Wied nota bene de Nederlandse troonpretendent. Het is dus niet zo vreemd dat de controlecommissie in Den Haag terecht komt nu er een 'Albanese gendarmerie' moet worden opgericht.

Twee Nederlandse officieren worden vooruitgestuurd. In november 1913 landen kolonel Willem de Veer - de beoogde commandant van de nieuwe gendarmerie - en majoor Lodewijk Thomson in Valona (het huidige Vlore). Ze gaan niet over één nacht ijs. Op 15 februari 1914 voltooien zij een 150 pagina's tellend, bijna wetenschappelijk aandoend rapport waarvan het eerste gebonden exemplaar voor koningin Wilhelmina is en het tweede voor prins Hendrik.

Het staat vol met nuttige wenken voor de voorlopig twintig vrijwilligers die in Nederland geworven worden: 'Een Zeiss- of Görz-kijker is onmisbaar; een niet te zware revolver van voldoende stopkracht (dus geen automatische pistolen); één sabel is ruim voldoende, daar zij alleen bij plechtige gelegenheid gedragen wordt. Veldflesch, kompas, signaalhoorntje.' Absolute voorwaarde: zo snel mogelijk Albanees leren.

Op 28 februari komen de eerste Nederlandse militairen aan vanuit Brindisi, flink zeeziek. De Veer noteert: 'Het is een kranig stel officieren en toen wij - Thomson en ik - hen 's avonds in een Italiaans hotel te gast hadden, maakten zij in hun nette uniformen op al de aanwezigen een bijzonder gunstigen indruk.' Het kranige stel is op alles voorbereid; de meesten hebben een smoking mee.

De nieuwe gendarmerie moet worden gerecruteerd, maar 'de berichten uit het Zuiden zijn zeer alarmerend. Gisteren werd ons toegezonden eene proclamatie van een zekere SPIROMILLO, waarin hij de aldaar wonende Grieken aanspoort zich niet te buigen onder het Turksch-Albaneesche juk. Het ziet er fraai uit. Ik weet nog niet wat de de controlecommissie met dit bericht gedaan heeft, waarschijnlijk overgeseind aan de mogendheden en aan deze de beslissing gelaten.'

Verderop signaleert De Veer: 'En alles wat nu onder de ogen zal moeten worden gezien is, naar mijn bescheiden meening, de schuld van de grootmachten die onderling niet altijd eensgezind zijn en daardoor ook weinig doortastende maatregelen nemen.' Deze passage zou in 1997 geschreven kunnen zijn.

De nieuwe koning durft pas in maart 1914 naar Albanië wanneer de stroom dreigbrieven aan zijn adres opdroogt.

De verhouding tussen De Veer en zijn ondergeschikte Thomson is van meet af aan moeizaam. Bij Koninklijk Besluit van 20 januari 1914 zijn zij in Albanese dienst overgegaan. Beiden worden gepromoveerd.

Lodewijk Thomson is in Nederland een bekend man. Van 1905 tot 1913 was hij lid van de Tweede Kamer voor de Liberale Unie en zat ook enige tijd in de Haagse gemeenteraad. Hij maakte zich sterk voor een meer gedemocratiseerd leger. Hij heeft in Atjeh de Militaire Willemsorde gekregen, maar verzette zich later tegen Van Heutsz' moordpartijen. Hij heeft nog méér van de wereld gezien, als militair attaché tijdens de Boerenoorlog.

Voor de missie in Albanië is juist hij geschikt, omdat hij tijdens de eerdere Balkan-oorlogen, alweer als attaché, uitvoerig over diverse acties van het Griekse leger heeft gerapporteerd.

Zijn meerdere Willem de Veer is daarentegen een doorsnee carrière-officier, bijna tien jaar ouder dan Thomson en niet meer zo flexibel. 'Men zoude wenschen twintig jaar jonger te zijn', schrijft hij openhartig.

Dat botst. Maar de generaal is op 18 maart 1914 nog vergevingsgezind wanneer de nieuwe koning op zijn voorstel Thomson tot regeringscommissaris met onbeperkte volmacht voor het zuiden benoemt: 'Ik geloof dat de pacificatie van de Epirus aan geen betere handen kan worden toevertrouwd en hoop van harte dat Th. het welverdiende succes zal kunnen bereiken. Ik heb met Th. wel eens verschil gehad, daaruit voortkomende, dat hij soms wat al te veel de lakens wil uitgeven, maar dat neemt niet weg, dat ik zijne groote gaven, zijne energie en werkkracht hoog weet te waardeeren.'

Maar voor Thomson is de behoudende generaal een sta-in-de-weg. De andere Nederlandse officieren kiezen duidelijk partij voor hun populaire overste. Er vallen herhaaldelijk harde woorden. Begin juni noteert De Veer: 'Ik heb heel wat met den Majoor Thomson door zijn brutaal en ongepast optreden moeten doorstaan en om de zaak zelve niet te schaden, heb ik mij heel wat moeten laten aanleunen. Dat ik nog niet zenuwziek ben geworden is werkelijk zijn schuld niet en wanneer het al te bar werd en het tot eene uitbarsting tusschen ons kwam, dan was eene huilbui zijnerzijds gewoonlijk het gevolg en dacht ik: ''ach, hij is een Streber maar au fond goed'' en dan gaf ik hem weer de hand zeggend: ''Laten wij elkaar toch het leven hier niet moeilijker maken dan het al is; wij hebben elkaar noodig en wij moeten onder alle omstandigheden op elkaar kunnen rekenen'.

Neemt Thomson dan zijn toevlucht tot een lage list? De Nieuwe Courant van 21 mei 1914 beschuldigt generaal De Veer ervan de beslissing van een hoge gezanten-conferentie te negeren die zegt dat in de gendarmerie alle organen die de openbare veiligheid betreffen moeten zijn opgenomen. De Veer heeft minister van Binnenlandse Zaken Essad-pasja toegestaan een eigen politie op te richten. De correspondent zegt dat dit buiten medeweten van de overste Thomson is gebeurd.

De Veer ontsteekt in toorn, want dit is nu juist precies wat hij niet wilde. Maar het besluit is hem door de koning opgedrongen. Erger nog: Thomson wist het al vier dagen eerder, had het zelfs 'geregeld', voor De Veer verzwegen en ook nog eigenmachtig een nieuwe politiechef in Durazzo (Dürres) benoemd. Generaal de Veer voorziet: 'Hierdoor dus zullen Nederlandsche officieren vermoedelijk in een burgeroorlog gemoeid worden', en juist dat dient tegen elke prijs voorkomen te worden. Even later wordt Thomson Directeur de la force armée. Hij is dan in feite minister van Oorlog en De Veer onmiskenbaar voorbij gestreefd.

De Veer is er daarom van overtuigd dat Thomson zelf de kwade genius achter het infame stuk in de Nieuwe Courant is en wil van de overste 'op eerewoord' horen dat dit niet het geval is. Thomson weigert dat erewoord te geven.

Op 6 juni eist De Veer in een brandbrief dat de Nederlandse minister van Oorlog Thomson terugroept, wat op zich zonderling is want de Nederlandse officieren zijn immers in Albanese dienst. Tegelijkertijd vraagt De Veer aan de Albanese vorst 'mij een verlof van zes weken dan wel één maand' toe te staan. Dat krijgt hij en schrijft naar den Haag: 'Ik heb mij na de verkregen toestemming direct naar Valona begeven, alwaar ik aan het rustige zeestrand mij eenigermate hoop te kunnen herstellen'.

Dan breken er rond Durazzo vijandelijkheden uit. Thomson sneuvelt op 15 juni. De Veer is er niet bij, want herstellende aan het strand.

Thomsons dood maakt diepe indruk in het vaderland. Koningin Wilhelmina herdenkt: 'Sedert die droeve mare tot ons kwam, trilt in ons de snaar van vaderlandsliefde, Nederlandsche harten kloppen sneller, volk en leger, wij allen gevoelen ons op een gansch bijzondere wijze één in rechtmatigen trots op den zoon van onzen stam die in den vreemde getoond heeft wat oud-vaderlandsche plichtsbetrachting en moed beteekenen, op zijne krijgsmakkers in Albanië die eene schoone taak op de schouders namen in dienst der beschaving.'

Twee weken later valt het schot in Sarajevo dat de Eerste Wereldoorlog uitlokt. De Nederlands/Albanese officieren gaan naar huis en worden teruggeplaatst bij hun oude onderdelen. Nederland mobiliseert.

Thomson krijgt zijn standbeeld, in Den Haag, op het Thomsonplein. Kapitein Jan Fabius schrijft herinneringen: Met Thomson in Albanië. Het is één grote lofzang op de betreurde overste.

Generaal-majoor De Veer wordt er terloops even in genoemd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden