EEN NAR ALLEEN OP EEN STOELTJE

Aus Greidanus regisseert De Storm, het stuk waarin hij dertig jaar geleden bij De Appel debuteerde. Inmiddels is hij tien jaar artistiek leider bij het Haagse gezelschap, als opvolger van Erik Vos, die De Appel groot maakte....

'Trekken, trekken! En weg!' De regisseur komt net boven het lawaai uit. In de piste dendert aan touwen een reusachtig zeil omlaag, spelers trekken het doek heen en weer, uit alle macht, alsof de wind eraan rukt. Het klappert, de muziek doet mee. Alles schettert en knalt. En in dat heidense kabaal roepen de acteurs hun tekst. Uiteindelijk bedaart het, ze vallen stil, het zeil zakt en schuift weg over de grond om onder de tribunes te verdwijnen. 'Ok, stop maar, goed.' Aus Greidanus komt van de tribune en legt zijn acteurs uit wat er nog beter kan.

Hij regisseert De Storm, het laatste stuk van Shakespeare waarin de schrijver min of meer zichzelf portretteert als Prospero, de tovenaar die dromen creëert. Die storm laat een schip met hovelingen stranden op een fantasie-eiland waar allerlei merkwaardige lieden al eerder hun toevlucht hebben gezocht, op het nippertje ontkomen aan de verdrinkingsdood. Greidanus (56) koestert al jaren een voorliefde voor dit grillige stuk. 'Shakespeare is altijd een test: hoeveel red je en waar schiet je uit de bocht. Met hetzelfde stuk werd dit Appeltheater in 1976 geopend. Regie Erik Vos. Ik speelde toen een van die verdwaalde edelen.'

Sinds 1996 is hij artistiek leider van De Appel, het gezelschap waaraan hij al ruim dertig jaar verbonden is. Eerst als acteur, later ook als regisseur naast Erik Vos. Na diens vertrek nam hij het roer over, terwijl het Haagse gezelschap toen al behoorlijk veel kritiek kreeg. De mode spoorde niet meer met de grote gebaren van de Appelacteurs, een stijl die aanvankelijk zo werd omarmd. De Storm zou symbool kunnen staan voor alle stormen die het gezelschap daarna over zich heen heeft gekregen. Opheffing leek onontkoombaar, maar Greidanus zag kans het gezelschap boven water te houden. Sterker nog: De Appel staat weer op de kaart, is zelfs weer en vogue.

In De Storm debuteerde hij destijds bij De Appel. Samen met zijn toenmalige vrouw, Sacha Bulthuis, was hij als jong acteur van Globe naar het Haagse gezelschap overgestapt. 'Erik Vos wilde vooral Sacha hebben. Mij zag hij niet zo zitten. Uiteindelijk vielen er twee andere acteurs weg en toen mocht ik komen. Voor een jaar. Na dat jaar vond Vos het nog steeds niks wat ik deed. Ik moest zangles nemen, spraakles en kreeg privéles van hem. Nee, ik was nooit zo'n briljant acteur. Weet je wat ik voor kritiek kreeg na mijn eerste rol? Tenslotte was er nog het debuut van ene Ans Gerdans, niet kunnende spelen, niet kunnende zingen. Gauw vergeten deze acteur.''

Greidanus is gepokt en gemazeld in het theater. Zijn vader was de zakelijke rechterhand van Erik Vos. 'Erik en hij kenden elkaar al heel lang. Ik ben opgegroeid op het toneel, altijd achter de schermen en mee naar voorstellingen. Ik moet zes zijn geweest toen dat begon. Natuurlijk wilde ik later maar één ding: acteur worden.' Hij werd acteur, op de Toneelschool in de tijd van Actie Tomaat. 'We waren vooral bezig met het opstellen van politieke manifesten en met het bepalen welke docenten weg moesten en wie moest blijven. Geen idee van het vak.' Dat leerde hij bij Erik Vos.

In de loop van de tijd werd hij als acteur naar eigen zeggen 'een beetje beter'. Maar gaandeweg kreeg hij ook ideeën over de hele voorstelling en wilde hij meer. Zijn eerste regie deed hij niet bij De Appel, daar was Erik Vos teveel heer en meester, maar bij Toneelgroep Theater. Een clownsprogramma, voor kinderen. Clowns en het circus zijn nog steeds zijn grootste inspiratiebron. 'De essentie van theater is voor mij nog altijd die nar die alleen op een stoeltje zit in een leeg theater. Met doodsangst in zijn ogen. En dan denk ik aan de grote clowns, Chaplin, Groc, maar ook Toon Hermans.'

Hij praat langzaam, een tikje gedragen. In zijn karakteristieke houding, achterover gestrekt in een stoel, de armen breeduit, de ogen op scherp, ontgaat hem weinig. Schipperstrui, grijze wapperharen, de trekken een beetje vermoeid. Met een air van: kom maar op. Een vechter die altijd moest opboksen tegen Erik Vos, zijn markante voorganger die de Appel groot maakte. Met muzikale, beeldende producties vol fysiek acteerwerk. Geen gezelschap met een trouwer, toegewijder publiek: een vriendenclub van vijfduizend leden, die in 1994 zelfs het Appeltheater had aangekocht. Die eerste tijd werd hij als nieuwe artistieke leider met argwaan bekeken. 'Natuurlijk, dat is een ramp, daar heb ik jaren last van gehad. Dat verlies je altijd, er wordt altijd vergeleken. Het publiek wilde dat alles gewoon door zou gaan. Maar ik ben Erik Vos niet.'

Vanaf het aantreden van Greidanus, in 1996, lag het gezelschap hevig onder vuur. In 2000 werd de rijkssubsidie stopgezet. De groep had zijn tijd gehad, was niet vernieuwend genoeg en zou stuurloos geworden zijn na het vertrek van Vos. 'Je mag afgerekend worden op gebrek aan kwaliteit, daar had ik geen probleem mee. Maar diversiteit is belangrijk: de stijl van de Appel vind je in Nederland nergens. Waar wordt nog zo lijfelijk gespeeld, zo muzikaal, met zoveel aandacht voor de tekst en met spelers die daar goddank mee kunnen omgaan, ook met de verzen van Shakespeare? En waar vind je zo'n theater, waarin alles kan? We kunnen hier doen wat we willen, muren uitbreken of de hele zaak onder water zetten.'

Toen ze in de frontlinie lagen, dacht hij: als we doorknokken kan dat alleen als ik extreem mijn eigen koers blijf varen. Daarom kwam hij in 2003 met Tantalus van de Britse auteur John Barton, waarin zo'n beetje de hele Griekse mythologie werd samengevat. Een elf uur durende theatermarathon die tot in 2004 volle zalen trok. 'Het was kamikaze, niemand geloofde erin. Zodra het een succes bleek te zijn, zei iedereen: natuurlijk kan dat. Maar echt, het was erop of eronder. Een heel seizoen waren we met niets anders bezig. Als het een mislukking was geworden of er was geen publiek op afgekomen, zou dat onze ondergang zijn geweest.'

Sindsdien mag de Appel weer. De rijkssubsidie is terug op het oude niveau, de problemen zijn opgelost. 'We zijn destijds in leven gehouden door de gemeente Den Haag vanwege de erfenis en dit theater. Dat was fantastisch. Dat we nu weer subsidie krijgen, hebben we te danken aan wat we doen.'

Een paar dagen later, na de eerste doorloop waarin voor het eerst alle scènes achter elkaar worden gespeeld, verzucht hij: 'Ik word maar postbode'. De openingsstorm is versoberd, het zeil is verdwenen. Al is het handschrift van Vos nog steeds te herkennen. Hij geeft het zelf grif toe: 'Ik maak zeker gebruik van de basiswetten van het theater, zoals Erik die hanteert. Contrasten, muzikaliteit, het epische theater als uitgangspunt. Dat wil zeggen dat je altijd laat zien dat je speelt. Het mechanisme van de maskerade en de ontmaskering. In alle grote stukken zit dat: meestal weten de personages zelf niet wat hen overkomt, maar wij, als publiek, zien hoe ze op hun bek gaan. Dat is het mooie van toneel.'

Als regisseur denkt hij vanuit de acteurs. 'Het voordeel is dat ik precies weet wat hun problemen zijn. Omdat ik zelf zo lang heb gespeeld kan ik aardig uitleggen wat een speler moet doen om het wel voor elkaar te krijgen. Het nadeel, zeker bij mij, is dat ik me te veel concentreer op technische details waardoor mijn visie op het stuk op de achtergrond raakt. Meer theoretisch geschoolde regisseurs hebben vaak heel goede ideeën, maar die kunnen ze weer moeilijker overbrengen op acteurs.'

Hij heeft een voorkeur voor de klassieke stukken die thuishoren in dit theater: Shakespeare, Molière. Daarnaast houdt hij van Thomas Bernhard en Botho Strauss. Kale stukken, cynisch, waarin geen opwekkend wereldbeeld wordt geschetst. 'Die tweedeling is misschien schizofreen, maar dat hoort wel bij mij. Het ene is exuberant, het andere inktzwart. Neem zo'n Bernhard. Die schopt alles in mekaar. Toch is er op het eind van zijn stukken altijd nog hoop. Een jong meisje komt een oude man een radiootje brengen of iets anders. Dat vind ik de charme. En de humor. Als die weg is, ben je ten dode opgeschreven.'

Met vernieuwende tendensen zoals video op het toneel, heeft hij zelf weinig op. 'Dat doen anderen veel beter. Net zo min wil ik zo'n Shakespeare interpreteren naar onze tijd, zoals Theu Boermans of Ivo van Hove dat doen. De scènes op zichzelf zijn zo krachtig en theatraal, hoe concreter je ze speelt, hoe mooier ze zijn. Het gaat over theater, over fantasie. Wij doen een appèl op de verbeelding van het publiek met niet meer dan een touw en een paar stoeltjes.'

Een beetje weemoedig kijkt hij rond: 'Hier werk ik al ruim dertig jaar. Het is een fantastische plek, die behouden moet blijven. Dit kan een jongere garde straks overnemen. Wij, als jaren-zeventiggeneratie hebben al veel te lang gewacht met die opvolging. De komende jaren wil ik hier volop jonge mensen binnenhalen. Intussen ben ik het zelf nog lang niet zat. Al zal er zeker een moment komen dat ze zeggen: Greidanus stop maar. En dan ben ik weg.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden