Een monument voor drie heldinnen

De Dominicaanse schrijfster Julia Alvarez wilde een boek schrijven over de geschiedenis van de zusters Mirabal: Patria Mercedes, Minerva, en Maria Teresa, die op 25 november 1960 werden vermoord door agenten van de Dominicaanse dictator Trujillo, tegen wie zij zich hadden verzet....

'O hemel, alweer een', laat Alvarez de enige overlevende zus van de Mirabals, Dedé, verzuchten als de schrijfster zich bij haar aanmeldt. Er is, na 34 jaar, net eindelijk een beetje een einde gekomen aan al de 'herdenkingen, interviews en toekenningen van postume onderscheidingen', en het is niet eens november, maar maart. Krijgt Dedé dan nooit rust.

Je zou het haar gunnen, maar Alvarez heeft zich in het hoofd gezet een monument voor de drie heldinnen op te richten. Ze wurmt zich het leven van de familie Mirabal in. Via Dedé. De zus vertelt, maar al gauw neemt de schrijfster het verhaal over, om het daarna weer kwijt te raken - het verhaal, eenmaal op gang gekomen, gaat met haar op de loop: 'Ik vroeg me steeds af, waar hebben ze de moed vandaan gehaald? Ik ben dit verhaal begonnen om die vraag te beantwoorden. Maar zoals dat met elk verhaal gaat, namen de personages de boel over, en gingen voorbij aan de feiten en de polemieken. In mijn fantasie werden ze echt. Ik begon ze te bedenken.'

Feiten en fictie zijn in Alvarez' roman In de tijd van de vlinders door elkaar gaan lopen. De gezusters Mirabal uit het boek zijn niet de gezusters Mirabal uit de werkelijkheid. 'Ik heb de echte zusters nooit gekend en had ook geen toegang tot voldoende informatie om een natuurgetrouw beeld van hen te schetsen. Bovendien bezit ik niet het talent en de aanleg van de ware biograaf. . . Dus wat u hier aantreft zijn de Mirabals zoals ze door mij zijn geschapen en bedacht, naar ik echter hoop wel in overeenstemming met de geest van de echte Mirabals.'

Alvarez schrijft geschiedenis, maar op een manier die werkelijker moet zijn dan de werkelijkheid zelf: een manier die effect moet hebben. Want Alvarez wil dat de mensen zich de geschiedenis van de zusters Mirabal ter harte nemen.

Om die nieuwe lezers te bereiken heeft ze niet de kale feiten nodig, maar de literatuur. Door de gezusters Mirabal opnieuw te verzinnen probeert Alvarez hen en hun geschiedenis tot leven te wekken. Alvarez vertelt het verhaal van ieder van hen, vanaf hun prille jeugd als argeloze kostschoolmeisjes tot het moment dat zij als volwassen vrouwen volledig bewust en weloverwogen de kant van het verzet tegen Trujillo kozen.

Dat doet ze niet door de naakte feiten te vertellen, maar door vooral de sfeer te schetsen waarin de meisjes opgroeien, het naïeve vertrouwen dat ze hebben in de autoriteiten en in El Jefe Trujillo in het bijzonder. Hoe dat vertrouwen barst als El Jefe een van hun klasgenootjes in een villa installeert als zijn liefje. Hoe het breekt als een ander klasgenootje vertelt hoe alle mannelijke leden van haar familie op last van Trujillo zijn uitgemoord. Hoe ten slotte de twijfel verkeert in haat, en die haat de vrouwen de moed schenkt zich te verzetten zonder zich te bekommeren om wat daarvan kan komen.

Het is fictie, want Alvarez' heldinnen zijn verzonnen. Maar worden ze daardoor minder echt of minder authentiek?

Alvarez wekt in In de tijd van de vlinders (Luitingh-Sijthoff, ¿ 34,90) de suggestie van authenticiteit. Terwijl ze eerlijk opbiecht dat ze het boek grotendeels heeft verzonnen. Alleen op die manier kon ze de werkelijkheid tot leven wekken, en in ieder geval zo tastbaar maken dat een lezer misschien begrijpt hoe zoiets als heldenmoed überhaupt mogelijk is.

Soms is de werkelijkheid op zichzelf al zo verschrikkelijk, dat er geen literaire middelen nodig zijn om haar indringend te beschrijven. De geschiedenis van het getto van Krakau bijvoorbeeld, die wereldberoemd is geworden door de film Schindler's list (naar het gelijknamige boek van Thomas Keneally). Een van de sleutelfiguren in het verhaal van Schindler's list was de apotheker Tadeusz Pankiewic. Pankiewicz belandde in het getto omdat hij er toevallig woonde. Zijn apotheek, Onder de adelaar, lag al aan het Zgodaplein op het moment dat die buurt door de Duitsers tot Joodse Wijk werd uitgeroepen. Pankiewicz wilde zijn apotheek niet in de steek laten en bleef. Hij was de enige Pool-niet-jood die niet vertrok. De apotheek werd een ontmoetingsplaats, die dag en nacht geopend was. 'Na elke belangrijke gebeurtenis, na elke deportatie richtten de schreden van onze vrienden en bekenden zich onmiddellijk naar de apotheek. Zelden was ik alleen, ook niet na de avondklok. Veel mensen brachten bij mij de nacht door, uit angst voor arrestatie.'

Pankiewicz schreef in 1947 op verzoek van de joden die de oorlog overleefden een kroniek van de gebeurtenissen in het getto van Krakau. Het boek waarin hij verslag deed van de gruwelijkheden, moorden, deportaties en de collaboratie met de Duitsers, werd in Polen meteen verboden. Onder de adelaar, de apotheek in het getto van Krakau is nu uitgebracht in een Nederlandse vertaling (Xeno, ¿ 34,50).

Pankiewicz blijkt daarin geen enkele behoefte te hebben aan literaire verfraaiing van wat er gebeurde: 'Alle feiten die mij ter ore kwamen heb ik meerdere malen gecontroleerd om ze later zo nauwkeurig mogelijk te kunnen weergeven. Toen ik deze herinneringen schreef ging het me puur om een kroniekachtige optekening van gebeurtenissen.'

Zoals Alvarez door gebruik van haar eigen fantasie de geschiedenis tot leven wekt, zo blijkt bij Pankiewicz juist het vermijden van elke opsmuk ertoe bij te dragen dat de geschiedenis die hij beschrijft extra navrant tevoorschijn treedt.

De titels van de hoofdstukken zijn geschreven als de etiketten op zijn apothekersflessen: 'Voorlopig nog rustig - de eerste deportaties - collaboratie met de Duitsers - deportaties van 2 tot 5 juni 1942.' Bijna op dezelfde ambtelijke toon beschrijft hij wat zich afspeelde.

'Tijdens deze deportatie hebben veel mensen zelfmoord gepleegd. Een aantal oudere mensen kreeg op hun uitdrukkelijk veroek vergif van hun naasten. (...) Ik kende ook een arts, die op het smeken van zijn ernstig zieke vader hem een injectie met cyaankali gaf. Ondanks de grote dosis trad de dood niet, zoals te verwachten was, meteen in. Weliswaar raakte hij snel bewusteloos, maar het proces van sterven duurde nog een tiental minuten; blijkbaar was het vergif door verloop van tijd al minder sterk geworden.' Op dezelfde onaangedane toon vertelt hij voort, over zelfmoorden, deportaties, executies en verraad. Pankiewicz is vorig jaar overleden.

De recente geschiedenis van China is enkele jaren geleden voor het Westen tot een tastbare werkelijkheid gemaakt door het wereldsucces Wilde zwanen, drie dochters van China van de schrijfster Jung Chang. De wreedheid van het communistisch bewind, de willekeur tijdens de Culturele Revolutie, de angst en het wantrouwen die daarvan het gevolg waren - het werd door Jung Chang zo indringend beschreven dat China sindsdien deel uitmaakt van onze eigen geschiedenis.

Het effect daarvan is dat boeken die in datzelfde China spelen sindsdien vertrouwd aandoen. Zoals de roman Leven! van de jonge Chinese schrijver Yu Hua (door Zhang Yimou verfilmd onder de titel Lifetimes). Yu Hua vertelt het levensverhaal van Fugui. Telg uit een rijke familie, die van zijn vader vooral diens goklust heeft geërfd. Hij verspeelt zijn hele fortuin en leidt vervolgens het leven van een arme boer. Dat is zijn geluk, want omdat hij arm is, overleeft hij ongeschonden de Culturele Revolutie en alle andere ellende die Mao over China heeft gebracht. Daardoor speelt de geschiedenis niet zo'n allesoverheersende rol als in Wilde zwanen.

Yu Hua gebruikt haar vooral als decor. Zij heeft de loodzware lading die ze bij Jung Chang nog had, verloren. China dient bij Yu Hua vooral als entourage voor het tijdloze levensverhaal van een man die keer op keer op keer door het lot wordt getroffen, tot hij alleen overblijft, als een monnik, met als enige gezelschap zijn os. 'Voortaan moest ik mijn dagen in mijn eentje slijten. Ik was ervan overtuigd dat ik het niet lang meer zou maken, maar tot mijn verbazing ben ik deze jaren ook doorgekomen.' (De Geus, ¿ 39,90).

In de deze week verschenen jonge Nederlandse literatuur speelt geschiedenis geen enkele rol. Tommy Wieringa debuteert met Dormantique's Manco, een roman over een fataal voortknagende jeugdliefde (In De Knipscheer ¿ 32,50). Het debuut van Arjan Witte, Rode Zeep (In de Knipscheer, ¿ 29,50), volgt verveelde jongeren van Zuilen. Bij Querido debuteerde Menno van Beekum met Het Jacobson-complex (Querido, ¿ 35,-), waarin hij de lotgevallen beschrijft van een werkloze halfgeschoolde die herenmodeverkoper wordt. Van Gijs IJlander verscheen een bundel verhalen (Vis voor iedereen, Veen, ¿ 24,90) die voor het merendeel eerder verschenen in diverse tijdschriften.

In de serie Europese Contouren, die onder redactie staat van de historicus Jacques Le Goff, is een boek van Umberto Eco verschenen: Europa en de volmaakte taal (Agon, ¿ 49,90). Meer een boek voor de liefhebbers van de essayïst en wetenschapper Eco, dan voor wie houdt van De naam van de roos. Eco gaat op zoek naar de volmaakte taal, de moedertaal waaruit alle andere talen zijn ontsprongen, of de taal, die alle andere talen omvat.

Essays met een stevig intellectueel gehalte zijn er ook verschenen van Stefan Hertmans: Fuga's en pimpelmezen. Kritische en polemische stukken over George Steiner, Jan Fabre, de erfenis van de avant-garde, Sjostakovitsj en Jarrett, Hindemith en Benn, en Bernard-Henri Lévy. (Meulenhoff, ¿ 36,90).

Van Oorschot heeft een tweetalige editie van een ruime keuze uit de lyriek van de Russische dichteres Marina Tsvetajeva (1892-1941). Ze ging in 1922 in ballingschap in Parijs, maar keerde in 1939 berooid naar de Sovjet-Unie terug, waar ze zich in 1941 verhing. Tsvetajeva is een van de meest gelezen dichters van Rusland. De bundel heet: Wat zijn mij wolken nog, en wegen (Van Oorschot, ¿ 49). Haar gedichten zijn, aldus een van de vertalers, Marco Fondse, tijdloos, of in ieder geval was het mooi dat ze nog een tijd hebben kunnen 'rijpen'. Dat leek Tsvetajeva zelf al beseft te hebben: 'Want terzij van tijd en duur/ Zag ik 't levenslicht! Hoe ijdel/ Is je strijd! Vorst van een uur:/ Tijd! Ik ben je lang voorbij al.'

Tijd speelt ook een cruciale rol in de roman van de Britse auteur Robert Winder: Een verstandshuwelijk met de tijd. Luke, de hoofdpersoon, wordt om tien voor half negen wakker. Hij heeft dan nog drie uur voordat zijn vliegtuig naar Italië vertrekt, waar hij een nieuw leven wil beginnen. Drie uur blijken gauw gevuld. (De Bezige Bij, ¿ 39,50).

De Bezige Bij herdenkt de 'vijftigste mei' met een cd, waarop Remco Campert het gedicht De achttien dooden van zijn vader Jan Campert (1902-1943) voorleest. ('Een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed. . .'). Op de CD staat ook een gezongen versie op muziek van Henny Vrienten, en bijgevoegd is een facsimile van de rijmprent die De Bezige Bij tijdens de oorlog van dat gedicht heeft verspreid. (De Bezige Bij, ¿ 15,-).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden