'Een middelmatig geschreven roman'

'DAT KAN IK ook!', dacht de achttienjarige Jany, toen hij op een van de laatste avonden van het jaar 1906, landerig neuzend in de boekenkast, bij toeval op een dichtbundel stuitte en daarin regels las als: 'De volle dagen komen met bedaarde/ stappen schrijdend, als hooge witte vrouwen.' Begrijpen deed...

Aleid Truijens

Rijmen kon ook hij heel goed. Jany was de kampioen sinterklaasgedichten van de familie. Regelmatig verklaarde hij meisjes op rijm zijn liefde. Liever dan sommen te maken las hij gedichten van de Tachtigers, en van de Engelse romantici. Met hangen en wurgen was hij door de hbs gekomen. En nu grijnsde het vooruitzicht de jongste vennoot te worden in de assuradeursfirma Roland Holst & Zoon hem hatelijk toe. Een Dichter te zijn, met de dromerige oogopslag van Shelley, starend over de woeste kliffen, waarom niet? Het was een prachtige uitweg. Zijn besluit stond vast.

Tussen deze overmoedige stap van een rijkeluiszoontje in 1906, en het laatste, zwaarmoedige geschrift uit 1976, van een stervende dichter die zijn leven 'een middelmatig geschreven roman' noemt, beweegt zich het dichtersleven van A. Roland Holst, te boek gesteld door Jan van der Vegt. Letterlijk geboekstaafd, want de biograaf vatte zijn tak grondig op. Hij is er - met onderbreking, want intussen verscheen ook nog in 1995 zijn mooie biografie van Hans Andreus - zo'n twintig jaar mee bezig geweest.

Roland Holst was een verwoed briefschrijver en een van de bekendste 'types' uit het literaire leven. Als redacteur van De Gids onderhield hij contact met tientallen schrijvers. Hij was een bezienswaardigheid in het kunstenaarsdorp Bergen, waar hij het grootste deel van zijn leven woonde. In de jaren twintig bezat hij een 'hut' in Blaricum, met Laren toen hét dorp van de vrijgevochten elite, en hij bezocht jarenlang het zuidelijke filiaal ervan, de culturele enclave Ascona. In die dorpen kende iedereen hem. En dan waren er nog zijn vriendinnen. Hoeveel de eeuwige vrijgezel er heeft 'gehad' vertelt de biograaf niet, maar Casanova was er met 116 veroveringen een kleine jongen bij. En omdat Jany een voorkeur had voor jong - zijn laatste 'vaste' minnares ontmoette hij toen hij 78 was, en zij 21 - kon hij nog ex-geliefden te spreken krijgen.

Bronnen in overvloed dus, en Van der Vegt nam alles nauwgezet door. De klare feiten die zich aandienden moeten hem hebben verleid tot het strikt chronologische verslag dat zijn biografie A. Roland Holst is geworden. En dat is jammer, hoe bewonderenswaardig compleet het boek als geschiedschrijving daardoor ook is geworden. Eén betreurenswaardig - misschien onbedoeld - gevolg van de chronologische aanpak is dat het levensverhaal onvermijdelijk de geschiedenis van een neergang is geworden.

Het hoogtepunt van het dichterschap van Roland Holst lag in de periode waarin hij de bundels Voorbij de wegen (1920), De wilde kim (1925) en Een winter aan zee (1937) publiceerde. Hij had toen zijn wonderlijke, hyperindividuele thematiek gevonden. Als student in Oxford - van studeren kwam niet veel - herkende hij in oude Keltische sagen de oervorm van zijn persoonlijke mythe: die van de wedergeboren ziel die zijn bestemming zoekt, die verlangt naar de 'voortijd' van de ongeborenen, bij wie 'bloed en ziel' nog één zijn. Een enkele uitverkorene, de dichter bijvoorbeeld, voelt in zijn 'nabestaan' op aarde die oude ziel nog in zich sluimeren (een thema waarmee de eveneens in 1888 geboren dichter Pessoa een leven lang uit de voeten kon - toeval?). Aan zijn geliefde Noordzee kon hij de fluisteringen uit het Elysium horen. Bij noodweer - zonder luidruchtige toeristen die het contact met de eeuwigheid in de weg staan - wordt hij op het strand toegesproken door de Verborgene, zijn beter ik, die hem opdrachten geeft, en tegenover wie hij altijd zal blijven falen.

Het is een geëxalteerde thematiek, en de toon is hoog, maar het is mooie, gedreven poëzie van een heidense gelovige die onverstoorbaar afkoerst op verlossing. Zijn aardsere vrienden Bloem, Slauerhoff en Greshoff trokken er sceptisch de wenkbrauwen bij op. Maar bij de 'kosmisch' denkende Marsman vond hij gehoor, en ook Nijhoff, zelf geobsedeerd door een gesloten wereld in taal, kon een eind in zijn verbeelding meegaan. Al zijn generatiegenoten erkenden zijn talent.

Zelfs de nuchtere Du Perron, die esoterie iets voor dweepzuchtige blauwkousen vond, zag in hem een 'echte'. Toch wel een 'vent', op zijn eigen wereldvreemde wijze. Samen namen ze de ondergang van het 'avondland' door, de val van het 'zieke' Europa dat Holst voornamelijk kende van vrolijke logeerpartijen op kastelen en buitentjes. Over zijn doem-leer schreef hij volslagen onleesbare verhandelingen. Bij Du Perrons vlammende betogen over de 'verantwoordelijkheid van de kunstenaar' viel hij meestal in slaap. En toen de 'ziel' van Europa genadeloos wraak nam in de vorm van Hitlers bezetting - zo zag de dichter dat - stierf Du Perron in Bergen, ongeveer in Jany's armen. Voor hem, en voor Ter Braak die op dezelfde dag in mei 1940 zelfmoord had gepleegd, scheef hij een In Memoriam, dat hij niet durfde opnemen in zijn bundel Onderweg.

In de jaren vlak voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen de eerste scheurtjes in het kreukloze Oxford-imago van de dichter. Hij was een tegenstander van de democratie, en een warm aanhanger van de dictator Salazar. De vrijheid van drukpers was hem een gruwel, omdat die niet alleen de 'aristocraten van de geest' als hij het woord gaf, maar ook het vulgus. Uit nieuwsgierigheid bezocht hij een paar keer bijeenkomsten van de NSB, en hij sloot zich niet aan bij het Comité van Waakzaamheid van Du Perron en Ter Braak.

In 1939 spreekt hij zich ferm uit tegen Hitler, in het gedicht 'Voor West-Europa'. Hij roemt hierin de 'jood Spinoza'. Wellicht omdat hij zich wat ongemakkelijk begon te voelen over zijn eigen, onmiskenbare antisemitisme? In een brief over de crematie van Herman Gorter in 1927 had hij nog gesproken van 'infecte jodenjongens' die met vaandels liepen te zwaaien. 'En dat bij de baar van een van de helderste en rechtste Ariërs die er ooit leefde!' schreef hij boos.

Het dappere protestgedicht publiceerde hij niet. Met de nobelste bedoelingen: hij wilde zijn familie niet in gevaar brengen, en de firma Roland Holst zou er wel eens contracten door kunnen mislopen. Maar wat zwaarder woog: zijn broer Eep was bevriend met Emmy Sonnemann, de vrouw van de nazi-leider Hermann Göring. Lang weigerde Roland Holst zich aan te melden bij de Kultuurkamer, maar toen hij onder druk werd gezet, zwichtte hij. De ijzige brief die hij de nieuwe cultuurhoeders stuurde (en als bewijs van goed gedrag onder vrienden liet verspreiden) was echter zo scherp van toon, dat hij moest onderduiken. Geheel verzorgd, in een landhuis aan de Vecht weliswaar, maar toch. Na de oorlog gold Holst als een absoluut 'goede' Nederlander. Je kon hem gerust vragen om teksten voor gedenkstenen en herdenkingen - hij ging er altijd gretig op in. In de jaren zestig zou hij kind aan huis worden bij Beatrix en Claus op Drakesteyn; hij was gek met de kleine prinsjes.

Zijn poëtisch oeuvre is niet klein, maar er waren lange perioden van dichterlijke droogte. Roland Holst leed aan depressies, die hij verdreef door vrouwen uit te nodigen voor de middagslaap, in zijn jargon 'tuk-mét' geheten. Dat gaf hem weer een reden om te klagen over het uitblijven van inspiratie: die vrouwen hielden hem van het werk. Eén van de minnaressen gaf hem wel inspiratie voor zijn beste naoorlogse gedichten. Mies Peters, die in 1944 bij een val van de trap het leven liet, bleek, vooral na haar dood, zijn grote liefde. Zij was de gestorvene die hem vanuit het dodenrijk 'bezocht', met wie hij platonisch één werd - op de wijze van Gerrit Achterberg. Tot in de jaren vijftig schreef hij aangrijpende gedichten over Mies. Jan van der Vegt nam ze op in een bloemlezing uit de liefdesgedichten, Trouw in ontrouw, die gelijk met de biografie verscheen.

In de jaren vijftig werd Holst getooid met de naam 'Prins der Dichters', maar die eretitel werd vrijwel meteen een spotnaam. Volgens Jan van der Vegt was 1956 het omslagpunt. Toen de dichter gevraagd was een tekst te schrijven voor het Nationale Monument op de Dam, kwam hij met een stuk proza aan, waarvan het organiserend comité schrok, maar dat niettemin werd aanvaard: Holstiaans gezwatel over de Eersteling en de Geest die Wet brak, volslagen onbegrijpelijk voor de meeste Amsterdammers. Holst had zijn eigen mythe in steen laten beitelen, over gevallenen of verzetslieden geen woord. Je reinste 'orakeltaal', oordeelde de pers. W.F. Hermans vroeg zich retorisch af: 'Zou de zeeslang gesproken hebben?'

Het kwam niet meer goed met zijn reputatie. Hij had nog twintig jaar te gaan - ontluisterende jaren die Van der Vegt even minutieus beschrijft als alle andere. Holst werd de Prins op het bal-masqué: nooit afwezig op een officiële bijeenkomst, getooid met alle lintjes die de staat in voorraad had, geëerd met alle literaire prijzen. Charmant en hoffelijk, altijd een smeuïge anekdote paraat, maar als dichter een ondode. De oude Holst werd een babbelkous, een tragische society-figuur die steeds dezelfde grapjes debiteert. Zelfs in zijn routine als verleider kwam de klad. Op feestjes graaide hij vrijelijk naar een langskomende borst, of gaf hij een klap op een bil, onder het motto 'ik sla graag een goed figuur'.

Het is de indruk die achterblijft: een tragische man die zijn roem heeft overleefd. Misschien niet de indruk die Van der Vegt wilde wekken, maar het is een gevolg van zijn werkwijze. Waarom koos hij deze dichter? Uit bewondering voor het oeuvre, of zelfs maar een deel ervan? Opdat kennis van zijn leven ons dichter bij dat werk brengt? Of omdat het leven zo rijk was aan anekdotes en pikanterieën?

Nergens zet Van der Vegt de klok even stil voor een beschouwing. Over het karakter van Roland Holst maakt hij een enkele opmerking. Er vallen termen als 'narcisme' en 'bindingsangst', typeringen als 'egocentrisch' en 'kinderlijk', maar hij trekt niet de conclusie waarvoor hij overvloedig materiaal levert: dat Roland Holst een man was die verslaafd was aan schuldgevoel, die móest falen als dichter omdat zijn 'Verborgene' dat eiste. Daarom stuurde hij zijn vriendinnen weg, om daarna tranen van spijt te storten. Hij moest altijd de mislukking blijven die hij was in de ogen van zijn moeder, het jongetje uit wie maar niet een flinke vent wilde groeien.

In noten kunnen interessante dingen staan. Zo verklapt Van der Vegt in de kleine lettertjes dat hem er 'meer dan eens' op is gewezen dat de monomane bronst van Holst zijn homoseksualiteit moest maskeren. Jeroen Brouwers citeert in een brief een bejaarde dame, die hem toevertrouwde dat de dichter in bed niets voorstelde, omdat hij 'doodgewoon een homo' was. Holst, die niet alleen freules en Gooise dochters op zijn avances trakteerde maar ook de buurvrouw en de werkster, Holst die dienstmeisjes 'de trap op joeg' - een homo? Gewaagde hypothese. Vermoedelijk onzin, maar het was aardig geweest als de biograaf de mogelijkheid had gewogen. Ook de vraag wat al die vrouwen zagen in de fatterige ijdeltuit schreeuwt vergeefs om een antwoord. Door zulke 'brave' omissies scheert Van der Vegt, in de typering van de mens én het dichterschap, overal net langs.

In zijn biografie van Hans Andreus - opvallend genoeg ook een dichter die wanhopig zocht naar zijn verloren tweelinghelft, zijn betere ik - kwam hij wel tot de kern van zijn onderwerp. Nu levert hij een lading intrigerende feiten die tot speculaties uitnodigen. Ook dat is een verdienste.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden