Een meedogenloze satiricus GEORGE ORWELL GEEERD MET SCHITTERENDE UITGAVE VAN ZIJN VERZAMELD WERK Orwells nachtmerrie

In 1936 ging George Orwell (1903-1950) naar Spanje om in de burgeroorlog mee te vechten tegen Franco. Zijn verblijf in Barcelona, waar hij verzeild raakte in grimmige gevechten tussen linkse groeperingen onderling, maakte van hem de wereldberoemde schrijver van Animal Farm en Nineteen Eighty-Four....

SOMMIGE GRAVEN op het Cementiri de Montjuic, hoog boven Barcelona, zien eruit als wulpse kathedralen, andere als intieme zomerpaleisjes, als kapitale villa's op schaal of zelfs als halve hacienda's. Rijke hiernamaalsen. Zonovergoten, alle bouwstijlen van moors en barok tot neogotiek vertegenwoordigd, de tuinen aangeharkt: in rianter vrede kun je nauwelijks rusten.

Maar het overgrote deel van de reusachtige akker wordt doorkruist door monotone, rechte straten uit de categorie sociale woningbouw, links en rechts telkens drie of vier kabouteretages met ramen van zestig bij zestig, hier en daar een keukentrapje voor wie vier hoog een geranium op de vensterbank wil zetten, en achter elke ruit net voldoende ruimte voor een kist of een urn: de huurkazernes van de dood.

Kijk naar een kerkhof, en je kunt de samenleving uittekenen.

De volbloed democraat George Orwell was 33 toen hij, Kerstmis 1936, in Barcelona aankwam en kort daarna die graven steeds moet hebben zien liggen, want hij was toen ondergebracht in een oude cavaleriekazerne aan de voet van de Montjuic.

Hij had Londen verlaten op de avond van de dag dat hij bij Victor Gollancz het manuscript had ingeleverd van The Road to Wigan Pier, het boek waarin hij zich definitief tot het socialisme had bekend. De uitgever van de Left Book Club moet in z'n nopjes zijn geweest, maar halverwege de lectuur drong tot hem door dat de eigengereide Orwell zijn onvoorwaardelijke solidariteit met de verpauperde mijnwerkers in Noord-Engeland had aangelengd met boze uitvallen naar al die salon-marxisten, hanige vakbondsleiders, beroepsvegetariërs, namaak-pacifisten en Labour-apparatsjiks, van wie de 'gewone mensen' volgens hem net zomin wijzer zouden worden als van de misprezen ondernemers en fabrikanten.

Ter geruststelling van z'n linkse achterban voorzag Gollancz de roman van een verontschuldigend voorwoordje - achter de rug van z'n auteur om. Maar die zat intussen in Spanje, en beleefde iets dat hij nog nooit had beleefd.

'Voor het eerst in mijn leven', zou hij later schrijven, 'was ik in een stad waar de arbeidersklasse in het zadel zat. Praktisch elk gebouw van enig formaat was in beslag genomen door de arbeiders en versierd met rode vlaggen of met de roodzwarte van de anarchisten. Op elke muur waren hamer en sikkel en de afkortingen voor revolutionaire partijen gekalkt. In bijna elke kerk waren de heiligenbeelden verbrand en was de rest weggehaald. Elke winkel en elk café had een bordje waarop stond dat de zaak gecollectiviseerd was. Zelfs de schoenpoetsers waren gecollectiviseerd, en hun kistjes hadden ze roodzwart geschilderd. Kelners en winkelbedienden keken je recht in de ogen en behandelden je als een gelijke. Veel ervan begreep ik niet, in sommige opzichten vond ik het zelfs onprettig, maar ik erkende het onmiddellijk als een stand van zaken waarvoor het waard was te vechten.'

In zo'n stad zouden de doden voortaan zonder aanzien des persoons worden begraven.

Typerend in die paar zinnen uit de aanhef van Homage to Catalonia was de bekentenis dat hij zich toch niet helemaal senang voelde tussen de massa's mensen die 'in grove arbeiderskleren of blauwe overalls' over de Rambla flaneerden, terwijl luidsprekers van 's morgens vroeg tot 's avonds laat revolutionaire liederen uitbrulden.

Dat was wennen voor iemand die, hoewel geboren in een kleinburgerlijk milieu, op een privé-kostschool had gezeten en zelfs Eton had gedaan, en die bovendien een verleden had als blanke politieagent in het koloniale Birma.

Geen land ter wereld waar rangen en klassen altijd zo'n beslissende rol hebben gespeeld als Engeland, en geen Engelsman die er z'n hele leven zo mee heeft geworsteld als Eric Blair, alias George Orwell. In meer dan één opzicht hoorde hij thuis in het standsbewuste, negentiende-eeuwse Engeland van Dickens en Kipling - en daar stond hij ineens in het Barcelona van 1936 en zag voor zijn ogen een samenleving verwezenlijkt van opperste gelijkheid ('onderdanige en formeel-beleefde uitdrukkingen waren verdwenen, iedereen sprak iedereen aan met kameraad en jij'): een Utopia zonder rangen, standen en klassen. Dus waard om voor te vechten.

Let wel: hij was gekomen om de Spaanse republiek, maar hij bleef om de Catalaanse revolutie te verdedigen. Natuurlijk was de republiek te verkiezen boven het fascistische bewind van Franco, maar ze vertegenwoordigde nog altijd de ongelijkheid van macht en volk, meerdere en mindere, meneer en kameraad.

In Barcelona leken alle verschillen vereffend. In het voor de elite ingerichte Ritz-hotel kon elke werkman z'n benen op tafel leggen, en niemand keek raar op als hij met z'n handen at. Helemaal prettig was de aanblik misschien niet, maar een klassenzondaar moest nou eenmaal even slikken in het arbeidersparadijs.

Orwell slikte, voelde zich na een paar dagen in de zevende hemel, liet zich inlijven bij de militie van een uiterst links, half anarchistisch, half trotskistisch splintergroepje, onderwierp zich aan pseudo-exercities met aftandse geweren, en hechtte in de kazerne evenzeer aan de lucht van paardenpis als aan partijtjes voetbal van vijftig tegen vijftig op de binnenplaats.

De romanticus had zijn ideale vorm van socialisme gevonden. En zou er precies vijf maanden getuige van mogen zijn.

TOEN KORPORAAL Blair na 115 dagen aan het front van Aragon eind april 1937 voor een kort verlof in Barcelona terugkwam, zag hij meteen dat het voorbij was: 'Overal zag je weer dikke, welvarende mannen, elegant geklede vrouwen en glimmende auto's. De sjieke restaurants en hotels zaten vol rijkelui die dure maaltijden naarbinnen stouwden. De kelners hadden hun gesteven frontjes weer aan en de winkelbedienden kropen weer als vanouds voor hun klanten.' Op gezag van de communistische partij had het republikeinse volksleger de macht van de milities overgenomen, mei-demonstraties waren afgelast, en de Guardia Civil - 'de lijfwacht van de bezittende klasse' - bewaakte alle openbare gebouwen.

Drie dagen later zit de Engelse verlofganger met een paar linkse manschappen in een dakkoepeltje boven een bioscoop aan de Rambla om de revolutie te beschermen tegen een groepje gendarmes dat zich aan de overkant, in Café Moka, heeft verschanst - verwikkeld in straatgevechten.

Die duren een week, en alvorens weer plichtsgetrouw terug te keren naar z'n loopgraaf bij Huesca, krijgt hij uitleg van een Russische agent, die het kleine burgeroorlogje binnen de grote 'heel aannemelijk' verklaart uit een anarchistisch complot dat ter wille van de strijd tegen het fascisme uiteraard onschadelijk moest worden gemaakt.

'Ik sloeg hem met enige belangstelling gade', herinnert Orwell zich later, 'want het was de eerste keer dat ik iemand ontmoette wiens beroep het vertellen van leugens was.'

Wie weet is dat wel de cruciale ontmoeting geweest - het moment waarop de middelmatige romancier Orwell ophield te bestaan en de schrijver van Homage to Catalonia, Animal Farm en Nineteen Eighty-Four werd geboren. Vaststaat dat zich toen en daar de beslissende metamorfose heeft voltrokken, en alle vage achterdocht van de romantische, sociaal voelende twijfelaar ineens richting en betekenis kreeg, en munitie werd voor de pamflettist en de satiricus die voor elkaar kreeg wat de romanschrijver nooit zou zijn gelukt: misschien wel de belangrijkste auteur van de twintigste eeuw en in ieder geval wereldberoemd te worden.

Daarom heb ik voor een kleine pelgrimage naar Barcelona zijn verzameld oeuvre meegesjouwd: twintig net verschenen delen met alles wat hij ooit heeft geschreven, van de rijmpjes en de schoolopstellen uit z'n kindertijd, via de duizenden krantenartikelen, brieven en essays die bewaard zijn gebleven, de BBC-praatjes uit de jaren van de Tweede Wereldoorlog (niet alleen de praatjes die hij schreef, ook die hij alleen maar redigeerde) tot en met de romans - en dat alles tot in de kleinste details geannoteerd en waar nodig van verhelderend commentaar voorzien, inclusief een index per deel en een cumulatieve index voor alle twintig: bij mekaar bijna negenduizend pagina's tekst.

De uitgave - van Secker & Warburg, die zich al in 1938 ontfermde over Homage to Catalonia, dat Gollancz toen niet aandurfde - is schitterend. Ze is in zekere zin ook bijna absurd.

'Waarom', schreef Timothy Garton Ash in een overigens geestdriftige recensie in The New York Review of Books, 'moeten zijn sentimentele puberversjes openbaar worden gemaakt alsof het verloren gewaande sonnetten van Milton waren?' Om als rechtgeaard 'Orwellian' ten slotte toch te erkennen dat Complete Works die naam alleen maar verdienen als ze ook werkelijk compleet zijn en lezers de kans bieden de vruchtbeginselen van meesterschap te ontdekken in wat wellicht misgeboorten leken.

Om precies te zijn verbood Orwell nog op z'n sterfbed de herdruk van A Clergyman's Daughter en Keep the Aspidistra Flying, want dat vond hij, streng als hij vooral voor zichzelf kon zijn, 'thoroughly bad books' - en niet ten onrechte, zeg je met hem mee. Hij koos die twee ook vast niet toevallig: het waren - anders dan de half en half reportage-achtige egodocumenten uit z'n vroegste dagen (Down and Out in Paris and London en Burmese Days) - pogingen tot romans, en daar was hij nou eenmaal niet goed in. Als je Big Brother, de nieuwspraak, de dubbeldunk en de hele beangstigende allegorie van de totalitaire staat uit Nineteen Eighty-Four kon wegdenken, hield je ook niet veel meer dan een onbeholpen keukenmeidenverhaal over.

IK LOOP DOOR HET Barcelona van zestig jaar later, deel XI van het Verzameld Werk (alle correspondentie, boekbesprekingen en losse artikelen uit de periode 1937-1939) onder m'n arm, en probeer bekende plekken te vinden.

Om een aantal redenen is het lastig zoeken. Aan de zeekant van de Rambla is vanwege de Olympische Spelen van 1992 het nodige gesloopt - en juist daar bevond zich onder andere het Hotel Falcon, dat tijdens de mini-burgeroorlog min of meer als verzamelplaats diende voor leden van de anarcho-trotskistische POUM, waarbij Orwell zich had aangesloten. Verdwenen.

Een tweede ongerief is Orwells betrekkelijke onnauwkeurigheid als het om de locaties gaat. Logisch. Toen hij in juni 1937 voor de tweede maal van het front naar Barcelona terugkeerde - dit keer met een schotwond vlak naast z'n strottenhoofd: hij had z'n lange lijf iets te ver boven de loopgraaf uitgestoken - had de Guardia Civil net daags tevoren huiszoeking gedaan in de kamer van z'n vrouw Eileen die hem was nagereisd, en al z'n papieren en aantekeningen waren in beslag genomen.

Nog geen week later moest het echtpaar Spanje ontvluchten na beschuldigd te zijn van medeplichtigheid aan een 'misdadige trotskistische coup' tegen de republiek (het officiële rapport over Orwells 'spionage voor Franco' en het vermeende 'hoogverraad' is, met uitvoerig commentaar, in deel XI opgenomen), en Homage to Catalonia moest zonder de kostbare dagboeknotities worden geschreven.

Waar bijvoorbeeld was precies de 'Leninkazerne' ('een blok prachtige stenen gebouwen met een manege en enorme met keien geplaveide binnenplaatsen'), waar Orwell werd 'opgeleid' voor de frontdienst?

Ik meld me bij de bibliotheek van het Museo Militar in het Castell de Montjuic en kijk in de verbouwereerde gezichten van twee al wat oudere functionarissen. Lenin-kazerne? Daar hebben ze nog nooit van gehoord. Ze gaan stoffige boeken langs, kijken onder de L in een haast antieke kaartenbak en kunnen me helaas niet helpen. Ik leg uit dat een bekende Engelsman - Orwell; ook geen naam die bekend voorkomt - er in 1936 gelegerd was alvorens naar Alcubierre in Aragon te vertrekken. De wenkbrauwen gaan omhoog. Hoe was de naam? Terwijl de ene man nog een nieuwe glazen kast opent en een verzamelwerk over Spaanse kazernes tot 1890 aandraagt, zoekt de andere onder de O. Geen Orwell. 'Onder de B van Blair misschien?' Maar ook Blair zit niet in het archief.

D AT IS HET derde ongerief voor wie een spoor zoekt uit het Spanje van 1936: de burgeroorlog is misschien niet meer helemaal taboe, maar hij ligt nog altijd veilig begraven in het collectieve Spaanse geheugen, en niemand die er graag over praat.

Ik daal af naar de Placa de Catalunya. Het gebouw van de telefooncentrale - even karakterloos als alle gebouwen van telefooncentrales, waar ook ter wereld - staat er nog. Hier begonnen de straatgevechten van mei 1937, en tweehonderd meter verderop staat op de Rambla nog ongeschonden de Reial Academia de ciencies i arts, een prachtig pand dat moet zijn ontworpen door een van de vele bastaard-Gaudi's die architectuur maakte van het anarchisme waarmee de stad zich meer dan honderd jaar zo intens verbonden heeft gevoeld.

Hier was en is nog altijd plaats gemaakt voor een klein artistiek filmzaaltje dat Orwell zo oneerbiedig aanduidde als 'de bioscoop Poliorama', en inderdaad: op het dak van de Academia de twee koepeltjes vanwaaruit onze revolutionair de klassenvijanden in Café Moka aan de overkant onder schot hield.

Als hij niet op z'n 46ste aan de tbc was gestorven, had hij voor hetzelfde geld, als zoveel taaie Britten, 95 kunnen worden en kunnen zien hoe Europa zich van al z'n dictaturen heeft hersteld. De menigte schuifelt voldaan voorbij, het belooft een milde kerst te worden, de stalletjes voor de kathedraal stralen knusse tevredenheid uit, de zon schijnt, en straatmuzikanten spelen Ave Maria, Für Elise en All You Need Is Love, zonder luidspreker. Ook de anarchie is ingehaald door het goede leven van het liberale kapitalisme.

Café Moka ontroert me. Ik denk dat daar niets aan is veranderd. Tegen de gewelfde plafonds zijn oude affiches geplakt, de houten stoelen ogen even onverwoestbaar als de houten tafeltjes, de stamgasten moeten allemaal al zijn geboren toen generaal Franco zijn opstand tegen het Volksfront begon, en ze kijken alleen even op als een geverfde jonge vrouw binnenstapt, die mogelijk van lichte zeden is. De kelners lijken op werkstudenten, dragen geen gesteven frontjes en zijn niet onderdanig. De egaliteit heeft zich op een heel andere manier ontwikkeld dan Orwell kon vermoeden - maar Orwell was ook geen ziener; hij was een opletter.

In hotel Continental verbleef Eileen. Volgens Orwells beschrijving moet het een hotel van de middenklasse zijn geweest, waar het in de hoogtijdagen van het oorlogje tussen de stalinisten en hun al te linkse, dus revanchistische tegenstanders moet hebben gewemeld van Franse, Engelse, Russische, Bulgaarse, Duitse, Italiaanse en overige revolutionairen, die mekaar permanent voor geen cent vertrouwden. Het is intussen gedegradeerd tot iets van twee etages boven een onderstuk, maar kent zichzelf nog drie sterren toe. Voor een goedkoper onderkomen kun je vierhoog bij hotel Toldano (twee sterren) en vijf hoog bij Capitol (één ster) terecht. De buurt is enigszins achteruitgegaan.

In de wachtkamer van het beeldschoon gerestaureerde Estacio de Franca - het soort station waar Anna Karenina haar wanhoopsdaad had kunnen verrichten - leg ik de non-fictie-delen uit het Verzameld Werk voor me neer.

Hier komen en gaan alleen nog een paar lokale treinen. De overwegend bejaarde bezoekers van de tien of twaalf perrons laten zich rondleiden door gidsen die de dienstregeling van 1900 uit hun hoofd hebben geleerd. Orwell moet hier rond Kerstmis 1936 zijn aangekomen, hij moet hier ook in juni 1937 als een dief in de nacht zijn vertrokken - aangekleed als een gentleman, want in grove arbeiderskleren of een blauwe overall zou hij te veel zijn opgevallen. Voor de zekerheid zat hij in een eersteklaswagon, die na de revolutie gelukkig in ere was hersteld.

Ik lees door de brieven, de aantekeningen, de krantenbijdragen uit de jaren na zijn terugkeer uit Spanje, en stap voor stap zie je hem als het ware op weg naar Animal Farm en Nineteen Eighty-Four. Het zijn soms malle, inconsequente stappen - hij blijft bijvoorbeeld vrezen voor een fascistische wereld als enig alternatief voor het in zijn ogen nog veel verfoeilijker Stalin-communisme - maar de angst voor mensen 'wier beroep het vertellen van leugens is', krijgt allengs nachtmerrie-achtige kanten.

'De weerzinwekkende moordenaar staat nu tijdelijk aan onze kant', noteert hij realistisch in z'n dagboek na Hitlers inval in Rusland - 'en de zuiveringen et cetera zijn in één klap vergeten. Hetzelfde zou je zien gebeuren als Franco, Mussolini e.t.q. onze zijde zouden kiezen.'

De conferentie van Teheran - Churchill, Roosevelt en Stalin als kameraden aan één tafel - zal later in Nineteen Eighty-Four model staan voor het schrikbeeld van twee, of drie machtsblokken die een schijnoorlog voeren om de eigen bevolking onderdrukt te houden. Er is haast geen brief, geen recensie, geen dagboeknotitie die niet vooruitwijst naar de twee boeken die hem onsterflijk zullen maken.

Peter Davison, de onvolprezen bezorger van de twintig delen, bevestigt met redenen omkleed de 'oorsprong' van Animal Farm: Orwell zou allang met het idee van een 'sprookje' hebben rondgelopen, maar kreeg de definitieve ingeving toen hij een klein jongetje de zweep over een karrenpaard zag leggen en zich afvroeg wat er zou gebeuren als het dier ineens in opstand zou komen. Mooie ironie: niet het paard, maar het varken zou in het sprookje de revolutionaire heldenrol krijgen - Boxer wordt ten slotte als werkpaard aan de beestachtige heilstaat opgeofferd.

Kort na de publicatie van Nineteen Eighty-Four gaf Orwell de geest. Bijtijds, zou je haast zeggen: zijn boodschap was uitgedragen en het nagelaten concept voor een nieuwe roman (A Smoking-Room Story, dat in Birma moest spelen) beloofde meer iets in de buurt van Keep the Aspidistra Flying te worden dan iets dat Nineteen Eighty-Four zou doen vergeten. Zijn dood was literair gesproken een zegen in vermomming - door vroeg te sterven kon hij, zoals Timothy Garton Ash zo treffend schreef, 'de James Dean van de Koude Oorlog' worden: de meedogenloze onthuller van een systeem dat hem niet alleen nog veertig jaar zou overleven, maar dat in die veertig jaar ook nog overal in de rest van Europa en de wereld verdedigers, aanhangers en meelopers kon vinden.

Met dezelfde zorgvuldigheid als waarmee hij z'n hele redactionele monnikenwerk heeft volbracht, plaatst Peter Davison in een appendix bij deel XX ook de 'zwarte lijst' van fellow-travellers die Orwell voor de Engelse inlichtingendienst zou hebben bijgehouden in de juiste proporties: het boekje met 171 namen (Orwell was een lijstjesmaniak) is nooit bestemd geweest om er mensen mee aan te geven.

Hij stierf even rechtschapen als hij had geleefd: niet als een profeet, maar als een scherp waarnemer; niet als een groot schrijver, maar als een begenadigd verslaggever; niet als een groot kunstenaar, maar als een gefnuikte romanticus.

Kenmerkend is z'n herinnering aan de dagen en nachten dat hij, gezocht door communistische agenten, als een illegaal door Barcelona moest zwerven, en na een koude nacht in een schuilhok een kathedraal binnenliep: 'Een moderne kathedraal, en een van de lelijkste gebouwen ter wereld. Er staan vier gekanteelde torenspitsen op, die de vorm hebben van rijnwijnflessen. Ik vind dat de anarchisten blijk hebben gegeven van slechte smaak door het ding niet op te blazen toen ze nog de kans hadden, ofschoon ze wel een roodzwart spandoek tussen de spitsen hadden gehangen.' Orwell in de Sagrada Familia: een steile Brit aan wie het bijna heidense surrealisme van Barcelona niet besteed was.

Te zijner ere wandel ik via de eentonige kerkhofstraten van het Cementiri de Montjuic nog even door naar een winderige uithoek waar kale zerken de herinnering ophouden aan onbekende doden van het front in Aragon: veldje van eer voor de mindere man.

Orwell rust, onder de naam Eric Arthur Blair, in Sutton Courtenay, Berkshire. Dat schijnt een kerkhof zonder uitersten te zijn.

Jan Blokker

George Orwell: The Complete Works - Volumes I to XX.

Edited by Peter Davison, assisted by Ian Angus and Sheila Davison.

Secker & Warburg, import Nilsson & Lamm; 8624 pagina's; * 2625,-.

ISBN 0 436 20377 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden