Een manneke met zwier

Falko Zandstra had zijn prikslag, Rintje Ritsma zijn spierkracht en wie het geheim van Gianni Romme's snelheid zoekt, kijkt naar zijn ballondijen....

Wat is het geheim van Jochem Uytdehaage, de kleinste schaatskampioen uit Nederland sinds Kees Verkerk?

Zijn leermeester Gerard Kemkers begint een betoog, spreekt van talloze factoren die van invloed zijn op snelheid, komt uit bij de techniek, zegt niet alleen voor de grap dat hij zijn kennis niet zo maar prijs wil geven, en waarschuwt dan dat hij op het punt staat woorden als lichaamsverplaatsing en biomechanica te gebruiken.

Leen Pfrommer, oud-coach van Ard en Keessie, verklaart eerst dat hij Uytdehaage nooit heeft getraind, gaat dan dertig jaar terug in een poging het geringe aantal kleine Nederlandse schaatsers te verklaren, schertst dat ze misschien niet tegen de kou kunnen, filosofeert vrijuit over het belang van kracht, glijvermogen en mentaliteit, en merkt op dat een beweging die in het lijf gebeiteld lijkt er ook zo weer uitglipt.

Jos de Koning, schaatswetenschapper aan de Amsterdamse VU, opent met een rekensom, concludeert dat Uytdehaage op de olympische tien kilometer minder dan één procent sneller was dan zijn naaste belager, zegt dat de wetenschap al moeite heeft om een paar procent verschil te verklaren, en wijst vervolgens enthousiast op de significante invloed van de afzethoek.

Geen gemakkelijke vraag dus.

Wel een vraag die de concurrenten van Uytdehaage bezighoudt. Immers: het onopvallende, hard werkende manneke dat vorig jaar debuteerde in het elitekorps is in een ruk doorgestoten naar de top. Na zijn zeges bij het EK allround en de Spelen geldt Uytdehaage (25) dit weekend als favoriet voor de wereldtitel.

En dat terwijl hij zijn lijf niet mee lijkt te hebben. Hij is niet lang (1.74 meter), zoals de meest succesvolle Nederlandse allrounders van de afgelopen tien jaar (allen rond de 1.90). Hij moet het bovendien stellen zonder de spierbundels van Ritsma en Postma, of de ballondijen van Romme.

Door zijn afwijkende gestalte doet Uytdehaage denken aan Falko Zandstra, het natuurtalent dat de schaatswereld tien jaar geleden eveneens verbaasde met een lichaam dat niet geschapen leek voor de top. Dat bleek een misvatting. De gespierde spijker won gemakkelijk. En de wetenschap kon zijn succes verklaren.

Uit onderzoek van de inmiddels overleden VU-onderzoeker Gerrit-Jan van Ingen Schenau blijkt dat het niet per se een voordeel is om lang en gespierd te zijn. Een grote, sterke schaatser beschikt weliswaar over veel kracht, maar moet door zijn omvang meer luchtweerstand overwinnen dan een kleine, lichte schaatser.

Bovendien heeft hij meer last van ijswrijving. Hij zakt dieper in het ijs, vooral als het zacht is. Van Ingen Schenau dacht begin jaren negentig dat Zandstra het ideale schaatslijf bezat. Hij was lang, dun en had magere kuiten waardoor hij minder werd afgeremd door de ijswrijving en luchtweerstand.

Het lijf van Uytdehaage lijkt vergelijkbare voordelen te hebben. Jeugdtrainer en oud-schaatser Eddy Verheijen zegt dat zijn vroegere pupil gezegend is met een relatief klein bovenlichaam en sterke benen, hetgeen gunstig is. VU-onderzoeker De Koning noemt zijn geringe lengte allerminst een beletsel. 'In Nederland is de gemiddelde lengte hoog. Daarom zijn er veel lange kampioenen. Niet omdat kleine mannen of vrouwen in het nadeel zouden zijn.'

De opzienbarende prestaties van Zandstra en Uytdehaage hebben echter niet alleen te maken met hun postuur. Onzichtbare, moeilijk meetbare factoren als natuurlijke aanleg, karakter en spiersamenstelling zijn van invloed. En dan is er, als meest in het oog springende factor na de lichaamsbouw, de schaatstechniek.

Z

andstra maakte school met de zogeheten prikslag. Hij bewoog minder dan zijn concurrenten van links naar rechts, doordat hij zijn lichaamsgewicht snel verplaatste van zijn afzetbeen naar zijn glijbeen. Hij maakte minder meters en ging dus sneller. Oud-trainer Henk Gemser: 'Hij spoorde smaller dan alle anderen.'

De stijl van Uytdehaage lijkt in tegenspraak met de lessen van Zandstra. Hij schaatst breed, zwiert als het ware over het ijs. Trainer Kemkers: 'Dat is onderdeel van onze filosofie. We willen snelheid creëren door het verplaatsen van het lichaamsgewicht.'

Dat is een vruchtbare aanpak, meent wetenschapper De Koning. Uit minutieuze bestudering van speciaal gemaakte filmopnames blijkt dat de toppers op één cruciaal punt verschillen van hun minder succesvolle concurrenten: de afzethoek.

De hoek tussen been en ijs op het moment dat een schaatser afzet is bij toppers kleiner. Op de 1500 meter is de hoek van de besten kleiner dan 50 graden, de mindere goden zitten daarboven. Op de vijf kilometer ligt de scheidslijn bij 55 graden.

'Misschien doet Jochem het niet eens bewust', zegt De Koning. 'Maar bij hem is de afzet perfect. Als andere schaatsers iets van hem moeten overnemen is het dat. Misschien had Falko nog wel harder gereden als hij breed had geschaatst. Je moet er trouwens wel diep voor kunnen zitten. En daarvoor moet je weer hard trainen.'

Toch wijst niet iedereen de afzethoek aan als het geheime wapen van Uytdehaage. Niet-wetenschappers dragen andere verklaringen aan voor zijn snelheid, overigens zonder hun heil te zoeken bij de onwaarschijnlijke theorieën waarmee het succes van Romme is uitgelegd. Zijn smalle heupen zouden hem een doorslaggevend aërodynamisch voordeel opleveren. De Koning: 'Ja hoor. En als Romme een snor had gehad, had het daaraan gelegen.'

Trainer Eddy Verheijen roemt de bochten van Uytdehaage. Hoewel vaak wordt gezegd dat lange benen daar een voordeel zijn, denkt hij dat de kracht van zijn voormalige pupil in de curve ligt. 'Hij maakt geen overbodige bewegingen. Zijn bochten zijn beter dan het rechte eind. Strak zonder franje. Die zijn de moeite van het kopiëren waard.'

Pfrommer en Gemser, de oude meesters van het Nederlandse trainerskorps, hebben weer een andere kijk. Ze spreken weliswaar met respect over de prestaties van Uytdehaage, maar geloven niet dat elementen uit zijn schaatsstijl gekopieerd gaan worden. De zwier zal niet in zwang raken.

'Zijn wijze van rijden lijkt op die van Bart Veldkamp', meent Pfrommer, 'maar dan zonder het hupje in de bocht. Wat wel heel goed aan Jochem is: hij is nog niet tevreden met zijn techniek. Hij wil steeds leren.'

Gemser, die Uytdehaage in een adem noemt met Schenk, Heiden en Koss, is vol lof over zijn timing. Hij kiest een ritme en houdt dat vast, ondanks de vermoeidheid. 'Bij Falko zag je pure aanleg. Hij had de timing van nature. Jochem kan heel gedoseerd zijn krachten verdelen. Zijn strategie van energiegebruik is onovertroffen. Hij is de dirigent van zichzelf.'

Gerard Kemkers gaat het verst in zijn nuancering. Hij hecht net als wetenschapper De Koning belang aan de afzethoek, maar rept van de natuurlijke afzethoek. Als het lijf van de schaatser onmogelijke posities moet aannemen, gaat er volgens hem meer snelheid verloren dan wordt gewonnen.

Het liefst spreekt hij van bewegingsdynamiek, een samenspel van factoren die niet eenvoudig zijn op te sommen. 'Het blijft niet bij heup naar rechts of knie naar binnen. Het gaat om maatwerk. Iedere schaatser is anders. Jochem kan zijn energie goed omzetten op snel ijs. Vanaf de eerste ronde kan hij een zware slag pakken, met veel druk op zijn benen. Hij zoekt pijn, vindt pijn en geniet ervan zonder zijn ideale positie te verliezen.'

Kemkers wil maar zeggen: geen van Uytdehaage's concurrenten zal veel baat hebben bij het simpelweg kopiëren van zijn stijl. Wie werkelijk achter zijn geheim wil komen, heeft maar een keus. 'Volgend seizoen een contract tekenen bij TVM, net als Jochem.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden