Interview Biograaf Marnix Krop

Eén man, twee zielen: de biografie van Wim Kok

20 maart 1980: FNV-voorzitter Wim Kok op de Dam te Amsterdam, waar een grote demonstratie tegen het loonbeleid van de regering gehouden is. Beeld ANP

Een biografie beschouwde hij als een naderend doodsbericht. Toch werkte oud-premier Wim Kok  eraan mee. Vandaag verschijnt deel 1: hoe een onzekere en wantrouwige man op eigen kracht de weg naar het Torentje vindt. Kok overleed vorig jaar.

‘Vergeet het, dat lukt je niet’, had zijn uitgever uitgeroepen. Marnix Krop had zojuist aan de lunchtafel de idee geopperd de biografie van Wim Kok te schrijven. ‘Lukt je nooit. Kok houdt alles af.’ Marnix Krop die 71 is, is al 45 jaar lid van de Partij van de Arbeid. Bijna net zo lang is hij insider in de buitenlandse politiek van Nederland, met als meest markante positie ambassadeur in Berlijn, tussen 2009 en 2013.

In april 2016 bracht hij Wim Kok van een of andere bijeenkomst terug naar diens huis in Amsterdam-Slotervaart. Het regende pijpestelen. ‘We voerden zo’n gesprek dat je daarna niet meer vergeet.’ We moesten eens een afspraak maken, wierp Krop op. Mwahh, was de reactie.

‘Nou ja, ik zou graag je biografie schrijven.’

‘Een biografie? Dat is een doodsaankondiging!’

‘Jij denkt dat je nog midden in het leven staat?’

‘Zo is het.’

Krop veronderstelde dat de oud-premier vast wel de 90 zou halen, dat was het probleem niet. ‘Maar als je tot die tijd wacht’, opperde de biograaf in spe, ‘komt je verhaal in 2040 uit. Hoeveel mensen zullen dan nog ­weten wie Wim Kok was?’

‘Mwahh.’

Twee afspraken verder zei Kok: ­‘Laten we het scheepje maar afduwen.’ Vandaag verschijnt het eerste deel van Wim Kok. Een leven op eigen kracht. Het bestrijkt de periode tussen 1938, zijn geboortejaar, en 1994, het jaar waarin Kok premier werd. Het is een doorwrocht boek, dat ook een beschouwing is van de tijd waarin Kok actief was, als vakbondsman en als politicus. Hoe zag de wereld eruit, welke maatschappelijke problemen speelden er? Kok overleed vorig jaar oktober, op 80-jarige leeftijd, aan een hartkwaal. De biograaf is daarmee zijn belangrijkste bron kwijt. Maar hij wanhoopt niet. Voor het tweede deel kan Krop een beroep doen op veel getuigen, onder wie de vrouw van Kok, Rita. Het vervolg moet over een jaar of drie verschijnen.

Was Kok openhartig?

‘We kenden elkaar weliswaar niet goed, maar ik denk dat hij mij vertrouwde. Ik ben buitenstaander, ik had geen politieke agenda. Ik wilde de man leren kennen in zijn maatschappelijke en politieke context. Niet meer, niet minder.’

Rond 1951: op de openbare ­lagere school in Bergambacht. Beeld Archief familie Kok

Hij was ‘niet vrij van raadselachtigheden’, zoals u het typeert. Waar moeten we aan denken?

‘Aan de opvolging van Den Uyl bijvoorbeeld, in 1986. Een fascinerende puzzel was het voor me. Ik heb uit verschillende bronnen weten te traceren dat hij, Kok, om de maand iets anders zei. Wat was dat? Waarom sprak hij zichzelf tegen? Hij was gefascineerd door Den Uyl, maar het was geen vriend. Hij wilde het wel, dat partijleiderschap, maar tegelijkertijd zei hij tegen de PvdA in Groningen: oké, ik word jullie volgende burgemeester. Tegen mij zei hij: ik had bijna ja gezegd tegen Groningen. Ik kwam erachter dat hij gewoon ronduit ja had gezegd. Twee weken later trok hij de toezegging in.’

Wim Kok had twee zielen in zijn borst. Naar buiten toe een man die fier vooropliep, naar binnen toe een bestuurder die dikwijls dolend een weg zocht. Onzeker, wantrouwig, ­humeurig, in zichzelf gekeerd. Marnix Krop laat in de biografie zien dat veel van dat onzekere bestaan is terug te voeren op een jeugd. Kok was van Bergambacht, in de Krimpenerwaard, vol wind en water. Overwegend was de bevolking behoudend christelijk – ‘boven de polder de hemel’. De familie Kok woonde in een klein dijkhuis in ‘het rooie durp’ Bergstoep. Wims vader was los arbeider. De wereld was klein. Zomers toog men één dagje naar de grote stad, naar Rotterdam. Het was de jaarlijkse vakantie.

Krop: ‘Het was een milieu dat misschien wel droomde van grote stappen, maar daar niet aan toe kwam. Ze waren modelaanhangers van de Rode Familie, lid van alles, van de Vara, van de vakbond, van de partij. Met één uitzondering: Wim was geen lid van de AJC, de ­socialistische jeugdbeweging. De AJC was iets van de stad, de jongeren daar waren cultureler, die zochten naar harmonie in werk, leven, natuur en cultuur.

‘Hij miste in zekere zin de durf die in zo’n benadering schuilt. Hij durfde niet zo vaak. Zijn milieu was van de kleine stapjes; dat was veiliger. Hij was een jongen van de polder die wilde voldoen aan de eisen die de grote wereld aan hem stelde. Het maakte hem ambitieus en onzeker. Ik denk dat het zo ongeveer zit.’

Ambitie: toen Kok voorzitter was van de FNV reed hij rond in een Opel Kadett – hij hield het graag sober, ook toen al. Het kenteken van die auto had twee lettercombinaties: KF en BN. Bij hem thuis stond dat voor Kok Faalt Bijna Nooit.

Onzeker: toen Wim Kok eind jaren vijftig bedrijfskunde ging studeren op Nijenrode, belandde hij in een ­wereld waarin de studenten zich graag mondain gedroegen. Er waren galafeesten waarop men geacht werd te verschijnen met baldame. Niet Wim Kok. Krop: ‘Hij had geen meisje. Hij had ook niet de wil om tegen zichzelf te zeggen: oké, dan ga ik maar een meisje zoeken. Nee, hij had niemand. Hij zei letterlijk tegen me: wie had ik dan moeten vragen?’

Leed hij eronder?

‘Ik weet het niet. Hij voelde natuurlijk wel het verschil tussen het grootburgerlijk milieu en zijn eigen kleine ­wereld. In zijn beroepsleven had hij een kleine groep getrouwen, een paar mensen op wie hij leunde. Zijn gezin was zijn nucleus, zijn basis. Daar vond hij alles. Daar had hij een liefhebbende vrouw die hem overeind hield, daar vond hij kinderen op wie hij dol was. Fort Kok heb ik het ergens genoemd, niet Fort Knox, maar Fort Kok. Daar kon niemand hem een mes in de rug steken. Hij was een loner.

Zelf verkozen?

‘Ja en nee. Ik denk wel dat hij vaak genoeg heeft gedacht: ik mag me niet ­laten kennen. Een Kok laat zich niet kennen. Heel vaak zat hij te aarzelen en te mopperen. Hij kon ontzettend vervelend zijn. Maar dan was er een camera of een microfoon, of hij moest de deur uit, naar een publiek. Dan rechtte hij zijn rug, dan sprak hij met een grote beslistheid, vaak charmant, niet mopperig dan, maar heel vertrouwenwekkend en dan kon hij in een paar zinnen precies vertellen wat het probleem was en wat we gingen doen. Daarmee had hij het knagende vraagstuk ook opgelost, dan wist hij ook voor zichzelf wat we gingen doen. In zekere zin was het zijn methode om zijn eigen, vaak diepgravende twijfel over alles, te overwinnen.’

Want een Kok laat zich niet kennen. Zoiets?

‘Dat vond ik zo mooi om te ontdekken. Als je het gemodder ziet rondom de opvolging van Den Uyl – Wim wil, Wim wil niet, hij wil wel, enfin,op 21 juli 1986 krijgt hij de hamer van de fractievoorzitter, dat wil zeggen hij moet hem loswringen uit de handen van Den Uyl want die kan geen afstand doen en dan doet Kok een paar voor de PvdA van die tijd revolutionaire uitspraken: we moeten de luiken openzetten, we moeten naar ­anderen willen luisteren, we moeten een natuurlijke regeringspartij willen zijn. Negen dagen later is er het debat over de regeringsverklaring van het tweede kabinet-Lubbers, een CDA-VVD-kabinet. Kok is oppositieleider, hij houdt zijn maidenspeech, het klinkt als een klok, fantastisch. Hij had geen idee waar hij terecht was gekomen, kende de wereld van het parlement niet, waarschijnlijk was hij heel onzeker over zichzelf. Maar daar staat hij dan, hij recht zijn rug. Pats!

‘De buitenwereld dwingt hem om alles uit zichzelf te halen wat hij in zich heeft, terwijl het van binnen woelt van onzekerheid.’

1982: als FNV-voorzitter op een auto protesteren tegen de korting op het ziekengeld. Beeld Bert Verhoeff

‘Een leven op eigen kracht’, luidt de titel van uw boek. Tegen de verdrukking in?

‘Ik ben heel blij met die titel. Het duurde lang voordat ik hem had, terwijl het precies weergeeft waarom het draaide in het leven van Wim Kok. Tja, tegen de verdrukking in… Kijk, die onzekerheid is niet het hele verhaal. Hij deed er iets mee, hij maakte het productief, dat was het knappe. Wim Kok was altijd extreem goed voorbereid. Hij las alles, vroeg door op elk detail, wilde alles weten van een onderwerp en van het hele omliggende speelveld. In crisissituaties moest hij noodzakelijkerwijs improviseren. Daar hield hij niet van, maar hij trad wel op. Hij moest zich bijvoorbeeld een waaghals tonen om in de zomer van 1994 het initiatief te behouden in de formatie die uiteindelijk tot het eerste paarse kabinet zou leiden. Een Kok gokt niet. Maar de situatie noopte ertoe. Kok zette zomaar een grote stap – en won.

‘Hij was wat de Duitsers een Hoffnungsträger noemen. Hij bood uitzicht. In zijn publieke persoonlijkheid symboliseerde hij voor de Partij van de Arbeid een uitweg uit de doodlopende steeg waarin de partij zich destijds had gemanoeuvreerd. Het maakte hem herkenbaar voor de achterban en voor grote delen van het electoraat.’

Toch, hij moest veel innerlijke weerstand overwinnen. Weet u waarom hij het zichzelf aandeed?

‘Hij moest de achterstelling van zijn ouders goedmaken, afrekenen met de standenmaatschappij waarin, als de dokter op bezoek kwam zijn moeder zich in haar zondagse jurk hees en nog even het huis schoonmaakte. Het was het idee dat zijn ouders in de onderste laag zaten en eronder geleden hebben. Tegelijk was er trots. De armoede werd met opgeheven hoofd ondergaan.’

Marnix Krop is met Wim Kok terug naar Bergambacht geweest. Voor de couleur locale. ‘Ik geloof dat hij echt geleden heeft onder het feit dat zijn vader alleen maar lagere school had gehad. Hij vertelde dat hij met een gezelschap van oud-premiers en voormalige ministers was, het ging over grootouders en wat die deden. De ene grootvader was advocaat geweest, de andere industrieel, de derde was rechter. Toen moest Wim zeggen dat zijn ene grootvader touwslager was, de andere rietsnijder. Er zat een ­zekere bedeesdheid in, maar hij had ook iets van: kom maar op, mij zullen jullie niet krijgen.’

Marnix Krop, Wim Kok, Een leven op eigen kracht, Prometheus, 528 blz, 34,99 euro.

Lees verder

Nieuws| Aan het eind van de zomer van 1991 – Kok was minister van Financiën in het derde kabinet-Lubbers – scheelde het weinig of de Partij van de Arbeid was haar leider verloren. Kok scharrelde zichzelf bij elkaar. Een maand later, eind september, kreeg hij op een buitengewoon partijcongres in Nijmegen overweldigende steun van de achterban voor het WAO-besluit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden