Een man met koffers vol hersenen

'Zoals vanzelf spreekt. voelde ik mij zeer klein in dit gezelschap van zoveel oudere en ervaren mannen en besefte ik ten volle de verplichting die het in mij gestelde vertrouwen op mij legde deze nieuwe instelling tot bloei te brengen.'..

Dit schreef prof. dr. Cornelius Ariëns Kappers over de officiële opening van zijn Herseninstituut op 9 januari 1909. Het staat in een soort autobiografie die recent het licht zag na een bewerking - bezorging heet dat in het officiële jargon - van wetenschapsjournalist Frank van Kolfschooten.

Die stuitte op het manuscript toen hij twee jaar geleden een artikel wilde schrijven over het negentigjarige jubileum van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH) in Amsterdam. Kapper was de directeur en oprichter van dit universitaire instituut in Amsterdam, een onderdeel van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Het instituut verwierf onder Ariëns een grote internationale reputatie.

Tijdens de opening van het instituut bestond het aanwezige gezelschap uit vele prominente hersenonderzoekers uit de hele wereld. 'Terwijl de gasthuizen en gestichten ons hersenen met ziekelijke afwijkingen leverden, ontvingen wij van de aanvang af - dankzij de welwillendheid van zoölogische hoogleraren - een grote hoeveelheid vergelijkend anatomisch materiaal uit Artis.

'Het embryologisch materiaal was voor zover het menselijke foeten betrof, gedeeltelijk afkomstig uit de gynaecologische obstetrische klinieken, gedeeltelijk werd het ons ook door vroedvrouw en bezorgd.' Op die manieren kwam het Herseninstituut aan zijn uitgebreide collectie hersenweefsels, opgestald op lange planken in hoge kasten in de formaline, ter bestudering.

Ariëns Kappers, die leefde van 1877 tot 1946, was de grondlegger van het hersenonderzoek in Nederland, stellen de huidige directeur van het Herseninstituut, prof. dr. Dick Swaab en zijn medewerker dr. Michel Hofman, in een voorwoord in het boek. Zijn vakgebied was de vergelijkende anatomie van het zenuwstelsel. Standaardwerken van zijn hand werden in diverse talen vertaald.

De teksten van de biografie stonden op de kamer van de huidige directeur van herseninstituut, netjes getypt en ingebonden. De informatie daarin wordt nog steeds met enige regelmaat gebruikt, vertelt Kolfschooten, die gebruik maakte van een kopie die in het bezit was van een neef.

'De biografie heeft Ariëns weliswaar achteraf geschreven, maar gezien de gedetailleerdheid waarmee hij schrijft over de talloze bezoekers aan zijn instituut en over zijn reizen, moet hij een dagboek hebben bijgehouden. Dat is (nog) niet gevonden.'

Die gedetailleerheid is aan de ene kant storend: elke bezoeker aan het instituut van Ariëns wordt vermeld - en dan heeft Kolfschooten naar eigen zeggen de tekst al zo'n 30 procent ingedikt, juist waar het gaat om personenenaanduidingen.

Een illustratief citaat: 'Onder de buitenlanders die in 1925 bij mij werkten, was ook dr. Irma Kellers uit Peking. Zij verrichtte een onderzoek over het relatieve kleine hersengewicht in de reeks van de zoogdieren en bij de mens, waarbij ze interessante resultaten bereikte. Ook kwamen ons dat jaar de walvishersenen die ik van prof. Shuzo Kure in Tokio ten geschenke ontvangen had, goed van pas.

'Hiervan was door de goede zorg van onze preparator T. Brouwer een prachtige serie coupes gemaakt en deze werden nu onderzocht door een jonge Amerikaanse dokter, R. B. Wilson uit Atlanta.

'In 1926 ontving ik een bezoek van de voorzitter van de medische faculteit prof. W. M. de Vries en van prof. Snapper, die mij namens deze faculteit verzochten de door de benoeming van de toenmalige histoloog van onze universiteit prof. M. W. Woerdeman als anatoom te Groningen, opgevallen plaats in te nemen.'

En zo gaat dat het hele boek door. Op elke pagina worden nieuwe namen geïntroduceerd, wat het verhaal saai maakt, maar ook intrigerend. Al die namen, ieder met een eigen verhaal, dat noopt tot doorlezen, gek genoeg. Hij beschrijft zo zijn omgang met de Nederlandse politiek, met medewerkers en studenten van zijn instituut. Het boek illustreert de grote wetenschappelijke vrijheid die een erudiet hoogleraar als Ariëns aan het begin van de twintigste eeuw genoot.

Ariëns was niet een man die lang achter zijn microscoop bleef zitten, hij reisde de hele wereld rond, naar de VS, Italië en naar Japan, deed antropologisch onderzoek - correlatie schedelvorm en hersentype/rassenafkomst - in verschillende steden in Syrië, Egypte, in Turkije en in Palestina.

Ook was hij een jaar gasthoogleraar in Peking. Dat leverde hem vijftien hersenen op van Chinezen, voor vergelijkende studie en uiteindelijk voor zijn collectie. In wat betreft het Midden-Oosten: 'Niettemin ontving ik door de welwillendheid van patholoog-anatoom prof. Harald Krischner, een zestal Armeniër-hersenen en de grote hersenen van een Libanees, die ik na ze goed geconserveerd en gefotografeerd te hebben, zorgvuldig verpakt naar Nederland kon meenemen.'

Hij sleepte grote hutkoffers met hersendelen de wereld over, per trein of per schip, van China, de VS en Syrië onder andere en weer terug. Veel van die preparaten zijn bewaard gebleven en liggen in het Herseninstituut tentoongesteld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden