Een man mag niet huilen Shusaku Takeuchi wil kwetsbaar zijn

Mannen zijn in de war, vindt choreograaf Shusaku Takeuchi, ze weten niet meer of ze zich sterk of juist zwak moeten voordoen....

WAAROM stopte zijn vader zo plots met het geven van gevechtstrainingen aan hem, zijn enige zoon? Die vraag houdt Shusaku Takeuchi al jaren bezig. Als achtjarige jongen werd hij een half jaar ingeleid in de wereld van het zwaardvechten. Hij leerde de beginselen van kendo, judo en andere takken van marshal art. Op een dag mocht hij niet meer mee. Nooit heeft hij geweten waarom. Shusaku: 'Zoiets vraag je niet aan je vader. Niet in Japan.'

De vijftigjarige kunstenaar herinnert zich zijn vader als een echte Japanse macho. 'Groot, sterk en een goed vechter. Thuis was hij stil, bij vrienden een gangmaker. Mijn moeder heeft vaak huilend op hem zitten wachten. Vier jaar geleden overleed hij aan kanker. Op zijn sterfbed heb ik nog gemasseerd. Daarvoor had ik hem nooit aangeraakt. Ik was blij eindelijk iets van mijn bewegingskunst aan hem terug te kunnen geven. Maar zelfs toen heb ik het hem niet durven vragen.'

Hij kan wel gissen naar de reden. 'Waarschijnlijk zag hij direct dat ik meer op mijn twee zussen leek en geen vechtersbaasje was. Mijn moeder heeft me verteld dat ik een lief, lachend kind was. Verlegen en rustig. Toen we nog in het Fuji-gebergte woonden, staarde ik altijd naar de natuur. Urenlang keek ik naar vogels en hun manier van vliegen. Ik sprak nauwelijks. Ze dachten dat ik tijdens mijn geboorte een hersenbeschadiging had opgelopen, omdat ik bijna dood ter wereld kwam. Een verpleegster sloeg er uiteindelijk leven in.'

Zelden kwamen zoveel herinneringen aan zijn vader en zijn jeugd in Japan naar boven als nu, bij het maken van What About Man (First Night), Shusaku's nieuwste productie die als zomervoorstelling deel uitmaakt van de reizende theaterkermis De Parade. Vijf mannen zijn de weg kwijt. Ze willen de moderne vrouw graag plezieren maar weten niet hoe. Het begint met een romantische zwarte schoonheid (Standish de Vries) die huilend in zijn bruidsbed op zijn aanstaande wacht. Wanneer haar komst steeds onwaarschijnlijker wordt, slaan angst en twijfel toe. Hij raakt in discussie met zijn vier alter ego's: de intellectueel (Marcel Ott), de grapjas (Stefan Papp), de macho (Ruud Mathijssen), en de egotripper (Cello Hoekstra).

Halverwege de voorstelling zoemt nadrukkelijk een van de in damesbladen meest gestelde vragen rond. Wat voor een man wenst de vrouw in bed? A wild animal!, brult Mathijssen, terwijl hij met zijn gespierde torso omhoog veert uit de kussens van het grote paarse ledikant. No, a charming, handsome and sweet man, meent Papp te weten. Zijn vrolijke ogen zoeken in het publiek naar vrouwelijke bijval. Ondertussen loopt Ott de dierentuin na: A dolphin, an elephant. . .

Hoewel ze er met Shusaku nauwelijks over gediscussieerd hebben, gaat What About Man volgens de vijf acteurs - eind twintig, begin dertig en door de Japanse regisseur en choreograaf getypecast in verschillende theatercircuits - wel degelijk over de identiteit van de nieuwe man. En die is in, weten ze uit de Opzij, Man en Cosmopolitan. 'Een zorgende kerel met een creatieve baan is het meest gewild', lacht Papp. 'Wij dus'

Samen met Shusaku besluiten ze tijdens het opbouwen in Utrecht - in typische Paradesfeer - er nog een schepje bovenop te doen: mannen mogen alleen binnen in een voor één piek gehuurde jurk. 's Avonds, bij de eerste try-out, overwinnen de meeste mannelijke toeschouwers hun schroom als eenmaal de eerste vent in spijkerbroek met daarover een bloemetjesjurk voor de ingang staat de wachten. Voor het alternatief van lipstick kiest bijna niemand.

Het idee voor een komische clash van vijf manbeelden mag op zijn minst modieus heten voor een voormalig beeldend kunstenaar annex ontwerper die in de 25 jaar die hij nu met zijn gezelschappen Dormu Dance Theater en Bodytorium in Nederland werkt, vooral mysterieuze beeldende voorstellingen heeft gemaakt. Vaak op troosteloze industrieterreinen of verlaten scheepswerven. Als Japans designer is hij aanhanger van de ruimtepsychologie: alle bewegingen en beelden krijgen betekenis door hun verhouding tot de omgeving.

Zijn surrealistische schouwspel Temenos (1992) speelde zich af op een stukje niemandsland aan het Noordzeekanaal, waar het publiek per boot van Pier 10 naar toe werd gebracht. In Floating Silhouettes (1994) dreven dansers, kikvorsmannen en alpinisten op het water van het Amsterdamse Oosterdok. En in The Package (1993) werd de kilte van de Westergasfabriek in Amsterdam gevuld met dagdromen van kantoorslaven. Ook in schouwburgproducties koos Shusaku voor een ruimtelijk decor zoals een woud van zwevende luchtbedden in Waswax (1995). En, last but not least, zijn gezelschap was die eerste groep die officieel mocht optreden op het Rode Plein in Moskou. Deze zomer moest en zou hij echter een voorstelling maken over de zorgen van de man.

'De mannelijke identiteitscrisis proef ik het sterkst in Nederland', licht Shusaku toe in nasaal Engels, terwijl hij in zwarte outfit nog een laatste hand legt aan het lichtontwerp in de broeierige Paradetent. 'De afgelopen vijftig jaar heeft geestelijke arbeid het fysieke werk verdrongen. Vrouwen zijn daarvoor net zo geschikt als mannen. De Nederlandse liberale politiek stimuleert de arbeidsdeelname van vrouwen zodat de traditionele, eeuwenoude taakverdeling tussen echtgenoten verdwijnt. Mannen raken in verwarring. Hoe moeten ze zich tegenwoordig nog gedragen? Sterk of zacht?'

Volgens zijn acteurs is Shusaku zelf een trouw hoofd van zijn gezin. De avond voorafgaand aan de Paradetournee was gereserveerd voor zijn Japanse vrouw en twee kinderen van negen en elf. Zij werkt niet, maar spreekt wel Nederlands. Met zijn kinderen communiceert hij via zijn gebrekkige Nederlandse woordenschat.

Drie dagen later, na de vierde try-out, onthult hij zijn werkelijke drijfveer voor What About Man. 'Drie jaar lang ben ik ontzettend verliefd geweest op iemand uit mijn gezelschap. Ze kwam binnen als student om te interviewen, later is ze ook gaam optreden. Hoewel we er niet over spraken, vermoed ik dat mijn vrouw er wel van wist. Ze is zelf ook beeldend kunstenaar. Ze begreep waarom ik nog meer dronk dan anders en soms nachten niet thuis kwam. Twee jaar geleden verloor ik deze grote liefde. Ze deed mee aan een theaterfestival in Roemenië en werd verliefd op een Rus. Toen raakte ik net zo in verwarring als de vijf mannen uit de voorstelling nu zijn. Ik voelde me naïef, een clown, maar ook een huilende macho.'

Op dat moment ging alles fout. Nadat hij in 1995 voor The Package de Sonia Gaskellprijs had ontvangen van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst, zag de Raad voor Cultuur eind 1996 af van een vierjarige subsidiëring van Shusaku's gezelschap door hem niet op te nemen in het kunstenplan 1997-2000.

Ook bij het Fonds voor de Podiumkunsten viel hij buiten de prijzen. Financiële erkenning bleef uit en de kritieken werden minder. Gewend als hij was zijn eigen boontjes te doppen, werkte Shusaku nog harder om toch te kunnen blijven produceren. 'Als ik niet kan creëren, word ik gek. Dan vreet het zich een weg naar binnen, terwijl ik mijn ervaringen juist wil geven aan mensen.'

Voor festivals als Over het IJ en Oerol bleef hij een trouwe leverancier van arbeidsintensieve locatieprojecten. Hij ontwierp ingenieuze decors om weerbarstige gebouwen en buitenplaatsen te temmen. Zocht sponsers en verdiepte zich in weer een nieuwe lichting dansers en performers omdat hij ervaren krachten niet kon betalen.

Totdat hij op een avond bloed hoestte. Een maagtumor. April jongstleden werd een deel van zijn maag verwijderd. 'Ik ben nu voor vijf jaar genezen verklaard. Maar het is duidelijk dat ik niet alleen de drank, maar ook de aanleg voor tumoren van mijn vader erfde. Ik ben gewaarschuwd.'

Voor een als gesloten bekend staande man, laat Shusaku tijdens zijn verblijf in Utrecht opvallend vaak het achterste van zijn tong zien. 'Voorheen ging mijn twijfel niemand aan. Maar het liefdesverdriet heeft me veranderd. Die pijn kon ik niet allemaal binnenhouden. Ik ben opener geworden. Het is ook een overlevingsstrategie, want Nederlandse subsidiegevers waarderen mensen die vertellen over hun achtergrond en drijfveren.'

Aan zijn uiterlijk valt de overwonnen ziekte niet af te lezen. Hij oogt op Oosterse manier leeftijdsloos, in elk geval bij lange na geen vijftig. Zijn haardos is nog altijd diepzwart, al vertonen de slapen de eerste grijze haren. Toch hebben dansers zoals Diane Elshout en Frank Händeler - een choreografenduo dat veel met Shusaku werkte - hem de laatste tijd ouder zien worden. Het fronsje tussen zijn wenkbrauwen had hij vroeger niet. Bovendien danst hij zelf steeds minder. Daarom wierpen Elshout en Händeler zich tijdens hun Shusaku-periode op als repetitors. Met hun pure-dansachtergrond wisten ze zijn bewegingstaal met meer dynamiek op dansers over te brengen. In hun eigen werk vragen ze hem op hun beurt voor advies. Voor hen blijft hij 'een vrouwelijke man met korte blijheidserupties'.

Beide maken ze zich nog steeds kwaad over het uitblijven van erkenning voor Shusaku die in al die jaren een groot deel van de in Nederland werkzame freelance dansers heeft gecoachd tijdens de eerste dagen van hun carrière. Wim Kannekens, Susanne Ohmann, Anouk van Dijk, Bennie Bartels, Oerm Matern, Hildegard Draayer, Michael Beards, allemaal stonden ze in één of meer voorstellingen van Shusaku Dormu Dance Theater of het voor experimenten bedoelde Bodytorium. Händeler maakte vijf producties met Shusaku en meent zich nog opmerkingen te herinneren als 'Shusaku maakt de mooiste voorstellingen zonder geld'. Hij noemt het walgelijk hoe de danswereld sommige grootheden als bakstenen laat vallen.

Inderdaad heeft de cultuurpolitiek Shusaku's gezelschappen door de jaren heen maar mondjesmaat gefinancierd. Zijn gesloten Japanse inborst en gebrekkige taalbeheersing maken zijn plannen moeilijk te doorgronden. Volgens Samuel Wuersten, voorzitter van de commissie dans van het Fonds voor de Podiumkunsten, wordt Shusaku te vaak gezien als 'exoot die niet past binnen de sjablonen van de cultuurpolitiek'. Te weinig pure beweging voor dans, te weinig theater voor toneel. Bovendien vertrouwen adviseurs er vaak op dat Shusaku - eigenwijs, gedisciplineerd en solistisch als hij is - zijn projecten toch wel weet te realiseren.

Wuersten, die als danser bij de Rotterdamse Dansgroep goede herinneringen heeft aan Shusaku's gastchoreografie Fallow Field, bestrijdt dat de Japanner zich al in de herfst van zijn carrière zou bevinden. Hij ziet hem op zijn zestigste nog wel iets verbazingwekkends doen. Misschien een opera. Of een locatieproject in De Efteling.

Shusaku zelf wil graag in het jaar 2000, ter ere van vierhonderd jaar Japans-Nederlandse betrekkingen, enkele hoogtepunten uit 25 jaar Nederlandse moderne dans naar Japan exporteren. Dubbelspoor van Beppie Blankert bijvoorbeeld en Concert van Hans van Manen. En dan gepresenteerd in de opzet van De Parade. Want het contact op en de atmosfeer van deze culturele kermis vindt hij typisch Nederlands.

Hij zegt in de loop der jaren vernederlandst te zijn, maar toch ook hier, net als in Japan, een buitenbeentje te blijven. 'Ik geniet van de vrijheid en het individualisme in Nederland. Dat past bij mijn kunstenaarsschap. Maar mijn gezelschappen zijn gebaseerd op een sterk, noem het Japans, groepsgevoel.' Uit zijn voorstellingen, met name die in oude fabriekshallen, spreekt vaak een interesse in de werkende klasse. 'Ik heb fanatiek meegedaan aan de Japanse studentenrevolutie in 1968. Steunde het communisme en marxisme. Maar op mijn reis naar Europa, toen ik het noorden van de Sovjet-Unie doorkruiste, heb ik de keerzijde van die denkbeelden gezien. Allemaal koude gezichten. Geen greintje plezier.

'De belangrijkste woorden in de opvoeding van mijn kinderen zijn sorry en bedankt. Het eerste opdat ze beseffen dat ze verantwoordelijk zijn voor wat ze doen. Het laatste, omdat niet alles je eigen verdienste is. Ik geloof sterk in de gedachte dat elk individu zijn bijdrage levert om de groep sterker te maken.'

Volgens dat principe repeteert hij ook met zijn dansers en acteurs. Hij kijkt, kijkt en kijkt en geeft slechts commentaar in sleutelwoorden: yes, no, nice, may be later. Soms valt zijn aanwezigheid alleen op aan aan de concrete ingrepen die hij doet. Stilzwijgend nodigt hij zijn performers uit met eigen ideeën te komen om die vervolgens theatraal te ordenen. Hij is iemand die proeft aan bewegingen, zeggen dansers. Volgens Elshout en Händeler heeft geen enkele choreograaf zo'n neutraal ego als Shusaku. Händeler heeft hem maar één keer horen schreeuwen in die vier jaar dat hij met hem werkte. Bovendien lijkt de tijd niet te bestaan als ze met hem werken.

Ook de acteurs van What About Man zijn te spreken over Shusaku's manier van regisseren, al hadden ze de thematiek liever nog meer uitgediept. Ze noemen hem vooral praktisch, vormgericht en getalenteerd in een zuiver gebruik van het lichaam. Vooral de meditatieve opwarmingstechniek wordt geroemd. Gezamenlijk ademhalen om in een gemeenschappelijk ritme te komen en alert op elkaar te reageren.

Het vormt de basis van Shusaku's Bodytorium-techniek, een mengeling van butoh, marshal art, aikido, yoga en Japanse pop-art. Dat laatste bestaat uit een soort avant-gardistische modernisering van traditionele Oosterse beweging en kostuums. Hoewel Shusaku al in zijn studententijd de eerste optredens zag van Tatsumi Hijikata, de grondlegger van de butoh-dans, leerde hij deze aardse, sobere bewegingskunst pas in Europa, van het duo Eiko & Koma. Dat was in zijn wilde jaren: slapen in het Vondelpark en met collega's dromen over kunstenaarscollectieven. Zijn eerste stappen als performer zette hij bij het gezelschap van de Argentijnse Graziella Martinez. Toen hij merkte te veel in de exotische hoek gedrukt te worden, richtte hij zich met een eigen groep meer op moderne dans.

Hoewel Shusaku in What About Man voor zijn doen veel tekst gebruikt, vormt beweging nog steeds de basis van zijn denken. Een erfenis van zijn vader.

'Mijn vader zou boos worden bij het zien van What About Man. Hij verborg zijn zwakte en ik laat in deze voorstelling alleen maar mannelijke kwetsbaarheid zien. Mijn vader zag een advocaat in me of een businessman. Ik ontsnapte echter naar een kunstacademie. Toen mijn schoolprestaties kelderden, greep mijn vader me letterlijk bij mijn nekvel en trok hij zijn zwaard.

'Uiteindelijk wist ik wel een kunstbeurs in de wacht te slepen maar die privé-opleiding heb ik niet afgemaakt.

'Hij heeft nooit trots op mij kunnen zijn. Toen ik de Sonia Gaskellprijs kreeg, was hij net een half jaar dood. Mijn moeder stuurde me zijn schoenen als cadeau. Ik heb ze speciaal voor de prijsuitreiking aangedaan.'

Shusaku Bodytorium met What About Man (First Night). Van 31 juli tot en met 11 augustus op De Parade, Martin Luther Kingpark, Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden