Een liefdesgedicht over de dood van een mus voldoet aan alle criteria

Subject: RE: ‘Beastly Obscenity’. To: classics@u.washington.edu. From: David White M.A., University of Pennsylvania...

Marjolijn Februari

Het lag allemaal aan Hans Liberg dat ik verzeild raakte in een verhitte discussie tussen classici over de mus van Catullus. Eigenlijk had ik aan het werk gemoeten. Maar in plaats daarvan zat ik urenlang te lezen over cultuur en homoseksuele dichters, en over de mus van Catullus. Allemaal dingen die er niet toe doen.

Hoe gaat zoiets? Je begint te zoeken naar een gedicht van Catullus over een dode mus: ‘De mus van mijn geliefde is dood’ – ‘Passer mortuus est meae puellae’. En voor je het weet lees je allerhande artikelen van academische deskundigen over de interpretatie van dat gedicht. ‘De mus van Catullus’, schrijft een classicus van de universiteit van Berkeley, ‘heeft naar mijn mening een bepaalde erotische betekenis die ik onmogelijk kan toelichten met mijn zedigheid intact.’

En als je in New York Times Magazine dan ook nog eens een recept vindt voor gebakken mus – ‘what happened to the poor sparrow Catullus mourned? It was baked in a pie, of course’ – is de beer los en wil je alles, alles, alles weten.

Zoals gezegd lag het allemaal aan Hans Liberg. Die mopperde in Het Parool dat Duitsers zijn muzikale grappen op de piano slechter begrijpen dan Nederlanders. Duitsers met verstand van klassieke muziek hebben volgens hem nauwelijks verstand van triviale muziek. ‘Jammer dat er in Duitsland geen campcultuur is, zoals hier. Als je van kunst houdt, ken je daar dus niet de reclameriedeltjes. In Nederland is alles gecombineerd.’

Het was het woord ‘campcultuur’ dat mijn aandacht trok. Het frivole verschijnsel van de ‘camp’ heb ik juist altijd begrepen als uiting van verzet tegen de heersende cultuur. In haar befaamde essay Notes on Camp uit 1964 beschrijft Susan Sontag camp dan ook als een positie tegenover, ‘vis-à-vis’, de cultuur. Camp is volgens haar het antwoord op de vraag hoe je een dandy moet zijn in een tijdperk van massacultuur. Hoe kan Hans Liberg dan denken dat er in Nederland zoiets als een ‘campcultuur’ heerst? Ik begon te bladeren.

In een artikel van filosoof Jos de Mul las ik dat het woord ‘camp’ afstamt van het Franse ‘se camper’, dat o.a. ‘poseren’ en ‘een houding aannemen’ betekent; in een Duits artikel las ik dat camp een verbastering is van de politieterm ‘kamp’, die staat voor ‘known as male prostitute’. Om kort te gaan, de een begon over Paul de Leeuw, de ander over Oscar Wilde en een derde dacht bij camp aan Mozart en Caravaggio. Terwijl ik het allemaal probeerde te bevatten schoot mij de mus van Catullus te binnen.

Als Susan Sontag de hang naar camp beschrijft als ‘een sensibiliteit voor kunstmatigheid, stilering, dramatisering, ironie, speelsheid en overdrijving’, dan is het gedicht van Catullus over de mus van zijn geliefde camp bij uitstek. ‘Bij camp draait alles om de onttroning van de ernst’, schrijft Sontag. ‘Camp is speels, anti-serieus. Beter gezegd, camp gaat om een nieuwe, complexere verhouding tot ‘‘het serieuze’’. Je kunt serieus zijn over het frivole en frivool over het serieuze.’

Een liefdesgedicht dat louter zingt over de dood van een mus lijkt aan al deze criteria te voldoen en daarom zocht ik de tekst van Catullus op. En ik had goed gegokt. Zoals ik al zei belandde ik midden in een strijd over frivole hints, campy toespelingen en homoseksuele interpretaties. Ik las dat velen in de mus van Catullus een lichaamsdeel zien van Catullus en dat niet iedereen blij is met die erotische interpretatie. ‘Nou kan ik het beeld niet meer uit mijn hoofd krijgen als ik de gedichten lees’, schreef David White van de universiteit van Pennsylvania verdrietig.

Camp, schrijft Susan Sontag, is grotendeels een homoseksuele aangelegenheid. ‘Maar het is duidelijk dat als de homoseksuelen de camp niet min of meer hadden uitgevonden, iemand anders het zou hebben gedaan.’ En inderdaad was in de twintigste eeuw ook de heteroseksuele elite behoorlijk in de greep van de camp - totdat die hele geheime cultuur van goede verstaanders op straat kwam te liggen toen er openlijk over werd geschreven. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het Susan Sontag is geweest die met haar Notes on Camp de camp ten grave heeft gedragen.

Waarom spreekt Hans Liberg op dit moment van een campcultuur? Eigenlijk bestaat er niet zoiets als een openlijke campcultuur: camp is altijd een tegencultuur geweest en als zodanig een bijproduct van bevrijding, individualisering en emancipatie. Is de Nederlandse voorliefde voor reclameriedeltjes dan misschien camp? Volgens mij valt aan zo’n voorliefde voor de triviale cultuur weinig camp te ontdekken. Serieuze componisten als Bartok en Liszt zouden immers heel goed reclameriedeltjes kunnen hebben gebruikt in hun werk – zonder daardoor ook maar een beetje camp te worden. Alleen bij Mozart zouden de riedeltjes een campy karakter krijgen, maar Mozart is nu eenmaal camp. Dat hadden we al gezegd.

Deze week heb ik, in plaats van mijn werk te doen, mijn tijd verspild aan mussen en frivoliteiten. In zijn zojuist verschenen boek Deskundologie schrijft Matthijs van Boxsel over zulk onderzoek zonder noodzaak of nut, onderzoek dus naar dingen die er niet toe doen. In dat verband komt ook Johan Huizinga voorbij, die in 1938 in zijn boek over de spelende mens beweerde dat doelloos onderzoek vreugde schenkt en gemeenschapsbanden in het leven roept ‘welke worden beklemtoond door ritueel, mysterie en vermomming’.

Cultuur is geworteld in spel, zegt Huizinga. ‘Cultuur begint niet als spel en niet uit spel, maar in spel.’ En daarmee is Huizinga dus Nederlands belangrijkste voorvechter van camp – van spel als een kwestie van ernst, diepe ernst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden