Een leunstoelfotograaf die mangaporno opdient

Jeanne Prisser bericht over wat zich afspeelt in de voorhoede van de beeldende kunst. Deze week: Afschrikwekkende gekkigheid uit internetfilmpjes en een hoopvolle kijk op de puinhopen van de wereld.

Ballenbak in het Stedelijk.

Amsterdam, 3 juli

Toen Beatrix Ruf aantrad als directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam, beloofde ze zalen vrij te maken voor de 'digital natives': zij die met een joystick in de hand en sabbelend op gameconsoles zijn opgegroeid. U kent ze wel. En ruimte kregen ze (denk aan Ed Atkins en momenteel Avery Singer). Eén zo'n digital native heeft nu zelfs drie zalen van het museum in beslag genomen. En hoe. Er komen een ballenbak en een schommel aan te pas. Kom ik op terug.

Ik kende deze Jon Rafman: een Canadees, geboren in 1981, het jaar dat IBM de eerste Personal Computer maakte. Ik was mezelf al eens kwijtgeraakt op zijn blog 9-eyes.com, waarop hij de krochten van het internet bezoekt. Dankzij hem bracht ik uren door in een wereld die Google Street View heet en waar hij vreemde momenten voor me had geselecteerd: een pony die stond te steigeren, iemand die met een wapen aan het zwaaien was, het ontstaan van een barbecuebrandje.

Sommige van die screenshots zagen eruit als kitscherige ansichtkaarten (ik zag veel ondergaande zonnen). Andere, van een overval of hoertjes op de stoep, leken hoogtepunten uit de carrière van een Magnum-fotograaf. Ineens zag ik de negenogige Street Viewcamera, de robot die door Google de hele wereld over wordt gereden, als een heuse kunstenaar. Maar het was natuurlijk Rafman die verantwoordelijk was voor de selectie. 'Leunstoelfotograaf', noemt hij zich. In het Stedelijk Museum bleek dat die leunstoelfotograaf zich tegenwoordig richt op internetvideo's en -games.

Nu had ik wat gegeven voor die ondergaande zonnen. In plaats daarvan kreeg ik prut en pulp. Rafman diende de meest afschrikwekkende gekkigheid op: van mangaporno tot kreeftenfetisjfilmpjes. Bovendien zorgde de sadist ervoor dat ik dit alles op onvergetelijke wijze tot me zou kunnen nemen: liggend in die ballenbak, zwierend op een grote schommel of zwetend in een claustrofobisch kleine metalen kast.

Dientengevolge bewoog ik me door de expositie met mijn rug tegen de muur, zo ver mogelijk verwijderd van alle viezigheid. Zag ik dan niet de ordenende hand van Rafman? Uiteraard. Had ik dan niet in de gaten dat hij deze troep reproduceerde om er commentaar op te leveren? Jawel hoor. Maar ik voelde me vooral misselijk worden. Snel naar buiten. In de frisse lucht waande ik me weer digitally naive. Ik snoof maar eens diep.

Jon Rafman, I have ten thousand eyes and each is named suffering, Stedelijk Museum Amsterdam, t/m 14 augustus.

Circular City Expositie, Cityscapes Gallery, Marineterrein Amsterdam, gebouw 027E, t/m 16 juni.

Amsterdam, 3 juli

Ah ja: de geur van lijm. Van hout en klei en ijzerschaafsel, desnoods van verbrand plastic. Ik volgde mijn neus tot aan het Marineterrein in Amsterdam, geheimplek voor makers, bouwers, fröbelaars. Hier heerste een - zoals dat tegenwoordig heet - hands-on-mentaliteit. Geen leunstoel te bekennen, het internet was weldadig weg, men timmerde huisjes van tweedehands hout - de perfecte omstandigheden kortom voor een bezoek aan een groepstentoonstelling over de recyclebare stad.

Cityscapes Gallery, sinds 2011 opererend op het snijvlak van kunst en urbane architectuur, is nog maar net neergestreken in gebouw 027E op het Marineterrein. Deze zomer zal ze op verschillende plekken aldaar de manifestatie Circular City presenteren. De aftrap is goed. Ik betrad een grote kale ruimte van beton en veel glas en dacht meteen aan die goeie ouwe Sandbergvleugel van het Stedelijk Museum. Dat optimistische paviljoen moest destijds wijken voor de komst van de nieuwbouw, zoals dat gaat in een constant veranderende stad. Waar was al dat oude bouwmateriaal gebleven?

Ik hoopte hier, waar verschillende kunstenaars de handen uit de mouwen hadden gestoken en maquettes, krukjes, lampen en sculpturen hadden gebouwd van restmaterie. Er waren aandoenlijke en half in elkaar gezakte Oostblokflats van klei, gemaakt door Tilmann Meyer-Faje. Er waren foto's van Marjan Teeuwens ruimtelijke ingrepen tijdens de verbouwing van museum De Lakenhal in Leiden: adembenemende doorkijkjes van gestapeld sloophout en gipsafval.

Arne Hendriks en Mike Thompson hadden allerhande afgedankt vet verzameld en lieten dat nu in een grote klont in een watertank drijven. Henk Wildschut toonde middels prachtige foto's van een vluchtelingenkamp in Calais de menselijke inventiviteit inzake het optrekken van huisjes uit dekens, hout en plastic zeil. De één z'n ontmanteling is de ander z'n reconstructie.

Lees ook: Fotograaf zoekt schoonheid in jungle bij Calais (+)

De verzameling hutjes die Henk Wildschut in 2006 bij Calais fotografeerde, groeide uit tot een internationaal bekend vluchtelingendorp.

Het langst bleef ik turen naar de futuristische bouwsels van Frank Havermans. Ze hingen aan het plafond en leken op kleine houten Star-Wars-ruimtevaartschepen of ijle schaalmodellen van organisch uitdijende steden - nou ja, of als het bewonderenswaardige fröbelwerk van iemand die dagenlang aan tafel stukjes resthout en hardboard aan elkaar zit te lijmen. Ik zag die Havermans voor me en kreeg ineens ontzettende zin in zo'n man, of in wie dan ook die de puinhopen van de wereld zo vreselijk hoopvol tegemoet treedt. Hij droeg vast een T-shirt met 'Afval bestaat niet' erop.

Ik verliet het Marineterrein. De misselijkheid was verdwenen, ik snoof nog eens diep. De lucht rook naar zaagsel en wederopbouw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden