EEN LAND VOL KANKERPITTEN

De herkomst van de Hongaren blijft raadselachtig. Ze omschrijven zichzelf graag als een etnisch raadsel, verzeild in de driehoek van Slaven, Latijnen en Duitsers....

'ERG, HE?', zucht de schrijver. De taartjes staan nog onaangeroerd naast de koffie en het gesprek begint langzaam zijn draai te vinden als aan een belendende tafel de telefoon zoemt. De bezitter haalt het elektronisch monster uit zijn binnenzak en zet zich met een gewichtig gezicht aan de conversatie die geen minuut uitstel duldt. De homo telefonicus op heterdaad betrapt.

'Ik haat ze. Er is hier waarlijk iets ontstaan als een Nieuwe Mens. Ze zien er ook anders uit. Een beetje vet, dikke heupen, ze zitten in niet echt nieuwe, maar wel dure auto's, telefoon in de hand. Zelfs in het theater kom je ze tegen. Laatst was ik bij een voorstelling waar iemands apparaat begon te rinkelen. Een van de acteurs brulde tegen dat telefoon-type: ''Eruit! Zo gaat het niet'' Zijn we net gewend aan al die fluitende horloges, krijgen we dit.'

De mobiele telefoon. Dat is het beeld van Boedapest vandaag de dag. Geen stad in Europa waar de draadloze zo dominant in het openbare leven aanwezig is. Op de bankjes in het park, in portieken en voor etalageruiten in het centrum, voor de ingang van McDonald's, aan de oever van de Donau, letterlijk overal zitten, staan, hangen, lopen en rennen Hongaren te telefoneren. En dus ook in het café.

We zitten in café Angelika, zo'n klassiek Middeneuropees etablissement waar de bourgeoisie zich overgeeft aan met zorg geserveerde koffie met gebak. Het is zondagmiddag, tea time, en een keur van goedgeklede middelbare heren en vooral dames doet een moedige poging een traditie van eeuwen in stand te houden. Een beetje Wenen, maar dan zonder die hinderlijke Wiener in de buurt, totdat het gerinkel de droom verstoort en duidelijk maakt dat zelfs hier de tijd niet heeft stilgestaan.

Het is opschieten geblazen, want zaken als café Angelika worden in hun bestaan bedreigd. Als het koffiehuis een essentieel bestanddeel is van de Hongaarse identiteit, dan gaat het slecht met Hongarije. Het klassieke koffiehuis, waar aan een tafel in de hoek altijd wel een schrijver zat te scheppen, is aan het verdwijnen.

Het wordt vervangen door hippere, helverlichte en duurdere etablissementen, door Amerikaanse interpretaties van Oude-Wereld-koffiehuizen. Ooit waren er tussen de Petöfi- en de Margithbrug 28 cafés, maar nog slechts een handvol rest. Zelfs het New York Kávéház, waar ooit de schrijvers hun eigen tafel hadden en er praktisch woonden, is niet veilig.

Ook Gerbaud, Hongarije's meest gerenommeerde taartjespaleis op Vörörsmarty tér, gaat een onzekere toekomst tegemoet, nu het op de lijst van te privatiseren gelegenheden is geplaatst. Vrienden van de traditie houden hun hart vast: zou dit het einde betekenen van het café dat tegen alle verwachting in bijna een eeuw lang zijn stichter heeft overleefd.

In 1919 stierf de beroemde bonbonbakker - van de Kugler-Gerbaud-Zuckerln - die Parijs voor Boedapest inruilde. Joseph Roth luidde hem in Der Neue Tag passend uit: 'Als alle grote mannen eindigde ook Gerbaud tragisch. De regering van Kun dwong hem zijn koninklijke bonbons in smerige proletariërshanden te drukken. En nu, nu hij het purperen morgenrood van een Hongaars koninkrijk weer ziet opdoemen, sterft hij. Was soll noch überhaupt ein Königtum ohne Gerbaud?'

Het koninkrijk kwam er spoedig, zij het zonder koning. Admiraal Miklos Horthy meende dat een regent, in zijn persoon, voldoende was, en aan diens hand ging Hongarije zware tijden tegemoet. Maar zware tijden heeft Hongarije altijd gekend en kent het nog steeds.

'Een stille Hongaar, die met zichzelf en de wereld vrede heeft gesloten, is een bijzonder zeldzame verschijning', schreef Wilhelm Droste vorige week in Der Neue Pester Lloyd, een traditierijk Duitstalig blad dat onlangs nieuw leven is ingeblazen. 'De meerderheid is op zoek, misschien dat niet eens, zij is zonder herkenbaar doel heel erg onderweg.

'Overal stuit je op mensen die wild op elkaar inpraten, met grove, barokke vloeken en heftige gebaren, en in die gezelschappen domineert het eeuwige kattengejammer: alles is toch vergeefs, afgrijselijk, verschrikkelijk.'

Hongaren, luidt de boodschap, zijn ongeneeslijke kankerpitten. Maar ze hebben het recht te klagen, menen zij zelf, want ze hebben altijd in de hoek gezeten waar de klappen vielen. Hongarije als het slachtofferland bij uitstek.

De historicus Istvan Deak vat samen: 'Hongarije is vaak drastisch op zijn kop gezet. Neem deze eeuw. In de laatste 80 jaar heeft het land twee grote oorlogen verloren. Het werd van een constitutionele monarchie een democratische republiek in de herfst van 1918, en daarna werd het achtereenvolgens: een bolsjewistische republiek in de lente van 1919; en in die herfst een contrarevolutionaire, semi-constitutionele monarchie zonder koning onder regent admiraal Miklos Horthy; een stalinistisch terreurbewind onder Matyas Rakosi in 1948; een wat minder onderdrukkend communistisch systeem onder Imre Nagy in 1953; een revolutionaire democratie eind oktober 1956; wederom een communistische dictatuur onder Janos Kadar in november datzelfde jaar; een meer ontspannen en liberale communistische staat in de tweede helft van de jaren tachtig; en een parlementaire democratie in 1990.

'Hongarije raakte tweederde van zijn grondgebied kwijt aan Roemenië, Tsjechoslowakije, Joegoslavië en Oostenrijk bij het Verdrag van Trianon in 1920, en werd in 1944 bezet, eerst door de Duitsers, vervolgens door het Sovjet-leger.'

Een lijst die er niet om liegt. Alle reden voor de Hongaren verongelijkt te zijn en zich mishandeld te voelen door de geschiedenis.

Flauwekul, schrijft Péter Esterházy, grote flauwekul. Een bezoek aan Roemenië, waar zijn romanheld een armoede aantreft die in Hongarije nimmer te vinden was, 'bevestigde de reiziger in zijn vermoeden dat het zelfbeeld van zijn eigen land, als wreed behandeld door het lot, uitgesproken onjuist, vals was, en niet meer dan een vorm van zelfmedelijden. Beledigd zijn en lamenteren als Hongaarse nationale karakteristieken.

'Het eindeloze gejammer. De verschrikkelijke Turken, de afschuwelijke Oostenrijkers, de oplichterij van Trianon, de onverschilligheid van de Engelsen en als kroon op het werk: de Russen. O, buitensporig noodlot.

'Maar was dit in werkelijkheid niet gewoon een gemiddeld Europees lot? Nu en dan verdwenen landen van de kaart, werden door elkaar gehusseld als meubilair en, vroeg of laat kwamen de Russen langs. Wij hebben geen speciale reden om medelijden met onszelf te heben.'

PÉTER ESTERHÉZY zelf zou de geschiedenis, althans die van het communistisch tijdperk, voldoende verwijten kunnen maken. Tenslotte beroofde deze hem van een niet onaanzienlijk fortuin. Hij stamt uit het roemrijke geslacht der Esterházy's, 'de feodale heren', in de woorden van Claudio Magris, 'die in de achttiende eeuw meer dan een miljoen morgen land bezaten en die, tezamen met de andere edelen, de hele als zodanig erkende natio hungarica vormden'.

Péters grootvader van vaderszijde was premier van Hongarije in 1917, zijn overgrootvader van de andere kant werd het in 1930. Het bezit van grootvader ('een van de rijkste tien Hongaren, hij had drie paleizen en zeker tien grote huizen') werd door de communisten genaast en de familie heeft nu in ruil daarvoor slechts enkele waardepapieren gekregen, 'waarvoor je vandaag niet eens een tweekamerflat in Boedapest koopt'.

De schrijver berust erin. 'Het is niet goed als het teruggegeven zou worden. ''Ik neem geen stukje grond terug'', stond boven een artikel van mijn hand, dat veel is geciteerd. Dat namen mijn broers me niet in dank af: je mag niet met onze erfenis spelen voor een mooie zin.' Hij grinnikt: 'Dat is waar: voor een goede zin zet ik mijn erfenis op het spel. En we hebben daadwerkelijk niets teruggekregen.'

In café Angelika wil Esterházy zijn weerzin tegen de Hongaarse klaagcultuur nog wel eens ventileren. 'Hier heeft men een heel vreemd zelfbeeld. Ja, wij zijn een klein land, maar iedere tweede kernfysicus in de wereld is een Hongaar. Dat werk. Of, maar wij zijn heel groot in. . ., ik zou zo gauw niet weten wat. Onmiddellijk daarna begint het gejammer. Al sinds de zestiende eeuw hebben we het moeilijk. Die kwade Habsburgers, en die Russen, enzovoorts.

'Maar waar je ook kijkt, dat geldt voor elke staat. Polen bestond vaak niet eens, was van Rusland of van Oostenrijk. Slowakije bestond al helemaal niet. Het is zelfbedrog. Het beeld van Hongarije is dat van de Middeleeuwen, Mathias Rex, dat is de vijftiende eeuw, toen was alles hier up-to-date, de koning stond op één lijn met de Duitse koning. Wij waren een grote staat. Maar dat zíjn wij niet!

'Wij moeten inzien dat wij een klein, onbeduidend, fantastisch land zijn. Hongarije is volledig onbeduidend. Dat is geen zelfkritiek, want ik vind het helemaal niet zo slecht onbeduidend te zijn.

'Op zich is alles beduidend natuurlijk, maar meespelen in de grote wereldpolitiek stelt niet zoveel voor. Daar moet je geen minderwaardigheidscomplex van krijgen. Het is heel moeilijk jezelf goed in te schatten, je niet voor te liegen, en toch zelfverzekerd zijn. Dat valt niet mee.

'De afgelopen veertig jaar waren in dat opzicht een slechte school. Want er was geen open debat, er was geen spiegel. De gemiddelde Hongaar geloofde dat zijn eigen land hem niet toebehoorde, en dus was hij er ook niet verantwoordelijk voor. Dat was het domein van hullie daarboven, de communisten. Nu we het geluk hebben alles te kunnen doen wat we willen, zijn we natuurlijk onzeker.'

Onzekerheid, geworstel met de identiteit, weinig vertrouwen in de toekomst. De drankzucht van de Hongaren moet in dergelijke zaken wortelen. Hongarije is een land van grove drinkers, een gewoonte die het overigens deelt met de meeste landen in het midden en het oostelijk deel van Europa.

Volgens een recent rapport telt Hongarije 5,9 procent alcoholisten, en hun aantal stijgt gestaag. Een op de tien Hongaren heeft een serieus drankprobleem. Levercirrose is de belangrijkste doodsoorzaak bij mannen tussen de 36 en 60 jaar. De Hongaren drinken gemiddeld 10,5 liter pure alcohol per jaar, bijna de helft daarvan in de vorm van hard liquor. Dat is drie keer zoveel als in Oostenrijk en meer dan in welk Europees land ook.

'Drank is het nationale kalmeringsmiddel', diagnostiseert psychiater Bela Buda. Een gevolg van het verleden: in democratische maatschappijen reageren mensen zich af door misdaden te begaan. Maar in totalitaire of repressieve staten zijn mensen meer geneigd zich tegen zichzelf te keren, door zelfmoordpogingen of excessief drinken, of beide.

Hongarije is ook een land van zelfmoorden, mag zich op dat terrein zelfs wereldrecordhouder noemen. Vorig jaar werden naar schatting tussen zestig- en zeventigduizend zelfmoordpogingen ondernomen, waarvan er 4000 lukten. Op elke honderdduizend burgers slaan er veertig de hand aan zichzelf, bijna twee keer zoveel als in het buurland Oostenrijk.

Zeker is dat de Hongaren het altijd moeilijk hebben gehad met het vinden van hun roots, hun oorsprong. Volgend jaar vieren ze de 1100ste verjaardag van hun komst in Europa, in het Karpatenbekken. Ze omschrijven zichzelf graag als een etnisch raadsel dat verzeild is geraakt in de driehoek van Slaven, Latijnen en Duitsers. Vanaf het begin hebben ze zich een volk gevoeld dat anders is dan de rest van Europa. Hun taal heeft slechts vage raakpunten met één andere Europese taal, het Fins.

In de communistische jaren hingen Sovjet-geleerden de idee aan dat de Hongaren, net als de Finnen, ergens uit het Oeral-gebergte stammen, een hypothese die in zekere zin rechtvaardigde dat het land tot de Sovjet-invloedsfeer behoorde. Maar de discussie is geheel open.

Zo eens als de geleerden het zijn over het jaartal van aankomst in deze regio, namelijk 896, zo verschillend zijn de versies over het waar vandaan. Ze zouden nazaten zijn van Turkse stammen in Centraal-Azië, van de Mongolen, van de oude Finnen in Siberië, van een eigen stam die verdwaald raakte tijdens de Mongoolse invasies in Europa.

De laatste versie is buitengewoon interessant en gaat het verst: de Hongaren zijn eigenlijk Chinezen. Hongaarse onderzoekers hebben een begraafplaats bestudeerd niet ver van Urumchi, de hoofdstad van de provincie Xinjiang in het uiterste noordwesten van China. De archeologen legden 1200 graven bloot en troffen voorwerpen aan die sterk lijken op hetgeen gevonden werd op Hongaarse begraafplaatsen uit de negende en tiende eeuw.

In de buurt troffen etnograaf Istvan Kiszely en zijn team een kleine etnische groep, die door de Chinezen Ugars wordt genoemd. Zij ontdekten dat de Ugars, een slechts 9000 zielen tellende gemeenschap, 73 liederen kenden die precies pasten in de vijftonige muziekladder die de Hongaarse volksmuziek wereldberoemd heeft gemaakt.

'We hebben de laatste dame gevonden die hun liederen zingt, en ze zingt ze precies zoals wij Hongaren', zei Kiszely in een interview. De Ugars zouden in de vijfde eeuw China hebben verlaten, steeds westelijker zijn getrokken, zich vermengd hebben met de oude Finnen, en uiteindelijk in Europa hun bestemming hebben gevonden.

Blijft de herkomst van de Hongaren raadselachtig, de toekomst van de kleine natie is evenmin een open boek. 'Of wij een idee hebben welke richting wij uit gaan, een soort project?', schampert György Konrád. 'Heb jij een project? Heeft Nederland een project? Ik weet zo ongeveer wat ik het komende jaar wil schrijven, daarmee is het op. Ik denk dat voor de meeste Hongaren geldt dat zij niet verder vooruitkijken. Grote projecten zijn doorgaans heel gevaarlijk, zeker als het naties betreft.'

KLEINSCHALIG moeten we het houden, schreef de grote auteur al in de roman Tuinfeest: 'Ons land is het land van de ''beetjes'' en de ''kleintjes'', een beetje handig, een beetje slim, kleine mensjes, klein-industrie, kleinstedelijk, kleine boeren, smalle beurzen, kleine bezitters, kleinbehuisden, kleine autootjes, kleine kroegjes. Kleine stapjes, kleine verlangens, kleine kansen, een beetje onderdrukking, een beetje oppositie, kleine schrijvers, een klein volk. Wat klein is, kan bij ons nog net, wat groot is, kan niet. Soms proberen we iets in het groot, maar we ontdekken al spoedig dat we meer bereiken op kleine schaal.'

Péter Esterházy constateert dat het vertrouwen in het vinden van een eigen weg vooralsnog een hersenschim is gebleken: 'Vroeger dachten ze dat er zoiets bestond. Tijdens de communistische era heeft men geloofd dat wij de dingen die we wilden doen, niet konden doen omdat we niet vrij waren. Zouden we vrij zijn, dachten we, dan zou je eens zien. Het was allemaal de schuld van de communisten, van de Russen.

'Die zijn natuurlijk schuldig, maar de kwestie is niet zo eenvoudig. Ik heb eens geschreven: het probleem is dat de Russen zijn weggegaan, maar wij hier zijn gebleven.

'Het is geen specifiek Oosteuropees probleem, die onzekerheid vind je in heel Europa. Europeaan zijn betekent naar mijn mening deze ongewisheid. Er is wel een groot onderscheid. Het westelijk deel van Europa is een functionerend deel, de structuren zijn fijn, het werkt. En dit deel functioneert niet. Wij zijn in een land opgegroeid waar niets functioneert.

'Terecht zijn wij huiverig voor een grote visie. We hebben in deze eeuw enkele visies uitgeprobeerd, rechts, links, en ze zijn niet helemaal gelukt. Wat men vooruit had kunnen bedenken. Je kunt natuurlijk zeggen: het goede voorbeeld is Oostenrijk. Want in Oostenrijk zijn de straten schoon, en de openbare toiletten in orde. Maar Oostenrijk als voorbeeld, dat vind ik toch werkelijk verschrikkelijk.

'Natuurlijk, het leven in Oostenrijk is veel beter en aangenamer. Het zou al goed zijn als wij dat zouden kunnen bereiken. Maar als geestelijk voorbeeld zou het te weinig zijn. Dat is geen kritiek of gemekker, want wij kunnen zelf ook niet met goede voorbeelden voor de draad komen. Ik niet, niemand. Degenen die het doen, zijn heel gevaarlijk, omdat die snel - dat komt hier in de omgeving nogal eens voor - naar het nationalistische afglijden. Dan komen er nieuwe visies als rotte eieren, met een wc-lucht.

'De situatie is nu nog moeilijker, want we hebben niet langer het excuus van de communisten of de Russen. De Hongaren weten nog niet in welk land ze leven. Mijn vriend Elemer Hankiss, een socioloog die nu in Wenen werkt, heeft gezegd: we moeten verzinnen hoe Hongarije is, we moeten ons land uitvinden.

'Ook de intellectuelen hebben niet doorgedacht over wat dit voor een land is, hoe het in Europa moet staan. Ooit waren wij het laatste katholieke bastion tegen de Turken. In de communistische tijd waren wij de vrolijkste barak in het kamp. En nu? Welke metafoor moeten we nu gebruiken? We hebben er geen.'

Dit is de laatste aflevering in een serie over de identiteit van kleinere landen. Eerder kwamen in Vervolg Portugal (11 maart), Noorwegen (18 maart) en Tunesië (25 maart) aan de beurt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden