EEN LAND DAT TANDELOOS CHARMEERT

Algerijnen lachen niet. Egyptenaren giechelen. 'En die kerels uit de Golfstaten laten alleen maar boeren.' Intussen vragen de Tunesiërs zich af: zijn we wel aardig genoeg?...

HET MOEST een keer gebeuren. Want Tunis mag dan een echte stad zijn, met opgeschoten jongeren die dag in dag uit rondhangen op de Avenue de Bourguiba (daar komt niets goeds van) en met nors kijkende verkeersagenten die alleen in de lach schieten als ze worden aangereden door een bekende (ze lachen veel), maar uiteindelijk, zo tegen het einde van de middag perst de bevolking zich gewillig samen in het centrum; een overzichtelijk gebied, dat gemakkelijk te belopen is, zelfs als je het slenter-tempo aanhoudt van de oudere heren die gearmd het leven bespreken.

De stad heeft meer dan een miljoen inwoners (wie de voorsteden meerekent komt zelfs aan 1,7 miljoen), maar er kleeft iets provinciaals aan Tunis, hoezeer de bestuurders ook geprobeerd hebben met behulp van glas, staal en onbehouwen monumenten de gemoedelijkheid te verdrijven. Het is ze niet gelukt. Na kantoortijd krijgt de hoofdstad weer het aanzien van dat middelgrote dorpsplein, waar je niet te veel vijanden moet maken, omdat je elkaar onherroepelijk weer tegenkomt.

Dus ik had kunnen weten dat het moment zou aanbreken waarop ik de jonge veelbelovende schrijver en de wat oudere ex-marxistische intellectueel zou moeten voorstellen aan Abdul die waarschijnlijk tot de vrijste jongens van Tunis gerekend mag worden. Hij brengt in de praktijk waar de andere twee uren lang over kunnen praten.

Dienstverlening, zo was het toch? Dit kleine land, dat over zo weinig natuurlijke hulpbronnen kan beschikken, weet zich staande te houden door als kruispunt te fungeren, een plek waar Europeanen en Afrikanen elkaar kunnen ontmoeten, en waar toeristen, behalve hun geld en hun vakantieliefdes, ook hun vrijgevochten ideeën achterlaten.

'Wij Tunesiërs zijn van nature verzoeners, bemiddelaars. Denk maar aan de Palestijnen, die zo lang in ons land onderdak hebben gevonden', had de intellectueel nog gezegd.

Maar ik dacht niet aan de Palestijnen. Ik dacht aan Abdul, die me de eerste dag achteloos om een sigaret vroeg in het Café de Paris, en die pas opveerde toen bleek dat ik geen Arabisch sprak en geen Tunesiër was. Aha. Zijn ogen begonnen te glimmen. Nee, geen dollartekens. Ik zag in zijn pupillen even het vignet van Eurocard/ Mastercard oplichten.

Wat kon hij voor mij betekenen: drank, hasj, wisselkoersen, meisjes. Cocaïne, was dat het? Geen probleem. Eventueel, als het moest, was hij zelfs genegen om eigenhandig die massage te geven.

Ja, wist hij veel.

Maar dat hoefde niet. Want Abdul is weliswaar slim en handig, maar heeft ook een mond vol scheve, lichtgroene tanden.

Vanaf die eerste kennismaking heb ik Abdul niet meer kunnen ontlopen. Als ik mijn hotel uitwandelde, stond hij te wachten bij de ingang. Als ik in dezelfde buurt een ander, goedkoper hotel vond, hield hij prompt daar de wacht.

De jongen is in zijn eentje een complete verzorgingsindustrie, die zich hardnekkig aanbiedt, en die in een mum van tijd Nederlandse kranten weet te vinden of een dubbelstekker kan regelen voor mijn computer, alles op een schappelijke profijtbasis.

Hij is het levende bewijs van de Tunesische handelsgeest, waarover economen me hebben voorgelicht; hij belichaamt het vermogen tot improvisatie - een van de meer opmerkelijke nationale eigenschappen, zoals de geslaagde intellectueel en de aanstormende schrijver mij verzekerden.

'Abdul' Hij heeft zijn vaste positie weer ingenomen, vlak bij de draaideur van het hotel. Ik steek mijn hand uit om hem te begroeten. Mijn gesprekspartners blijven discreet op een afstand. Ze knikken afwezig, als ik hun vertel hoe ik Abdul heb leren kennen. Mmmhhmm. Pas later, in het restaurant waar schrijvers, bijna-schrijvers en de betere journalisten elkaar plegen te ontmoeten, vraagt de intellectueel langs zijn neus weg of ik wel uitkijk met die jongen.

'Ik woon hier, geloof mij. Dat type is niet te vertrouwen.'

De jonge schrijver knikt en schenkt me wijn bij, op licht bestraffende wijze.

Othman Ben Taleb is misschien tien jaar ouder dan ik, maar hij doet zijn best het leeftijdsverschil aan te dikken, en tegenover mij de rol van de middelbare man te spelen. Linguist, dichter, literair criticus, bestuurslid van de schrijversvakbond, tijdschriftredacteur en ex-marxist - dat laatste maakt waarschijnlijk ook wat ouder.

Op een vleiende, samenzweerderige manier heeft hij het over 'wij intellectuelen' als hij ons tweeën bedoelt. Eenmaal binnen in zijn kantoor, dat schamel is ingericht zoals hij zelf nadrukkelijk vaststelt ('ook in financieel opzicht wil de schrijversvakbond zich een onafhankelijke positie tegenover de regering kunnen veroorloven') dringt vaag het geluid door van trams, van vogelgekwetter en gewone mensen, maar dat lijkt ver weg.

Strikt genomen heeft Taleb de tijd nog meegemaakt dat Tunesië onder Frans protectoraat viel; toen het land in 1956 onafhankelijk werd en Habib Bourguiba aan de macht kwam, was hij een peuter van twee. Het kolonialisme is dus een kwaad van horen zeggen, een vernedering die hij zich niet kan herinneren, maar waarover hij zich moeiteloos opwindt - want het ontbreekt hem niet aan verbeeldingskracht; hoe langer hij praat, hoe meer hij deel uitmaakt van het subproletariaat. Een levendige geest. Maar hij heeft nooit Franse soldaten zien marcheren in de straten van Tunis.

EN TOCH, en toch. . . Zodra de Golfoorlog ter sprake komt, verandert Taleb, die in Europa gestudeerd heeft, Frans doceert aan de universiteit en bij voorkeur ook in die taal schrijft, in een schematisch denker. Net nog heeft hij me bekend dat hij praktisch geen letter in het Arabisch op papier krijgt, dat het is alsof zijn eigen taal zich verzet tegen elke literaire poging die hij onderneemt. Maar nu neemt hij in een keer afscheid van die hele Franse erfenis, en verdeelt de mensheid met vaste hand in jullie en wij.

Jullie in Europa. Wat jullie democratie noemen. Jullie naiviteit als het om mensenrechten gaat.

Teleurgesteld, dat is het woord, zegt hij. Zwaar teleurgesteld.

Wij hadden zojuist geconcludeerd dat Tunesië het meest westers georiënteerde land is van Noord-Afrika; dat de natie een van de laatste vrijhavens dreigt te worden in een regio waar het moslim-fundamentalisme aan alle kanten oprukt (Algerije, Egypte) en zelfs officiële politiek is geworden (Sudan). Hij heeft wel drie keer het belang onderstreept van de Code du Statut Personnel, de familiewetgeving die Bourguiba meteen na de onafhankelijkheid invoerde, waardoor polygamie verboden werd en vrouwen goeddeels dezelfde rechten kregen als mannen. 'Ten overvloede', heeft hij eraan toegevoegd, in dat prachtige, gebeeldhouwde Frans, waarvan je kan horen dat er lang op gestudeerd is, 'ten overvloede wijs ik er nog maar eens op dat de islam weliswaar de officiële godsdienst is in Tunesië, maar dat wij kerk en staat strikt gescheiden wensen te houden'.

Eigenlijk stonden we net op het punt om de Middellandse Zee tot een obstakel van niks te verklaren, zo'n ruilverkavelingsslootje waar je gedachteloos overheen stapt, totdat de herinnering aan de Golfoorlog onze zee alsnog in tweeën splitst. Zijn kant. Mijn kant.

En terwijl hij tot nog toe een bedaarde, bijna paternalistische houding heeft aangenomen, die van ruim voor het autoriteitsconflict dateert, klinkt hij nu plotseling verongelijkt en miskend.

'Wij Tunesiërs zijn altijd de beste leerlingen van de westerse klas geweest. Geen haat tegen de Fransen. Geen buitenlandse ambassades die in brand gestoken werden. Geen serieuze fundamentalistische bedreigingen. Hier vond je het eerste, ik herhaal, het eerste kantoor van Amnesty International in Noord-Afrika. En wat krijgen we ervoor terug? Niets. Jullie steunden die conservatieve Saudi's, die niet eens weten wat Amnesty betekent.'

Hij strijkt zijn das glad en later ook zijn woorden. Nee, natuurlijk; Saddam Husseins inval in Koeweit viel niet te verdedigen. Heeft president Ben Ali - voor wie overigens niets dan lof - dan ook niet geprobeerd. Maar het totale onbegrip dat het Westen tentoonspreidde ten aanzien van de gevoelens van de Tunesische bevolking. . . Alsof die er in het geheel niet toe deden. Alsof Tunesië een verwaarloosbare factor was, een piepklein landje waarmee niemand rekening hoefde te houden.

De stilte die dan valt is bijna stoffelijk van aard en neemt de vorm aan van een vraagteken.

Taleb leunt weer achterover in zijn stoel en vindt zijn toon terug en zijn sophistication.

'Zó groot zijn we natuurlijk ook weer niet', stelt hij droogjes vast.

De achtste, de negende keer, dat ik hier kom? Tunesië is mijn land. En het aanstekelijke is dat de Tunesiërs er net zo over denken. Zolang ik niet in rare vakantiebroekjes loop en er het zwijgen toe doe, ga ik door voor een willekeurige Tunesiër, die in het Arabisch wordt aangesproken en niet moet klungelen met zijn kleingeld, want dat doen alleen toeristen. Ik voel me er thuis, waarschijnlijk ook omdat de Tunesiërs geloven dat ik er thuis hoor. Ook nu weer is er een politieagent die zeker weet dat mijn paspoort vervalst is en mijn Frans aanstellerig. Waarom spreek ik niet gewoon mijn moerstaal?

Ander voorbeeld: diezelfde week ben ik er getuige van hoe een Tunesische man, die zich op zachtaardige wijze bedrinkt in een bar en die op zoek is naar gezelschap om zijn zonde mee te delen, hoe die man zich tot drie Fransen richt die aan een belendend tafeltje hebben plaatsgenomen.

Hij proost ze toe en maakt uitvoerig complimenten over de Franse taal, de Franse cultuur in het algemeen en de Franse presidenten in het bijzonder ('Pompidou, dat was mijn man'). Het is wel erg veel lof, zelfs de Fransen worden er ongemakkelijk van. Wanneer die te kennen geven dat ze weer eens op moeten stappen, volgt er van Tunesische zijde nog een omslachtig, ritueel afscheidswoord. De Franse vrouw bloost ervan.

Maar ze zijn de deur nog niet uit, of de Tunesiër wendt zich geagiteerd tot mij en braakt drie minuten lang een boze woordenstroom uit, waarbij hij met zijn hoofd bruusk naar de plek wijst waar net nog de helden zaten van de Franse natie.

Het kost de man uiteindelijk nog moeite genoeg om de authentieke Arabische woede weer tot zijn recht te laten komen in de Franse vertaling die hij er later van geeft. 'Die rot-Fransen, die stront-Fransen, wat denken ze wel.' Hij lacht er inmiddels beschaamd bij.

HET LIJKT wel of dit kleine land, dat dertien keer in Algerije past, geplaagd wordt door twee grote vragen:

1. Vinden ze ons wel aardig? Een vraag bestemd voor Europa.

2. Zijn we soms tè aardig? Een vorm van zelfonderzoek, en tevens een geruststelling aan het adres van de andere Arabische landen die de Tunesiërs ernstig verdenken van lankmoedigheid en gebrek aan dogmatiek.

Daarin hebben die andere Arabische landen gelukkig volkomen gelijk.

Lasaad Turki, voorzitter van de kamer van koophandel in Tunis, herinnert het zich glunderend: het was in 1984, de tijd van het zogenaamde broodoproer, toen de Tunesiërs massaal in opstand kwamen tegen de prijsverhogingen die Bourguiba wilde doorvoeren. Turki moest voor zijn werk naar Algerije, en terwijl hij zich daar van de ene vergadering naar de andere spoedde, mocht hij van alle taxichauffeurs de complimenten in ontvangst nemen. 'Goh, die Tunesiërs', werd er bewonderend opgemerkt, 'wie had durven dromen dat die zich nog eens als echte mannen zouden ontpoppen.'

Want ik ken de geschiedenis, zegt Turki: het grote buurland Algerije heeft zijn onafhankelijkheidsoorlog moeten bekopen met miljoenen doden, terwijl de Tunesiërs datzelfde doel aanzienlijk vreedzamer bereikten.

Algerije, met zijn olie en zijn rijkdom aan grondstoffen, gold na de onafhankelijkheid als het veelbelovende talent; daar kregen ze echte zware industrie. En Tunesië? Nou ja, men scheen er iets te willen met toerisme.

'Ze beschouwden ons altijd als handige smiechten - een vriendelijk, maar weinig heldhaftig volk. Echte kerels werken immers niet in hotels, maar ploeteren in fabrieken of in mijnen. Er werd weinig van ons verwacht, we waren het suffe neefje van de Maghreb. En nu heeft Tunesië zich stilletjes ontwikkeld tot een van de meest welvarende landen van Noord-Afrika.'

Lasaad kijkt nu ronduit ondeugend. Als hij even mag generaliseren: 'De Algerijnen zijn getraumatiseerd door hun onafhankelijkheidsstrijd, begrijpelijk, begrijpelijk. Het land wordt gekenmerkt door een ambivalente houding ten opzichte van Europa. Vergeet niet dat Algerije een departement van Frankrijk was, en in Franse ogen integraal onderdeel uitmaakte van het land. Die twee volkeren zitten elkaar te dicht op de huid. Hebben nog heel wat uit te vechten.

'Een Algerijn zal het als een nederlaag ervaren, wanneer hij dienstbaar moet zijn voor een Europeaan. In Tunesië hebben de mensen nauwelijks last van dat soort ressentimenten. Wij hoeven geen rekening te vereffenen met ons verleden, we hoeven onszelf niet zo nodig te bewijzen. Terwijl de Algerijn zichzelf zal vervloeken wanneer er een buslading toeristen uitstapt om zijn restaurant te bezoeken, glimlacht de Tunesiër en denkt vooral aan het geld dat hij zal verdienen.'

Het toerisme levert 10 procent op van het bruto nationale inkomen. Maar meer nog, gelooft Lasaad, zorgt die stroom van Europeanen ervoor dat het land niet eenzelvig wordt en kennis blijft nemen van andere opvattingen en gewoonten.

'Het moslim-fundamentalisme zal hier uiteindelijk niet echt voet aan de grond krijgen, al was het maar om praktische redenen. Er zijn maar weinig toeristen die uitgerekend tijdens hun vakantie geen bier willen drinken en geen bikini willen zien. En er zijn maar weinig Tunesiërs die de inkomsten van het toerisme willen missen.'

Er staan geen forten meer langs de Tunesische kust, geen uitgebreide verdedigingswerken; hun functie schijnt te zijn overgenomen door de witte glanzende hotelcomplexen waar wat gekleurde parasols bescherming bieden tegen de zon.

Abdul beperkt zich meestal tot een dun lachje, waarschijnlijk vanwege zijn gebit. Maar hij weet hoe hij kan stralen met zijn wangen, zijn voorhoofd en zijn ogen. Hij weet hoe hij tandeloos kan charmeren.

'Algerijnen lachen niet. Egyptenaren giechelen. En die kerels uit de Golfstaten laten alleen maar boeren.'

'Vind je het gek', vraagt hij, 'dat de Tunesische man hoog staat aangeschreven bij de vrouwen van de Arabische wereld? 'Wij pakken ze niet ruw bij de schouders, wij zeggen niet: kom, naar bed, nu. Wij maken er werk van.'

Een minuutje, roept hij ineens, een minuutje. Als ik me omdraai, zie ik een roodharig meisje voorbij struikelen, met een onmogelijk grote rugzak op haar rug, op wie Abdul nu quasi-nonchalant afdanst.

Ferid Tounsi maakt deel uit van het kabinet van de minister van Economische Zaken, en regelt de buitenlandse investeringen. Hij noemt zichzelf zonder blikken of blozen een technocraat, alsof dat een geuzennaam is en niet die stilzwijgende waarheid die Europese bewindslieden koste wat kost verborgen willen houden.

Terwijl een intellectueel als Taleb nog worstelt met de idealen uit het verleden - het pan-arabisme, het anti-kolonialisme en het socialisme -, is Tounsi de vleesgeworden pragmatiek: hij is schaamteloos aardig, en rijgt in een vloeiend betoog de antwoorden aan elkaar op de vragen die hij zichzelf stelt.

'Is Tunesië een stabiele democratie? Wij kennen sinds kort een meerpartijenstelsel en onze middenklasse, toch de ruggegraat van elk welvarend land, groeit nog steeds. 67 Procent. Ik hou van cijfers. 67 Procent van de bevolking mag zich tot de middenklasse rekenen.

'Zijn er geen problemen? Welzeker, maar de ergste armoede wordt bestreden door het regeringsfonds van de solidariteit, waardoor ook de achtergebleven gebieden stromend water en elektriciteit tot hun beschikking krijgen. Bovendien wordt zo de voedingsbodem van het moslim-fundamentalisme weggenomen.

'Werkloosheid? Toch nog steeds zo'n 13 procent. Kon beter, ik geef het toe. Maar vergelijk dat eens met de ons omringende landen, waar het oploopt tot 25 procent, 30 procent.'

Als hij de Tunesische arbeiders bedoelt, heeft hij het over 'menselijk kapitaal'. Buurland Libië omschrijft hij als 'een staat waarvan het beleid in internationaal opzicht niet altijd gewaardeerd wordt'.

Tounsi bezit de gave van het zoetgevooisde woord.

Bij het afscheid overlaadt hij mij met glanzende brochures, waarin het Tunesische investeringsklimaat wordt geschetst in zachte, zeeblauwe kleuren. Ze lijken nog het meest op vakantiefolders, zoals die in de rekken van Holland International zijn te vinden.

Die avond stelt Othman Ben Taleb me voor aan de jongste auteur die de schrijversbond tot zijn gelederen mag rekenen. Er is net een roman van hem verschenen, en de jonge schrijver is er vol van: tijdens het nagerecht zijn we al aangeland op pagina 123 van zijn boek.

'Trouwens', onderbreekt Taleb ons onder de koffie, 'die jongen die je net op straat begroette, pas daarmee op. Ik woon hier, geloof me. Dat type is niet te vertrouwen.'

Hij buigt zich nu voorover en fluistert: 'Het is een hoer, die jongen.'

Ik snap toch wat hij bedoelt?

De jonge, veelbelovende schrijver is enigszins van zijn stuk gebracht omdat we plotseling van onderwerp zijn veranderd. Na enige bedenktijd zegt hij dat 'hoer' mischien wat sterk is uitgedrukt, maar dat hij in zijn laatste roman een personage beschrijft dat heel dicht in de buurt komt van deze kennis van mij, mag hij het zo uitdrukken, en dat de man aan het einde van het verhaal. . .

Als de fles met vin gris tot de laatste druppel is leeggedronken, omhelzen wij elkaar en nemen geroerd afscheid. Ik loop alleen over de Avenue de Bourguiba, waar nu geen oudere heren meer converseren en waar zelfs de vogels zijn gaan slapen. Maar Abdul natuurlijk nog niet. Bij de deur van het hotel wacht hij me op.

'Wat waren dat voor mannen?' Hij laat lucht ontsnappen tussen zijn lippen, een laatdunkend zuchtje lucht: 'Weet je wat dat zijn? Klantjes. Overdag spelen ze de mijnheer. Maar 's nachts zijn het mijn klantjes.'

En ik begrijp waarom dit land me ligt: het is niet eens de zon, de woestijn, de witte Menzel-koepels die afsteken tegen luchten die met een viltstift lijken ingekleurd. Het zijn de mensen hier; het is hun eeuwige - en bij voorbaat vergeefse - strijd tegen de vermeende hoerigheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.