Een laat-kapitalistisch manifest

Het onlangs verschenen World Development Report van de Wereldbank bevat een onverholen pleidooi voor de vrije markt en veroordeelt miljoenen mensen in de Derde Wereld tot blijvende armoede....

JAN BREMAN

BIJNA anderhalve eeuw geleden schreef Karl Marx Het Kapitaal, gedreven door de wens het belang van de werkende mens te dienen. Omgekeerd heeft nu, na de ineenstorting van de socialistische economieën, het kapitaal uiteengezet hoe arbeid zich dient te gedragen om een betere toekomst tegemoet te gaan.

De Wereldbank heeft dit laat-kapitalistisch manifest gepubliceerd als haar jaarlijks ontwikkelingsrapport, onder de titel Workers in an Integrating World. Maar terwijl Marx zich liet leiden door de emancipatie van arbeid, lijkt in het ontwikkelingstraject zoals geschilderd door de Wereldbank de onvoorwaardelijke onderschikking van arbeid voorop te staan. Uiteraard wordt dergelijke triomfalistische terminologie vermeden. De lezer wordt te verstaan gegeven dat de overgang naar een volledig vrije markteconomie de beste garantie is voor aanhoudende economische groei en ook de werkende bevolking ten goede komt.

Hervorming van de globale economie blijft niettemin een pijnlijk proces. De Wereldbank heeft er geen moeite mee te erkennen dat vooral de armen hebben geleden, en nog steeds lijden, onder het regime van structurele aanpassing. In termen van arbeidsvoorwaarden betekende dit saneringsbeleid de inkrimping van publieke voorzieningen die loondaling, werkloosheid en recessie tot gevolg hebben gehad.

In lage-inkomenslanden is ongeschoolde arbeid de meest kwetsbare klasse gebleken maar, zo laat de Bank weten, een drastische wijzing in de machtsbalans ten gunste van kapitaal was en blijft een voorname voorwaarde voor economisch herstel. Die vaststelling gaat vergezeld van de opmerking dat de pijn die armen lijden niet wordt veroorzaakt door een foutieve opzet van de hervormingspolitiek die nu wordt doorgevoerd, maar door een mislukte strategie ten tijde van de zogenaamde ontwikkelingsdecennia.

De primaire betekenis van het rapport ligt naar mijn mening in de geboden analyse van arbeid in een waarlijk mondiaal kader. Van de 2,5 miljard mannen, vrouwen en kinderen die de arbeidende bevolking in de wereld vormen leven er 1,4 miljard in arme landen. Zij hebben een gemiddeld jaarinkomen per hoofd van 695 dollar (in 1993). Meer dan een miljard mensen moeten rondkomen van een dollar of nog minder per dag. Het aantal werkzoekenden zal de komende drie decennia met nog eens 1,2 miljard toenemen.

Vermindering van de werktijd is de vrucht van aanhoudende economische groei. In de industriële landen met een hoog inkomen is in de loop van deze eeuw het aantal arbeidsuren per jaar gedaald met bijna 40 procent, van 2690 in 1900 tot 1630 in 1986, zij het dat niet meer dan een klein deel van het arbeidsleger in de wereld hiervan profijt heeft getrokken. Van alle industriële werkers op dit moment leeft al 80 procent in landen met een laag of midden-inkomen en zij moeten aanzienlijk harder werken.

Bovenvermelde gegevens zijn indicatief voor de drastische verschuiving in de samenstelling, spreiding en werklast van de beroepsbevolking in de wereld. Het goede nieuws is dat, voornamelijk als gevolg van stijgende produktiviteit, de gemiddelde werknemer er beter aan toe is dan een generatie geleden. De grootste successen zijn geboekt in Oost-Azië waar het bruto nationale produkt per arbeider tussen 1965 en 1993 meer dan verdrievoudigde.

Groei gecombineerd met voortgaande integratie in de wereldeconomie, zo leert de catechismus van de Bank, is dè remedie voor vermindering van armoede. Als gevolg van de afspraken gemaakt bij de Uruguay Ronde zal over tien jaar de koopkracht in alle belangrijke regio's van de wereld behalve Afrika zijn toegenomen. De Asean-landen en China lopen in deze voorspelling voorop, maar ook voor Zuid-Azië wordt een stijging verwacht welke die van de EU, Japan of Noord-Amerika zal overtreffen.

Tezelfdertijd kan echter niet worden gegarandeerd dat ook de levensstandaard van de armste werkers in de wereld zal stijgen. In de al bestaande ongelijkheid is een aanzienlijke verscherping opgetreden. Terwijl in 1870 het gemiddelde inkomen in de rijkste landen 11 maal hoger was dan in de armste, bedroeg die verhouding in 1960 al 38:1, om nog verder op te lopen tot 52:1 in 1985. Statistische analyse van inkomensstijging wijst vervolgens uit dat landen die aan de start rijker waren ook sneller groeiden. De Wereldbank laat verder weten dat in de overgang naar een markteconomie een toename in ongelijkheid niet alleen onvermijdelijk maar uit oogpunt van efficiëntie zelfs wenselijk is.

Hoe kunnen arme mensen hun achterstand op de beter bedeelden teniet doen of tenminste inlopen? In de allereerste plaats heeft het weinig zin om aan te dringen op een herverdeling van de aanwezige bronnen van welvaart. Het zou volgens de Bank niet erg realistisch zijn om een wezenlijke wijziging in de bestaande allocatie van kapitaal te verwachten. Aan de mogelijkheid van zo'n verschuiving in de verdeling van kapitaal op wereldniveau maakt het rapport zelfs geen woord vuil.

De Wereldbank bepleit in plaats daarvan investeringen in menselijk kapitaal. Het voorgestelde beleid houdt in wezen de afschrijving in van arme volwassenen. In plaats daarvan moet worden geïnvesteerd in de jonge generatie als de meest geëigende strategie voor verhoging van de kwaliteit van het toekomstig bestaan voor de gehele mensheid. Het doorbreken van de armoedecyclus tussen generaties kan worden bewerkstelligd door kinderen toegang te geven tot voorzieningen die aan hun ouders zijn voorbij gegaan.

Ruwweg de helft van de werkende bevolking in de wereld voorziet voor eigen rekening en risico in haar bestaan of maakt deel uit van een gezinsonderneming zoals een boerenbedrijf. In het proces van economische groei dat gepaard gaat met sectorale diversificatie neemt tewerkstelling in de landbouw af, stijgt het aantal banen in industrie en dienstenverlening, terwijl steeds meer werkers in de stad terechtkomen en na verloop van tijd overgaan van de informele naar de formele sector van de economie.

In kort bestek is dit de gang van het economische ontwikkelingstraject. Hardnekkig blijft de Wereldbank vasthouden aan de conventionele wijsheid volgens welke zelfstandige boeren die de landbouw verlaten hun weg vinden naar de onderste echelons van de stedelijke economie, waar zij inkomsten en vaardigheden opdoen, om tenslotte met behulp van hun besparingen een eigen bedrijfje te beginnen.

Gedurende mijn veeljarig onderzoek naar arbeid in de informele sector, zowel op het platteland als in de stad, heb ik weinig bewijsmateriaal gevonden ter staving van deze zo resoluut geponeerde stelling van opwaartse mobiliteit.

In lage-inkomenslanden vindt niet meer dan 15 procent van de werkende bevolking emplooi in de formele sector, in midden-inkomenslanden bedraagt dit 45 procent. Het aandeel van deze arbeid in hoge-inkomenslanden is veel omvangrijker; hier blijft slechts een kleine minderheid uitgesloten van tewerkstelling in loonbetalende, niet-agrarische particuliere bedrijven of publieke sector.

Naarmate het inkomen per hoofd stijgt en de industrialisatie voortschrijdt, nemen informele werkarrangementen en kleinschalige produktie in betekenis af. Dit gaat gepaard met een overgang van informele naar formele arbeidscontracten. Traditionele systemen van beloning, gebaseerd op stukloon en taakwerk, verdwijnen en maken plaats voor reguliere lonen.

Het lijkt alsof de Wereldbank instemt met de trend tot formalisering van de arbeidsverhoudingen. Men zou daarom bezorgdheid verwachten over de omslag die is ontstaan, namelijk een sinds 1980 groeiende stagnatie in de formele sector-werkgelegenheid, zowel in lage- als hoge-inkomenslanden. Die indruk wordt echter teniet gedaan door een krachtig pleidooi om alle regels af te schaffen die bescherming bieden aan arbeid in de formele sector.

Volgens deze redenering werkt een beleid dat de vorming bevordert van een kleine maar bevoorrechte categorie van arbeid in hoogwaardige produktie-activiteiten een tweedeling in de hand en gaat deze ontwikkeling ten koste van groei in de werkgelegenheid. Uiteindelijk wordt duidelijk dat de vooruitzichten voor werknemers in de mondiale economie slechts gunstig zijn bij maximale flexibiliteit, dat wil zeggen bereid zijn af te zien van zekerheid en bescherming.

Een regime van laissez-faire? De Bank ontkent in alle standen dat het arbeidsbeleid waaraan zij de voorkeur geeft zou neerkomen op de orthodoxe docrine van laissez-faire, laissez-aller. Overheidsinterventie zou echter kort en goed beperkt moeten blijven tot publieke actie die het efficiënt functioneren van markten ondersteunt en produktieve investeringen aanmoedigt.

Maar wat is efficiënt en voor wie is het dat? Zoals ik eerder opmerkte is het rapport uitermate terughoudend in het redresseren van machtsongelijkheid waarvan markten zijn doortrokken en besteedt het weinig meer dan lippendienst aan de noden van categorieën van arbeid die gediscrimineerd of op andere wijze worden benadeeld.

Hoe ziet de naaste toekomst van de werkende armen aan de bodem van de wereldeconomie eruit, even aannemend dat die enorme massa bereid is het regime te ondergaan dat voor haar eigen bestwil is geformuleerd door de Bank? In het beste geval, zo berekent het rapport, zal het verschil tussen rijk en arm in 2010 zijn teruggelopen tot een verhouding van 50:1. Hieruit blijkt dat vergeleken met de toestand zoals die in 1985 bestond slechts sprake is van een lichte daling.

Die prognose geeft weinig reden tot gejuich. Maar zelfs deze magere uitkomst gaat vergezeld van de waarschuwing dat als de arme landen hun marktgerichte politiek niet op straffe wijze doorzetten, of als de trend naar globale integratie wordt onderbroken door een meer protectionistische koers, de tijdens deze eeuw sterk gegroeide ongelijkheid in het begin van de volgende eeuw nog verder zal oplopen tot een verhouding van 70:1.

Op het werk van Marx is vanaf het moment van publikatie scherpe kritiek geleverd en terecht. Het gedachtengoed van deze politieke econoom was dogmatisch, getuigde van een sterk mechanistische visie op de fasen van economische groei en droeg bovendien een sterk eurocentrische inslag.

Maar het credo van de Wereldbank is niet minder doctrinair. De verschillen in inhoud en stijl zijn te veel om op te noemen. Maar één daarvan is dat terwijl Marx zijn parti pris niet onder stoelen of banken stak - het was zijn belangrijkste inspiratiebron - de bank die het proces van economische mondialisering tot haar voornaamste opgave heeft gemaakt, pretendeert dat de arbeidspolitieke handleiding die zij heeft opgesteld een objectief en evenwichtig antwoord geeft op de vraag hoe de armen in de wereld verlost kunnen worden uit hun misère. Dat nu is een drogrede.

Het zwart-witdenken waarvan zowel de analyse als ook de beleidsaanbevelingen van de Wereldbank zijn doortrokken, laat zich illustreren aan de hand van de opvatting dat het de eerste of zelfs enige taak van de overheid is om een klimaat en omgeving te scheppen waarin kapitaal maximaal tot ontplooiing komt, dat wil zeggen zich op de meest doelmatige en doeltreffende wijze kan manifesteren.

Er staat niets in het rapport over de achtergrond van kapitaal, hoe het ontstaat, wat de sociale identiteit is van de eigenaars ervan, wat zij willen, wanneer en waarom. De Wereldbank lijkt te vooronderstellen dat kapitaal bereid is op politiek correcte wijze te handelen, dat wil zeggen zich met maatschappelijk fatsoen te gedragen en te investeren in produktieve activiteiten welke werkgelegenheid scheppen.

De ex cathedra uitspraken van de bank over werkgelegenheid en arbeid zijn extreem anti-étatistisch. Ter verdediging van deze vijandige vooringenomenheid staat het rapport uitvoerig stil bij de totale ineenstorting van de socialistische economieën, vooral die in Oost- en Centraal-Europa. Deze passages treffen onweerlegbaar doel. Maar in haar al te grote ijver om tot de laatste snik lering te trekken uit deze les, schiet de bank door waar het socialistische staatsregimes op één lijn stelt met landen met een gemengde economie.

Hoewel overheden in deze laatste categorie van landen in de ogen van de Wereldbank ongetwijfeld met dezelfde dodelijke ziekte zijn besmet - ook zij bezweken immers voor de verleiding om aan de werkende bevolking zorg te willen bieden van de wieg tot het graf - is het niettemin verstandig om deze beide varianten van staatsbemoeienis van elkaar te onderscheiden. Zij staan immers voor verschillende stelsels van politieke economie en legden de afgelopen eeuw ook een sterk uiteenlopend traject af.

De crux van deze constatering is dat de zeer aanzienlijke verbetering die is ontstaan in de kwaliteit van het werkend bestaan in Nederland onvoorstelbaar zou zijn geweest zonder overheidsinterventie in de op particuliere leest geschoeide economische bedrijvigheid. De emancipatie van de arbeidende bevolking is vergezeld gegaan van een beteugeling van het naakte kapitalisme door sociale en politieke actie, bevorderd door ideologieën van vooral sociaal-democratische en christen-democratische huize.

De uitkomst van deze strijd, want die moest wel degelijk worden gevoerd, heeft een verzorgingsstaat opgeleverd die momenteel weliswaar aan afslanking onderhevig is maar nog steeds een levensvatbare toekomst lijkt te hebben. Het platte eindoordeel van de Wereldbank dat overheden in het verleden gefaald hebben om door staatsoptreden het maatschappelijk welzijn te vergroten, is een karikatuur van de ontwikkelingsgang zowel in Europa als in andere delen van de wereld en doet geen recht aan het behaalde succes in de verdeling van inkomens langs publieke weg.

Het rapport keert zich tegen dualisme op de arbeidsmarkt omdat de voordelen gegund aan formele sector arbeid, in lage inkomenslanden slechts een kleine minderheid van de werkende bevolking, in feite een lotsverbetering van het overgrote deel der armen in de weg zouden staan. Informalisering van werk is evenwel naar mijn mening de verkeerde aanpak voor de oplossing van ongelijke verdeling.

De voortgaande polarisatie loopt uiteindelijk uit op een verdeling van mensen, zowel op nationaal als mondiaal niveau, in twee segmenten: zij die deel uitmaken van het maatschappelijk bestel en zij die daarvan blijven uitgesloten.

Het arbeidsmanifest van de Wereldbank getuigt van meer dan alleen maar technocratisch pragmatisme. Het is een benadering die dicht in de buurt komt van sociaal darwinisme, zij het verpakt in een nieuw jargon dat veel gepolijster is dan de eerdere variant die ruim honderd jaar geleden in zwang was. De Wereldbank kiest partij en, in tegenstelling tot wat zij beweert, niet voor de armen. Daarom zullen ook in de 21ste eeuw zij een groot deel van de mensheid uit maken.

Jan Breman is hoogleraar comparatieve sociologie en decaan van het Centrum voor Azië Studiën van de Amsterdamse School voor Sociale Wetenschappen. Daarnaast is hij als buitengewoon hoogleraar verbonden aan het Institute of Social Studies in Den Haag.

Dit is een samenvatting van een beschouwing die hij schreef voor het oktobernummer van Socialisme en Democratie, het maandblad van de Wiardi Beckman Stichting. Naar aanleiding hiervan vindt op 9 oktober in Utrecht een debat plaats tussen Breman en het PvdA-kamerlid Rick van der Ploeg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden