Een koude, lege man: De Victoriaanse façade van Charles Dickens

Weinig auteurs hebben zo vaak, en met zo veel overgave de genoegens van het kerstfeest bezongen als Charles Dickens. In vertellingen als A Christmas Charol maakte Dickens het kerstfeest tot een 'bacchanaal van gezelligheid' waarin alle Victoriaanse deugden samenkomen....

Wanneer hij, ter ondersteuning van een bepaalde bewering, verlegen zat om een of andere autoriteit, mocht Godfried Bomans graag een schrijver of denker aanhalen 'wiens naam mij helaas ontschoten is'. In zulke gevallen kon men er zeker van zijn dat het beweerde voor honderd procent aan Bomans' eigen fantasie was ontsproten. Zo poneerde hij ooit de stelling dat de behaaglijkheid die men, in bed gelegen, vlak voor het inslapen voelt, aanzienlijk in intensiteit toeneemt als het buiten regent, stormt of hagelt. De filosoof die Bomans voor deze gelegenheid in het leven riep, zou deze stelling empirisch hebben getoetst door iemand in te huren die buiten, onder het venster van zijn slaapvertrek, heen en weer diende te lopen, in zijn handen te wrijven, te stampvoeten en af en toe 'Brrr' te roepen. 'De opvallende tegenstelling nu tussen de omstandigheden waarin deze man verkeerde en zijn eigen positie, gaf aan zijn bed de kwaliteiten van een fort, een vesting van kapok, wol en dons.'

Voor Bomans lag in deze tegenstelling de essentie van het begrip 'knusheid' besloten: het kan binnen alleen knus zijn bij de gratie van het feit dat de wereld buiten woest en ledig is. 'Er moet regen tegen de ramen slaan, de wind moet loeien door de schoorsteen en een grijze mist zwijgend om het huis staan. Dan eerst wordt bewaarheid, wat de Engelsen uitdrukken met de zegswijze: My home is my castle.'

Uiteraard hanteerde Bomans deze bespiegelingen als opzetje voor een betoog over Charles Dickens (1812-1870). Er is in Nederland waarschijnlijk niemand die het werk van Dickens met zoveel enthousiasme onder de aandacht heeft gebracht als Godfried Bomans. En als het ging om de relatie tussen Dickens en het kerstfeest, verviel hij niet zelden tot een hartstochtelijke lyriek die schatplichtig was aan de meester zelf. 'Charles Dickens was een gewoon en gezond man, die echter in zijn gewone gezondheid mateloos was. En hij voerde dit besef van geborgenheid op tot een orgie van genoeglijkheid, een bacchanaal van gezelligheid, een wellust van kleine tevredenheid. En het was vooral met Kerstmis, dat deze dronkenschap hem naar het hoofd steeg.'

Dickens' oeuvre is rijk aan kerstscènes, waarin weldoorvoede Victorianen met gloeiend hete glazen punch bij het open haardvuur zijn gezeten, luisterend naar ijzige verhalen en uiteraard het gieren van de wind. Je vindt ze in The Pickwick Papers en Oliver Twist, in Dombey and Son en Martin Chuzzlewit, in Bleak House en The Mystery of Edwin Drood. Maar het beroemdst zijn ongetwijfeld de huiselijke taferelen van een familie die allerminst weldoorvoed was, bij wie het kerstdiner minder dan overvloedig mocht heten, en in wier huiskamer - zo laat zich vermoeden - het haardvuur de tocht nimmer geheel deed vergeten: de Cratchits uit A Christmas Carol.

Vanzelfsprekend zet Dickens in deze novelle het weer zorgvuldig naar zijn hand. Al op de derde pagina blijkt dat een milde, heldere 24ste december er ook dit jaar niet inzit:

'Op een keer - van alle mooie dagen van het jaar uitgerekend op kerstavond - was de oude Scrooge aan het werk op zijn kantoor. Het was koud, grauw, bijtend weer en mistig bovendien; en hij hoorde de mensen buiten in de steeg kuchend heen en weer lopen, met hun handen op hun borst slaan en met hun voeten op de straatstenen stampen om ze te warmen. De stadsklokken hadden nog maar drie uur geslagen en toch was het al helemaal donker; het was de hele dag niet licht geweest; en voor de ramen van de naburige kantoren brandden kaarsen, met vlammen die als roestige vegen afstaken tegen de zichtbare bruine lucht. De mist stroomde naar binnen door alle kieren en sleutelgaten en buiten was hij zo dicht dat de huizen aan de overkant op schimmen leken, hoewel het een erg smalle steeg was. Als je zag hoe die vale wolk naar beneden kwam en alles aan het oog onttrok, had je kunnen denken dat de natuur vlakbij woonde en uitgebreid aan het brouwen was.'

Kortom: een optimaal decor voor een knusse kerst. In deze context is zelfs de matig verwarmde huiskamer van de Cratchits een toonbeeld van behaaglijkheid. De vertaling van deze passage is gloednieuw, en is afkomstig van Else Hoog. Behalve van haar zijn onlangs ook nog vertalingen verschenen van Théo Buckinx en van Ernst van Altena. Drie nieuwe vertalingen in één jaar van een uit 1843 stammende novelle is misschien wat veel van het goede, maar dat we aan een nieuwe editie van Een kerstvertelling toe waren lijdt geen twijfel. Tot nu toe was de ruim veertig jaar oude vertaling van Anton Coolen de meest actuele, en die is verre van vlekkeloos.

In de Veen-editie zijn de oorspronkelijke illustraties van John Leech afgedrukt, terwijl De Fontein de recente tekeningen van Quentin Blake gebruikte. Beide edities blijven trouw aan Dickens, want ze voldoen aan de voorwaarde die Bomans stelde, en die wordt samengevat in zijn beroemde frase 'Dickens waar zijn uw spoken?' De personages in Dickens' kerstscènes zoeken in de veiligheid van hun huiskamers bescherming tegen de boze buitenwereld. Maar als die veiligheid te groot dreigt te worden, treden er spoken op.

In veel romans en verhalen gebeurt dat in de vorm van een vertelling, zoals 'de geschiedenis van de geesten die Gabriël Grub van het kerkhof haalden' in The Pickwick Papers, of het verhaal van Richard Doubledick in De zeven arme reizigers, een van Dickens' minder bekende kerstvertellingen. Ook in zijn beroemdste kerstverhaal treden spoken en geesten op, in letterlijke en figuurlijke zin. Als Scrooge zich in zijn kamer heeft teruggetrokken, met de deur - tegen zijn gewoonte in - op het nachtslot, verschijnt zijn zeven jaar eerder overleden zakenpartner Jacob Marley. En wanneer de Cratchits na de maaltijd gezellig rond de haard zitten, kan Bob Cratchit het niet laten een dronk uit te brengen 'op meneer Scrooge aan wie we dit feest te danken hebben'. Een geestverschijning zou geen ontreddender effect hebben gehad. 'Scrooge was de boeman van de familie. Het noemen van zijn naam wierp een donkere schaduw over het gezelschap, die zeker vijf minuten lang niet verdreven werd.'

Maar als de schaduw van Scrooge de Boze eenmaal is verdwenen keert de Dickensiaanse knusheid terug in huize Cratchit. Er gaan gepofte kastanjes rond, en wordt gezongen (over een verdwaald kind in de sneeuw, uiteraard) en iedereen is gelukkig en tevreden. My home is my castle. Als het kerstfeest niet had bestaan, zou Dickens het hebben uitgevonden.

Het archetypische beeld van de Dickensiaanse kerst heeft er mede toe bijgedragen dat de persoon Charles Dickens jarenlang de belichaming was van Victoriaanse deugdzaamheid en degelijkheid. Dickens, die warme huisvader. Dickens, de bestrijder van maatschappelijk onrecht, kampioen van de armen en verdrukten. Dickens, de moralist die zijn slechteriken een metamorfose liet ondergaan of meedogenloos met hen afrekende.

Aan dit beeld is de laatste decennia ijverig getornd. Zelfs Bomans verstoutte zich ruim 25 jaar geleden al enkele kritische opmerkingen. Een geheel ander verhaal vertellen echter meer recente publikaties, zoals de biografieën door Norman en Jeanne MacKenzie (1979), Fred Kaplan (1988) en Peter Ackroyd (1990), alsook Claire Tomalins The Invisible Woman. The Story of Nelly Ternan and Charles Dickens (1990).

Het beeld dat de wereld van Charles Dickens had, en deels nog steeds heeft, is in de eerste plaats door hemzelf geschapen. In zijn brieven zowel als in zijn fictie - via autobiografisch ogende personages - portretteert hij zichzelf als een gevoelige, rechtschapen en dikwijls onheus bejegende figuur. Gegevens die niet met dit ideaal strookten werden zo mogelijk geëlimineerd.

Fred Kaplan begint zijn biografie met een beschrijving van een mooie septemberdag in 1860, waarop Dickens de verzamelde brieven en papieren van de laatste twintig jaar verbrandt. Elke brief die niet een zuiver zakelijke inhoud had, ging op de brandstapel. Correspondentie van Tennyson, Thackeray, Carlyle en - niet onbelangrijk - zijn vriendin of minnares Ellen Ternan ging zo verloren, en daarmee de mogelijkheid een nauwkeurig beeld te vormen van de persoonlijkheid van de schrijver. Smeekbeden van Dickens' dochter Mamie om enkele brieven te behouden, waren tevergeefs.

Gelukkig slaagde hij er niet in alle brieven die hij zelf schreef te vernietigen, en het zijn met name zijn verzamelde brieven - het zevende deel verscheen dit jaar - die latere biografen in staat stelden tot een herijking van het beeld dat Dickens van zichzelf naar buiten bracht.

In dat beeld draait alles om Dickens' bittere jeugdervaringen. Dat hij, anders dan zijn oudere zuster Fanny, niet mocht gaan studeren maar moest gaan werken in Warren's Blacking Warehouse, een schoensmeerfabriek, is hij zijn hele leven als een daad van onrechtvaardigheid blijven zien, die hij zijn moeder, Elizabeth, nooit heeft vergeven. Dat zijn vader wegens schulden in de Marshalsea-gevangenis zat, hetgeen Charles naar de maatstaven van de tijd de natuurlijke kostwinner maakte, legde hij naast zich neer. Dat de directie van de schoensmeerfabriek familie van Elizabeth was, en zij derhalve wellicht de hoop koesterde dat Charles, na een eenvoudig begin, carrière zou maken binnen het bedrijf, deed hem niets.

Hoewel het gevaarlijk is al te gemakkelijke parallellen te trekken tussen historische personen en figuren uit Dickens' oeuvre, wordt vrij algemeen aangenomen dat negatieve moederfiguren als Mrs Nickleby (Nicholas Nickleby) en Mrs Gargery (Great Expectations) zijn geïnspireerd op Elizabeth, die volgens haar zoon een slechte moeder was. Toch is bekend dat Dickens van zijn moeder leerde lezen, dat ze zijn liefde voor boeken stimuleerde, en hem een basiskennis van het Latijn bijbracht. Verklaringen van onder andere Dickens' kindermeisje weerspreken dat Elizabeth een harteloze vrouw zou zijn geweest.

Niettemin heeft de schrijver zich zijn leven lang negatief over zijn moeder uitgelaten. Toen hij eenmaal een vermogend man was, kocht hij voor zijn ouders een huis in Alpington, nabij Exeter, waar beiden - met een zorgvuldig vastgestelde maar redelijke jaarsom - werden neergepoot. Verder contact wenste Dickens niet meer met hen te hebben, en hij liet via de krant weten niet aansprakelijk te zijn voor door zijn ouders gemaakte schulden.

Dickens was toegerust met een geweldige wilskracht, een heilige overtuiging in eigen kunnen en een ontembare energie. Wie zijn pad kruiste en zich niet naar zijn wensen voegde, moest dat bijna altijd bezuren, soms op wel heel schrijnende wijze. Zo leidde een confrontatie tussen de schrijver en cartoonist Robert Seymour, over de richting die hun beider creatie Pickwick moest opgaan, tot de geestelijke ineenstorting van de laatste; Seymour schoot zich door het hoofd.

Ook Dickens' ruzies met zijn uitgevers zijn legendarisch. Vooral die naar aanleiding van A Christmas Carol is het signaleren waard. Dickens schreef het verhaal over de bekering van een gierigaard met de bedoeling er flink aan te verdienen. Zijn laatste roman, Martin Chuzzlewit, was niet het succes geworden dat hij ervan had verwacht, en de in zes weken tijds geschreven kerstnovelle diende deze tegenslag goed te maken. Nadat hij van zijn uitgevers Chapman & Hall de royalty's had ontvangen, schreef hij aan zijn vriend en eerste biograaf John Forster: 'Gisterenavond kreeg ik de verkoopcijfers van mijn Christmas Carol en ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan. Schoften zijn het, die uitgevers! Een smerige tweehonderd pond is alles wat ze me gestuurd hebben! Maar ik zal het ze betaald zetten, die ellendelingen'

En dan de liefde. Zijn huwelijk met Catherine Hogarth liet te wensen over, en na 22 jaar (en tien kinderen) zette Dickens er in 1858 een punt achter. Weliswaar liet hij zich niet van haar scheiden - dat zou een schandaal hebben veroorzaakt - maar hij zette haar simpelweg het huis uit, en liet bovendien in het openbaar weten dat alles wat er tussen hen was misgegaan de schuld was van Catherine. Net als Elizabeth was ze een slechte moeder geweest en bovendien was ze geestelijk instabiel. Wie dit tegensprak werd per omgaande uit Dickens' vriendenkring verwijderd.

Een jaar eerder had hij kennisgemaakt met de actrice Ellen ('Nelly') Ternan, op wie hij verliefd werd en met wie hij twaalf jaar lang in het geheim omging. De exacte aard van hun omgang is nog altijd een punt van discussie. Peter Ackroyd houdt het erop dat Dickens' relatie met Ternan platonisch was en dat zij 'de geïdealiseerde maagd uit zijn fictie' was. Claire Tomalin, die een heel boek aan de verhouding wijdde, meent echter dat Dickens en Ternan wel degelijk een seksuele relatie hadden.

Hoewel de bewijzen hiervoor ontbreken, past het in het beeld van de bruisend energieke Dickens (hij maakte dagelijks wandelingen van minstens vijftien kilometer, en in hoog tempo) dat zij hun verhouding hebben geconsumeerd. Bovendien verklaart het de geheimzinnigheid rond de affaire, inclusief geheime ontmoetingsplaatsen, schuilnamen en uiteraard vele verbrande brieven.

Het zijn allemaal feiten die niet corresponderen met het beeld van de warme, Victoriaanse family man. Ackroyd schrijft in zijn biografie dat Dickens een koude, lege man was, en dat zijn romans de zorgvuldige lezer precies dat gevoel van leegte overbrengen dat Dickens overal met zich meedroeg. Kaplan wijst op de enorme gretigheid waarmee de schrijver zijn gevoelens van superioriteit koesterde, bijvoorbeeld tijdens zijn befaamde public readings. Toen, na de voordracht van het kerstverhaal The Chimes, een groepje vrienden in snikken uitbarstte, liet hij zich ontvallen: 'Wat heerlijk om macht te hebben'

In een brief over een andere openbare voordracht, noemde hij zijn ademloze publiek 'stijf en bevroren in de palm van mijn hand'. Kaplan suggereert dat zijn luisteraars Dickens wellicht deden denken aan de bevroren lichamen die hij in 1846 in het St Bernhard-klooster in Zwitserland had gezien en gaat nader in op zijn fascinatie voor openbare executies en zijn bezoeken aan het lijkenhuis van Parijs, waar het water van de verdronken lichamen druppelde 'als verpulverde, overrijpe vijgen'. Misschien, zo stelt hij, had Dickens lijken nodig, net als een 'bevroren' publiek, omdat ze zijn eigen gevoel van vitaliteit en macht versterkten. Toen in 1849 het echtpaar Manning werd opgehangen, huurde hij een nabijgelegen dak af om niets van het spektakel te hoeven missen. Vervolgens schreef hij twee ingezonden brieven aan The Times waarin hij openbare executies scherp veroordeelde.

Een verklaring voor het wereldbeeld dat uit Dickens' werk spreekt, is dat de schrijver als gevolg van traumatische jeugdervaringen emotioneel altijd een kind is gebleven. Hij leefde in een fantasiewereld en projecteerde die op de werkelijkheid, waardoor hij volwassen emoties niet kon begrijpen. 'De wereld die hij beschreef was een kinderwereld', aldus Norman en Jeanne MacKenzie, 'verbijsterend, vol gruwelen, onverklaarbare afwijzingen, pathetische loyaliteit en verloren liefdes, schijnbaar zinloze wreedheden en onverwachte liefdadigheid.'

Dickens was niet de 'gewone en gezonde man' die Bomans in hem zag, misschien tegen beter weten in. Hij was een Scrooge en een Tiny Tim ineen. Koud, grauw en bijtend, als het weer op die 24ste december. Maar toch ook warm en beschermend. In combinatie kon dat tot heel knusse literatuur leiden.

Charles Dickens: Een kerstvertelling. Illustraties John Leech. Uit het Engels vertaald door Else Hoog. Veen, ¿ 29,90.

Charles Dickens: Een kerstvertelling. Illustraties Quentin Blake. Uit het Engels vertaald door Théo Buckinx. De Fontein, ¿ 29,95.

Charles Dickens: Een kerstvertelling. Illustraties Liesbeth Zwerger. Uit het Engels vertaald door Ernst van Altena. De Vier Windstreken, ¿ 34,50.

Theater: A Christmas Carol door het Nationale Toneel, regie Ger Thijs. Koninklijke Schouwburg Den Haag, 24 en 25 december (14.00 uur).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden