Een koraalstad verpulvert tot stof

Zeelucht, regen en wind hebben vrij spel in Suakin voor de kust van Sudan. Het stadje, uit koraal opgetrokken, was ooit een belangrijke doorvoerhaven....

Het uit koraal opgetrokken stadje Suakin vult het hele piepkleine eiland waarop het is gebouwd. Het eiland is zo plat dat de witte gebouwen lijken te drijven op de golven van de lagune in de Rode Zee, vlak voor de kust van Sudan.

De aanblik van de rijk versierde huizen moet indruk hebben gemaakt op zeelieden die hun schepen na een lange reis aanmeerden aan de kade. Dichterbij gekomen zagen ze houten erkers van Javateak uit de helwitte huizen steken, de opengewerkte ramen vingen elk briesje zeewind op en het uitbouwsel voorzag de smalle stegen van schaduw.

Er moet veel bedrijvigheid zijn geweest, maar nu zwerven in het historische havenstadje zelfs geen katten en honden rond. Het enige geluid dat de stilte doorbreekt, is het gekras van een paar raven.

Suakin was eeuwenlang een belangrijk handelsknooppunt aan de oostkust van Afrika en tot tachtig jaar geleden was de stad het eindpunt voor karavanen uit de binnenlanden van Afrika, die ivoor, struisvogelveren, Arabische gom, goud en slaven naar de haven brachten waar schepen en galeien uit Europa, India, Arabië en Abessinië hen opwachtten. Maar rond 1920 kwam daaraan een eind. Handelaren, bankiers en rederijen verlieten hun prachtige herenhuizen en kantoren van koraal om zich te vestigen in de nieuw aangelegde havenstad Port Sudan, zestig kilometer verderop. Daar was het water dieper en konden grote schepen makkelijker aanmeren.

Treinen en vliegtuigen verdrongen de traditionele kamelenkaravanen en zo raakte Suakin haar belangrijke rol in het handelsverkeer helemaal kwijt. Na de sluiting van het haveneiland kregen zilte zeelucht, regen en wind er vrij spel. Beschermend pleisterwerk viel van de prachtige en rijk versierde huizen waardoor de koraalstenen muren in zeer snel tempo verpulverden. Ook sloopten mensen de leegstaande huizen om het bouwmateriaal opnieuw te gebruiken.

Met zijn smalle straten, die allemaal uitkomen op zee, heeft het witte ruïnestadje veel weg van een filmdecor. Hier en daar staan tussen scherp gekante hopen koraal uitgebleekte muren overeind met oosterse ornamenten en indrukwekkende deuren van enkele meters hoog. Daarachter vermoed je een ontvangsthal en brede trappen die uitkomen op de eerste verdieping waar kamers met ruime erkers uitzicht bieden op de straat. In de erkers of roshan liggen tapijten en kussens en een verkoelende zeewind blaast door ramen met kunstig uit hout gesneden roosters waardoor je ongezien naar buiten kunt turen. Zo was het vroeger, maar wanneer je nu door de deur stapt, sta je meteen in de open lucht.

Een paar gebouwen staan nog overeind, zoals het douanecomplex aan de noordzijde van het eiland. Gietijzeren kanonnen markeren de toegangspoort en daarboven staart een vermoeide leeuwenkop mismoedig over het randje van de poort naar de bezoeker. Wanneer je onder de poort doorloopt, kom je via een grote binnenplaats, omringd door kantoorgebouwen, bij het water uit. Waar eeuwenlang houten zeilschepen aanmeerden en galeien werden volgepakt met slaven, waar getier en geschreeuw klonk, is nu enkel het geklots van water te horen.

Hoe Suakin er precies heeft uitgezien, is op het nippertje vastgelegd door de Engelse kunstenaar Greenlaw die tussen 1940 en 1950 de meest bijzondere gebouwen, huizen en moskeën van Suakin tekende en fotografeerde. De stad was toen al grotendeels verlaten en de kunstenaar kon bijna overal vrij in en uit lopen. Hij raakte volkomen in de ban van de schoonheid en grandeur die Suakin uitstraalde en het moet een vreemde gewaarwording zijn geweest om in de lege straten rond te lopen, totaal overdonderd door de pracht en praal van imposante herenhuizen, pakhuizen, moskeën en graftombes die door niemand meer werden bewonderd.

Het grootste deel van de huizen was opgetrokken in een stijl die je ook in Jedda en Massowa nog aantreft. De architectuur is typisch voor de Rode Zeekust en staat in groot contrast met huizen die landinwaarts werden en worden gebouwd. Daar is de hitte zo groot dat dikke muren van leem met kleine hoge ramen de warmte moeten buitensluiten. Aan de kust profiteerden de bewoners echter volop van de verfrissende zeewind die werd binnengehaald door grote ramen met kunstig uitgesneden tralies. Aan de warme zuidkant bevonden zich trappen en opslagkamers.

Het oudste huis dat de kunstenaar op het eiland aantrof, is waarschijnlijk Beit el Basha, het huis van de Pasha, dat rond 1500 werd gebouwd in de periode dat de Turken hun heerschappij in Egypte vestigden en naar Suakin kwamen.

Greenlaw besefte pas hoe bijzonder zijn werk was toen bleek dat de verlaten stad veel harder achteruit ging dan gedacht. Tien jaar nadat de tekenaar in 1951 uit Sudan was vertrokken, stond bijna geen gebouw meer overeind en in het boek over Suakin, dat hij in 1976 uitbracht, vraagt Greenlaw zich vertwijfeld af waarom de prachtige stad met een architectuur die vijfhonderd jaar geschiedenis weerspiegelde, volkomen aan haar lot werd overgelaten.

De officiële geschiedenis van Suakin begint na de komst van de islam. Het kleine eiland krijgt echter pas grote betekenis wanneer de Ottomanen in de zestiende eeuw Egypte innemen en ook Suakin annexeren. De stad zal dan vijfhonderd jaar de belangrijkste doorvoerhaven aan de Rode Zeekust vormen voor Egypte en Sudan en het is zeer waarschijnlijk dat de structuur van Suakin en de fundamenten van de meeste huizen uit die tijd stammen.

Met de opening van het Suezkanaal in 1869 werd de Rode Zee een belangrijke vaarroute voor het scheepsverkeer tussen Europa en Azië en daar profiteerde ook Suakin van. Europeanen vestigden er kantoren en de handel floreerde als nooit tevoren. Om de drie maanden vertrok een grote karavaan van vijfhonderd à duizend kamelen met suiker, zeep, kaarsen, textiel, messen, potten en pannen uit Europa het binnenland in, nagekeken door de inwoners van Suakin en Geyf, de zusterstad op de wal.

Om de overslag van goederen te vergemakkelijken liet de Britse generaal Gordon in 1877 een dam aanleggen die Suakin met het vaste land verbindt. Aan de vaste wal is nog steeds de grote stenen stadspoort met kantelen te zien waar het komende en gaande verkeer werd gecontroleerd. Vlakbij ligt een immense hoop stenen afkomstig van de karavanserai die gouverneur Shennawi Bey in navolging van de dam door slaven liet bouwen. Het gebouw was destijds het grootste in Sudan en telde drie verdiepingen met tweehonderd kamers, die uitkeken op een binnenplein dat plaats bood aan wel honderd kamelen. De toegangspoorten waren groot genoeg om de volbeladen kamelen door te laten.

Het grote geld werd echter niet met goederen, maar met slaven verdiend. Hoewel Engeland en Egypte hadden toegezegd de slavenhandel te zullen uitroeien, trokken handelaren en overheidsdienaren tot in de hoogste regionen zich daar weinig van aan. Om lastige vragen te omzeilen en het betalen van belasting te ontduiken werden slaven regelmatig ingescheept als pelgrimsgangers en zo duurde de illegale handel voort tot in de vorige eeuw.

Tegenwoordig vormen echte, maar armlastie bedevaartgangers nog de enige passagiers die vanuit Suakin scheep gaan naar Jedda. De zeilschepen of dows waarmee ze in drie dagen naar de overkant zeilen, worden gebouwd langs de dam die het eiland verbindt met Geyf, het stadje aan de wal waarin Suakin in zekere zin nog voortleeft. Haar bewoners, fier uitziende Hadendowa met prachtige kapsels van kroeshaar, pasten zich aan de veranderende tijden aan en leven van de visserij, scheepsbouw en lokale handel. Het is waarschijnlijk alleen de toerist die, lopend over de plaatselijke markt, weemoedig denkt aan de tijden dat deze heldhaftige nomaden gidsen leverden voor handelskaravanen uit de verre binnenlanden van Afrika.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden