Een kleine en vrije republiek

AMBITIEUZE kunstenaars, zegt 'new journalist' Tom Wolfe, artiesten die uit zijn op succes, spelen een dubbelrol: ze moeten zich welbewust wijden aan de anti-burgerlijke waarden van het een of andere cénacle, aan Bohemia, aan het leven van Bloomsbury, de Rive Gauche, de zolders van Greenwich Village, 'met uitzicht op de...

Paul Depondt

Hun smeekbeden klinken tergend en wansmakelijk, wanneer afgezanten van een of ander museum hun rondgang maken langs de zolderateliers: kies mij kies mij kies mij kies mij kies mij. . . O, verfoeilijk Establishment! Ze dansen weliswaar de Boho-dans, schrijft Wolfe in The Painted Word, en tonen hun spullen in kringen, klieken, bewegingen, ismen van de eigen buurt, dus in Bohemia zelf, alsof ze aan de rest geen boodschap hebben; maar vervolgens laten ze zich door de culturati 'met alle zegeningen der roem overladen'.

Dat was ongetwijfeld zo in het Parijs van de bohème en het was niet anders in het New York van begin vorige eeuw, schrijft Ross Wetzsteon in Republic of Dreams - Greenwich Village: The American Bohemia, 1910-1960. Experiment was het favoriete woord van de bohémiens; maar 'wat Bohemia ook mag zijn', kopte een Village-magazine al in 1917, 'it is almost always yesterday'. Nieuwigheden worden door het establishment gaandeweg aanvaard, het worden zelfs opmerkelijke modes.

Het New Yorkse Greenwich Village was 'the place where everything happens first': de uitvinding van de telegraaf of de Colt.45, film, radio of televisie, feminisme en socialisme, pacifisme en anarchisme, free verse en free love, kubisme en abstract-expressionisme. Van Marcel Duchamp tot Bob Dylan, van Marlon Brando tot Abbie Hoffman, alles wat nieuw was, begon in Greenwich Village, behalve dan de Prohibitie. Want er werd in Green Village, dat later Greenwich Village werd genoemd of kortweg The Village, 'gezopen als de ketters' - in de woorden van Willem de Kooning, de ongekroonde koning van de beroemde Cedar Tavern.

Wetzsteon, van 1966 tot zijn dood in 1998 journalist, criticus en editor van de Village Voice, wilde de geschiedenis schrijven van het 20ste-eeuwse Greenwich Village, van de stormachtige jaren tien en twintig, de tijd van John Reed en Gene O'Neill, tot nu. Hij woonde in The Village, in West 12th Street, en zag hoe 'het dorp van de vroegere bohémiens' veranderde in een toeristische attractie. The Village echter was meer een 'geesteshouding' dan een stip op een stadsplattegrond. Al heel vroeg, toen hij met het schrijven was begonnen, had Wetzsteon zijn openingszin: 'Greenwich Village isn't what it used to be.' Dat is helemaal weg.

In januari 1917 klommen enkele villagers, onder anderen Marcel Duchamp en zijn medestander John Sloan, op de Washington Square Arch en riepen Greenwich Village uit 'als vrije en onafhankelijke republiek'. Hun rebellie was het begin van het Gouden Tijdperk van The Village, al was het enige onmiddellijke resultaat van hun provocatie 'dat de deur van het monument op slot ging'. New York echter werd in die dagen wat Boston vroeger was: het culturele hart van de Verenigde Staten, the place to be.

Wetzsteons boek is een portrettengalerij van eminente villagers uit de eerste helft van de vorige eeuw in hun biotoop: de salon van de extravagante galeriehoudster Mabel Dodge, 'een soort headhunter' van salonsocialisten en beroemde journalisten à la John Reed, 'de playboy van de revolutie'; de kring rond Max Eastman en het door de Nederlandse immigrant Piet Vlag opgerichte blad The Masses; de toneelwereld van de notoire drinker Gene O'Neill; de bijeenkomsten van de eerste feministes van The Village, de provocerende Henrietta Rodman en dangerous woman Emma Goldman; de door politici verketterde centra voor geboorteregeling van Margaret Sanger; de legendarische levens van Djuna Barnes, Dylan Thomas en dripper Jackson Pollock.

Volgens Wetzsteon is er al veel over de Village geschreven, in gidsen of biografieën, maar slechts zelden over de hele historie. Je had vroeger vooral iconografische geschiedschrijving, dat zie je ook nog in musea, plaatjes van beroemdheden, John Reed als communistische held. Vaak waren de levens van kunstenaars die er hadden gewoond, geromantiseerd. Alleen in Allen Churchills The Improper Bohemians uit 1959 en in het dertien jaar geleden verschenen Greenwich Village and How It Got That Way van Terry Miller kon je iets lezen over 'de echte geschiedenis' van het tussen West 14th Street, Broadway en Canal Street gelegen Bohemia.

Nergens woonden zoveel denkers, schrijvers en kunstenaars, acteurs en musici, zoveel beroemde villagers, als in de straten rond Washington Square Arch in Lower Manhattan. Het was een compleet 'Pantheon van de Amerikaanse literatuur', de bakermat van de abstracte schilderkunst en lang voor Hollywood het centrum van de Amerikaanse film (Lauren Bacall was 'Miss Greenwich Village of 1942'). Musici als George Gershwin speelden in de bars van The Village. Rhapsody in Blue.

In 1962 sloot The Cedar zijn deuren; de bar verhuisde naar een andere plek. Het was, schrijft Wetzsteon, ook het definitieve einde van de kleine en vrije Republiek van Greenwich Village. Een nieuw tijdperk was aangebroken, waarin de hele cultuur - sinds de jaren vijftig - langzamerhand werd 'gebohemiseerd'. Maar intussen had Jack Kerouac zijn cultboek On the Road geschreven en had je alweer een andere rebelse bohème, die goedkope chianti dronk, bongo-drums speelde en marihuana rookte. Ah, zei Kerouac, 'this is nothing but a beat generation', op weg van New York naar San Francisco's NorthBeach, of naar de canyons van Los Angeles, een wereldomspannende bohème.

Weg met die bohème, riep ten onzent J.P. Guépin. Kunstenaars hebben de laatste tweehonderd jaar de liberale democratie en de daarmee samenhangende burgerdeugden niet genoeg geprezen. Misschien is dát de oorzaak van verdwenen fatsoen en vervagend normbesef. Die door Guépin verfoeide bohème is allang geschiedenis. Hun verzuchtingen en ideeën zijn door de burgercultuur geannexeerd, want wat vroeger nog tegenstand opriep, is nu algemeen aanvaard. Niet door Guépin.

Niemand noemt zich nog een bohémien. Nu heb je, stelde David Brooks in 2000 vast in zijn geestige Bobos in Paradise - The New Upper Class and How They Got There, rijke maar ook soms rebellerende 'Bobos', bourgeois bohemians, een nieuwe gegoede klasse die zeer verschilt van de vroegere welgestelde en weldenkende bourgeoisie. Bobos maken zich zorgen over het milieu, praten ook over hun zorgen, terwijl - schreef The Observer - 'ze in hun benzine slurpende sports utility vehicles rondscheuren'.

Misschien spelen zulke Bobos, net als de kunstenaars over wie Wolfe schreef, ook een dubbelrol. En ook dat zal ooit door historici worden ontrafeld, beschreven, gewikt en gewogen. The beat goes on, ook in de geschiedschrijving. Elk onderwerp, van de Franse tot de Amerikaanse bohème, van de beat generation tot de Nederlandse kabouterbeweging, van yuppies tot bobo's, verdient zo'n gretige historische belangstelling als Wetzsteon heeft laten zien in zijn boek over de kleine republiek van het New Yorkse Greenwich Village. Zelfs het bobodom wordt ooit nog eens verleden tijd waarover geschreven en geoordeeld kan worden.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden